Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU4112

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
15/800989-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; voorwaardelijk opzet; strafmaatverweer; LOVS-richtlijnen.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4824,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Hoewel in beginsel ten aanzien van dit soort misdrijven de landelijke oriëntatiepunten (LOVS) voor de op te leggen straf gebaseerd zijn op de totale hoeveelheid ingevoerde cocaïne, ziet de rechtbank aanleiding om in de overhavige zaak hiervan enigszins ten voordele van verdachte af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank dient daarbij gekeken te worden naar de rollen welke verdachte en medeverdachte in het geheel vervulden. De rechtbank gaat daarbij uit van een grotere rol van verdachte. Immers, verdachte was, in tegenstelling tot zijn medeverdachte, een beloning in het vooruitzicht gesteld. Ook had verdachte de leiding tijdens de reis, diende hij instructies aan de medeverdachte te geven, beschikte hij over de tickets en claimtags en onderhield hij (telefonisch) contact met de opdrachtgever. De rechtbank zal rekening houden met deze grotere rol van verdachte. Anderzijds is de rechtbank van van oordeel dat ten aanzien van verdachte geldt dat hij aanvankelijk alleen door de organisatie is benaderd om de reis naar Nederland te maken, de reis van de medeverdachte niet heeft gepland en georganiseerd, en verder ook niet is gebleken dat verdachte deel zou uitmaken van de organisatie zelf. Ook heeft de verdachte rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte. De rechtbank ziet in deze omstandigheden, aanleiding aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800989-11

Uitspraakdatum: 11 november 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 oktober 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Guadalajara (Mexico),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juli 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 4824,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtendertig (38) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn op 24 juli 2011 vanuit Mexico aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. In opdracht van het Passengers Operation Centre zijn de koffers van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gecontroleerd. Bij controle met x-ray apparaat werden in de koffers afwijkende contouren waargenomen, welke leken op pakketten. Vervolgens werd in beide koffers onder de bodemplaat een witte substantie aangetroffen die een positief kleurresultaat gaf bij de MMC test.2 Bij verder onderzoek van beide koffers bleek in de voering een aantal pakketten met een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne te zitten. In de koffer van verdachte zaten vier pakketten cocaïne met een totaalgewicht van 2.702,2 gram.3 In de koffer van medeverdachte [medeverdachte] zaten ook vier pakketten cocaïne met een totaalgewicht van 2.121,9 gram.4

Een vriend van verdachte heeft op straat een man leren kennen, genaamd Juan, die hem heeft gevraagd of hij voor hem een koffer wilde meenemen naar Nederland. Verdachte zou daar 2.500 dollar voor krijgen. Hij is door Juan voorgesteld aan een vrouw, medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen [medeverdachte]), met wie hij de reis zou maken. Juan vertelde verdachte dat hij tijdens de reis de leiding moest nemen voor het geval [medeverdachte] niet alles goed zou begrijpen. Juan heeft hen de koffers gegeven die zij moesten meenemen naar Nederland. Verdachte moest zich samen met [medeverdachte] voordoen als een stelletje. Verdachte heeft zijn koffer opengemaakt en zag niets vreemds. Hij dacht dat er misschien iets in de koffer zou zitten, drugs of geld. Verdachte heeft vervolgens zijn eigen kleding in de koffer gedaan. Op de dag dat verdachte ging reizen, heeft hij 2.000 dollar van de vriend gekregen. Tevens heeft hij de naam van een hotel in Rotterdam gekregen. Verdachte mocht verder geen vragen stellen en hem is gezegd dat hij in de gaten zou worden gehouden. Op weg naar het vliegveld is medeverdachte [medeverdachte] opgehaald. Zij had een gelijksoortige koffer bij zich. Verdachte heeft voor beiden de koffers ingecheckt. Voor het vertrek is verdachte nog gebeld door de man die alles had geregeld.5 6

Medeverdachte [medeverdachte] heeft de lezing van verdachte over hun reis bevestigd.7

4.2. Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat bij verdachte geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, nu hij eerst de koffer heeft onderzocht en niets vreemds heeft aangetroffen. Verdachte zou dan ook moeten worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De algemene ervaringsregel leert dat een passagier die per vliegtuig een bagagestuk met zich voert verantwoordelijkheid draagt voor die inhoud daarvan. Dit is slechts anders indien uit de stukken of uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de passagier van de aanwezigheid van de cocaïne niet wist of zich niet bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in zijn bagage cocaïne zat.

In dit geval kreeg verdachte een gratis reis naar Nederland aangeboden door een vriend, waarbij hij een koffer mee moest nemen, hij ook geld ontving en hem nog een aanzienlijk bedrag in het vooruitzicht werd gesteld. Hij reisde met een andere, voor hem onbekende vrouw waarbij zij zich moesten zich voordoen als echtpaar en zou tijdens de reis ook in de gaten worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de hem verstrekte koffer werd gebruikt voor het vervoeren van verdovende middelen, hetgeen ook daadwerkelijk het geval bleek te zijn. Weliswaar heeft verdachte verklaard de koffer te hebben onderzocht en naar hij zegt niets vreemds gezien, maar onder de hierboven omschreven omstandigheden acht de rechtbank dit enkele oppervlakkige onderzoek onvoldoende. Bovendien heeft verdachte ook geen enkele navraag gedaan over de reden van de reis.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, omdat verdachte pas bij het ophalen van de medeverdachte heeft gezien dat zij een soortgelijke koffer bij zich had en niet kon vermoeden dat zij verboden spul bij zich had. Verdachte zou daarom slechts veroordeeld kunnen worden ter zake van de invoer van de hoeveelheid cocaïne in zijn eigen koffer.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking . Verdachte wist van tevoren dat hij op reis ging met de medeverdachte, dat zij ook een koffer had gekregen die in Nederland moest worden afgegeven, zij daarvoor ook een geldbedrag zou ontvangen en dat hij de leiding moest nemen en haar in de gaten moest houden. Vervolgens zijn zij door de man die hun reis had geregeld samen naar het vliegveld gebracht, waarbij hij zag dat de vrouw een identieke koffer bij zich had, hebben daar samen ingecheckt en is besproken dat zij zich bij de Nederlandse politie voor zouden doen als een getrouwd stel. Verdachte heeft verder geen navraag gedaan of geprobeerd zich op dit moment nog van de reis te distantiëren. Door met medeverdachte in het vliegtuig te stappen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook in de koffer van medeverdachte [medeverdachte] cocaïne zou kunnen zitten. Daarmee kan het ten laste gelegde medeplegen bewezen worden verklaard.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 24 juli 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4824,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4824,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Hoewel in beginsel ten aanzien van dit soort misdrijven de landelijke oriëntatiepunten (LOVS) voor de op te leggen straf gebaseerd zijn op de totale hoeveelheid ingevoerde cocaïne, ziet de rechtbank aanleiding om in de overhavige zaak hiervan enigszins ten voordele van verdachte af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank dient daarbij gekeken te worden naar de rollen welke verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in het geheel vervulden.

De rechtbank gaat daarbij uit van een grotere rol van verdachte. Immers, verdachte was, in tegenstelling tot zijn medeverdachte, een beloning in het vooruitzicht gesteld. Ook had verdachte de leiding tijdens de reis, diende hij instructies aan de medeverdachte te geven, beschikte hij over de tickets en claimtags en onderhield hij (telefonisch) contact met de opdrachtgever. De rechtbank zal rekening houden met deze grotere rol van verdachte. Anderzijds is de rechtbank van van oordeel dat ten aanzien van verdachte geldt dat hij aanvankelijk alleen door de organisatie is benaderd om de reis naar Nederland te maken, de reis van de medeverdachte niet heeft gepland en georganiseerd, en verder ook niet is gebleken dat verdachte deel zou uitmaken van de organisatie zelf. Ook heeft de verdachte rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte. De rechtbank ziet in deze omstandigheden, aanleiding aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. S.C.A. van Kuijeren en mr. A.C. Bordes, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers W. van den Bergh en mr. M. Duin,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 november 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal d.d. 25 juli 2011 (dossierparagraaf 2.2).

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 26 juli 2011 (dossierparagraaf 4.4) en Laboratoriumrapport d.d. 1 augustus 2011 (kenmerk A065.1.055374 en laboratoriumnummer

6622 X 11).

4 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 26 juli 2011 (dossierparagraaf 2.6) en Laboratoriumrapport d.d. 1 augustus 2011 (kenmerk A065.1.055373 en laboratoriumnummer

6618 X 11).

5 Proces-verbaal van verhoor d.d. 25 juli 2011 (dossierparagraaf 3.3).

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 25 juli 2011 (dossierparagraaf 1.3).