Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3943

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-09-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
15/840090-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; voorwaardelijk opzet; organisatie.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 11.808,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft als Schipholmedewerker een wezenlijke rol gehad in het plegen van dit feit, omdat hij de beschikking had over een Schipholpas. Verdachte heeft daarbij niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd, maar heeft tevens de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. De rechtbank gaat voorbij aan de door de officier van justitie gevolgde redenering dat verdachte met de door hem beschreven rol een daadwerkelijk lid van de organisatie zou zijn waardoor een zwaardere strafoplegging zou moeten volgen. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding van een andere categorie dan van de 'standaard' categorie uit te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840090-11

Uitspraakdatum: 19 september 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 september 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 11.808,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig (60) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en teruggave van het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op maandag 23 mei 2011 werd na een vlucht vanuit Punta Cana (Dominicaanse Republiek) op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een man genaamd [medeverdachte] gevolgd en vervolgens geobserveerd.2 De door [medeverdachte] meegevoerde rolkoffer werd na enkele uren observatie aan een douanecontrole onderworpen, in welke koffer in een rugtas een hoeveelheid met zilverkleurige tape omwikkelde pakketten werd aangetroffen.3 Deze twaalf pakketten werden nader onderzocht en bij alle pakketten werd een witkleurige stof aangetroffen, welke stof na weging in totaal een nettogewicht bleek te hebben van 11.808,2 gram.4 Er werden twaalf representatieve monsters ter analyse overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam.5 Onderzoek wees uit dat al het materiaal cocaïne bevatte.6

[medeverdachte] gaf na zijn aanhouding aan mee te willen werken met verbalisanten om zo de afhaler van de koffer te onderkennen. Hierop werd een observatie opgestart, waarbij door het Schipholteam een andere rolkoffer met daarin neppakketten aan [medeverdachte] werd overhandigd.7 Verdachte [medeverdachte] heeft vervolgens het nummer gebeld dat hij bij aankomst op Schiphol moest bellen.8 [medeverdachte] en verbalisant [verbalisant] bevonden zich omstreeks 14.50 uur op 23 mei 2011 in de rookruimte op de eerste etage van de lounge van Terminal 2. Eén van de observerende verbalisanten zag op dat moment een onbekende man met een mobiele telefoon aan zijn oor naar de rookruimte lopen en enige tijd naar binnen kijken. Genoemde man was gekleed in een uniform van het schoonmaakbedrijf HAGO. [medeverdachte] stond met zijn gezicht gericht naar deze verbalisant en verbalisant zag dat hij naar de Schipholmedewerker keek. De Schipholmedewerker wenkte [medeverdachte] door zijn hoofd een paar keer zijdelings te bewegen. [medeverdachte] liep hierop direct naar de medewerker toe en de verbalisant zag dat er woorden tussen hen gewisseld werden. Hij zag dat de Schipholmedewerker met handgebaren aan [medeverdachte] duidelijk maakte dat hij hem moest volgen richting de corridor van Terminal 2 naar Terminal 3. Verbalisant liep op enige meters afstand achter de twee mannen aan en zag dat zij samen de eerste toiletgroep aan de linkerkant, gezien vanaf Terminal 2, inliepen. Na enige tijd kwamen de twee mannen uit de toiletgroep. De Schipholmedewerker liep verder de lounge van Terminal 2 in en [medeverdachte] ging weer naar de rookruimte bij het communicatiecenter.9

Ook verbalisant [verbalisant], die samen met [medeverdachte] in de rookruimte stond, zag omstreeks 14.55 uur dat een man met een mobiele telefoon aan zijn oor, een sigaret in zijn hand en een zichtbare Schipholpas naar de deur van de rookruimte liep om vervolgens naar [medeverdachte] te wenken door middel van zijdelings zijn hoofd naar rechts te bewegen. [verbalisant] zag dat [medeverdachte] de deur opende en met de man mee liep.10 Na ongeveer vier minuten kwam [medeverdachte] terug in de rookruimte en deelde verbalisant mede dat de man die hem wenkte samen met hem naar de toiletten is gelopen, dat de man aan hem vroeg of zijn voornaam [voornaam medeverdachte] is, dat de man een deur opendeed in voornoemde toiletten en vertelde dat [medeverdachte] de koffer uit de locker moest halen en in de kast achter deze deur moest zetten en dat hij daarna de deur in het slot zou moeten laten vallen en een schoonmaakkar ervoor moest zetten. [medeverdachte] heeft vervolgens de koffer uit de locker gehaald en naar voornoemde toiletruimte gebracht.11 Verdachte bleek de desbetreffende Schipholmedewerker te zijn.12

Verdachte verklaarde op 16 juni 2011 bij de Koninklijke Marechaussee dat een Afrikaanse man die eerder met hem samenwerkte, reeds op zaterdag 21 mei 2011 contact met hem had opgenomen. Deze man zei tegen verdachte: "Er zijn zoveel mensen die het doen, jij kan het ook doen. Een keer maar, een keer. Kijk maar hoe het gaat, dan kunnen we blijven samenwerken." Hij bracht verdachte een foto. De man vertelde verdachte dat ene [voornaam medeverdachte] op maandag op Schiphol aan zou komen met een zak of tas, welke hij in een toilet zou neerleggen. Daarna zou genoemde [voornaam medeverdachte] die man bellen om te vertellen waar hij die tas of zak neergelegd had en het was de bedoeling dat verdachte deze tas of zak dan zou ophalen.13 Verdachte verklaarde vervolgens wat er op die 23e mei gebeurde. Genoemde [voornaam medeverdachte] zou volgens de man na 13.00 uur 's middags op Schiphol aankomen. Verdachte werkte die dag vanaf 10 uur en omstreeks 14.00 uur werd hij door de man gebeld, die hem zei in de rookruimte te gaan kijken. Verdachte ging lopen met de foto van [voornaam medeverdachte] in zijn hand. Hij zag in de rookruimte de man die op de foto stond, dit was [voornaam medeverdachte]. Verdachte liep vervolgens naar de toiletruimte en [voornaam medeverdachte] liep achter hem aan. Verdachte verklaarde niet te weten wat er in de tas of zak zat, de Afrikaanse man had hem verteld dat het om goud zou gaan.14 Verdachte verklaarde dat hij niet wist wat zijn beloning zou zijn, maar wel dat hij er geld voor zou krijgen. De Afrikaanse man zou hem nog vertellen waar hij de tas of zak mee naar toe moest nemen.15

De rechtbank acht de door verdachte bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaring, welke verklaring hij overigens een dag later in het kort heeft herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris, en welke verklaringen door verdachte zelf zijn ondertekend, geloofwaardig en houdt verdachte aan die verklaringen. De enkele betwisting van verdachte ter zitting dat hij bepaalde dingen niet zou hebben gezegd, doet aan deze geloofwaardigheid niet af.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De verweren van de raadsman dat slechts sprake zou zijn geweest van een poging tot invoer van cocaïne in Nederland, dat geen sprake was van een voltooid delict dan wel dat verdachte vrijwillig is teruggetreden vinden hun weerlegging, naar het oordeel van de rechtbank, in de gebezigde bewijsmiddelen. Het feit dat de cocaïne op een gegeven moment uit de koffer is gehaald doet aan het voorgaande niet af, nu verdachte reeds vóór het vertrek van [medeverdachte] vanuit Punta Cana en diens aankomst in Amsterdam betrokken was bij de invoer van de cocaïne.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijk zin, had op de invoer van de aangetroffen cocaïne. Verdachte dacht immers dat het om een tas of zak met goud ging. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen, nu niet gesproken kan worden over een bewuste en nauwe samenwerking: verdachte heeft enkel [medeverdachte] van de rookruimte naar de toiletruimte gebracht.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte is al jaren werkzaam op de luchthaven Schiphol en is vanuit die hoofde op de hoogte van het feit dat er strafbare feiten gepleegd worden op genoemde luchthaven, bijvoorbeeld het overtreden van de Opiumwet. Reeds op 21 mei 2011 werd verdachte benaderd door een ex-collega om twee dagen later een reiziger genaamd [voornaam medeverdachte] op te vangen. Hij ontving hiertoe een telefoon van de man teneinde contact met hem te kunnen onderhouden. Tevens kreeg hij een foto van de betreffende reiziger. De persoon genaamd [voornaam medeverdachte] zou met verdachte naar een toiletruimte gaan en aldaar zou een tas of zak met inhoud, volgens verdachte bevattende goud, worden afgegeven. Hierna moest verdachte weer contact opnemen met de man, zodat deze tas of zak verder vervoerd kon worden. Aan [medeverdachte] werd vooraf al verteld dat hij op de luchthaven benaderd zou worden door een medewerker van Schiphol, deze medewerker zou aan het werk zijn en hem benaderen. Zowel [medeverdachte] als verdachte ontving die dag instructies, verdachte kreeg deze van de door hem genoemde ex-collega. Voorts heeft verdachte zich, zoals blijkt uit het dossier, al bellend begeven naar de rookruimte en aldaar [medeverdachte] gewenkt om met hem mee te komen. Zij zijn vervolgens samen naar de toiletten gegaan. In de toiletten heeft verdachte [medeverdachte] gewezen op een kast alwaar hij de door hem meegebrachte koffer in moest zetten. Daar komt bij dat verdachte een beloning voor zijn handelen in het vooruitzicht was gesteld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de tas of zak waar zijn ex-collega over sprak (dan wel in de meegebrachte koffer) verdovende middelen waren verborgen - zoals ook het geval bleek te zijn - en dat hij deze derhalve samen met de koerier [medeverdachte] (verder) binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Aldus heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

De verklaringen van [medeverdachte] over de gang van zaken op 23 mei 2011, zoals hiervoor weergegeven, vinden steun in de verklaring van verdachte en de observaties die hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat de verdachte zo nauw en bewust met [medeverdachte] heeft samengewerkt, dat sprake is van het medeplegen van de invoer van cocaïne.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 23 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 11.808,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 11.808,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft als Schipholmedewerker een wezenlijke rol gehad in het plegen van dit feit, omdat hij de beschikking had over een Schipholpas. Verdachte heeft daarbij niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd, maar heeft tevens de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank gaat voorbij aan de door de officier van justitie gevolgde redenering dat verdachte met de door hem beschreven rol een daadwerkelijk lid van de organisatie zou zijn waardoor een zwaardere strafoplegging zou moeten volgen. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding van een andere categorie dan van de 'standaard' categorie uit te gaan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE EN VIJFTIG (52) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1) Geld Euro 6 x 50 euro (ibg dd 14062011);

2) Geld Euro 1 x 10 euro (ibg dd 14062011).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, voorzitter,

mr. drs. J.W.H.G. Loyson en mr. J.G. Tielenius Kruythoff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Zoethout,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2011.

mr. J.G. Tielenius Kruythoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal d.d. 23 mei 2011, dossierpagina's 82-83.

3 Proces-verbaal d.d. 23 mei 2011, dossierpagina 83.

4 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 24 mei 2011 met fotobijlage, dossierpagina's 167 en 169.

5 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 24 mei 2011 met fotobijlage, dossierpagina 170.

6 Deskundigenrapport van het Douanelaboratorium te Amsterdam kenmerk 4625 X 11 d.d. 27 mei 2011, opgemaakt door deskundige drs. M.M. Sarneel.

7 Proces-verbaal d.d. 24 mei 2011, dossierpagina 80.

8 Proces-verbaal d.d. 23 mei 2011, dossierpagina 85.

9 Proces-verbaal d.d. 24 mei 2011, dossierpagina 89.

10 Proces-verbaal observatie [medeverdachte] d.d. 23 mei 2011, dossierpagina 91.

11 Proces-verbaal observatie [medeverdachte] d.d. 23 mei 2011, dossierpagina 92.

12 Proces-verbaal van getoonde foto d.d. 30 mei 2011 met fotobijlage, dossierpagina 98; proces-verbaal van getoonde foto d.d. 27 mei 2011; proces-verbaal verkrijgen ID-gegevens d.d. 8 juni 2011, dossierpagina 95.

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 juni 2011, dossierpagina 43.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 juni 2011, dossierpagina 44.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 juni 2011, dossierpagina 45.