Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3828

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
11/3478
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) 2009. Indeling in een diagnosekostengroep (DKG) vond niet plaats in 2008, maar in 2007, waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde van indeling in een DKG. Huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) werd in 2009 eens per twee weken werd verleend, waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde dat 26 weken hulp is ontvangen. De regeling biedt geen ruimte voor het Cak af te wijken van de gestelde voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3478 WTCG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2011

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

CAK B.V.,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2011 heeft verweerster de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) voor het jaar 2009 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 januari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 juni 2011 beroep ingesteld.

Verweerster heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 september 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.N.F. van der Gaarden en mr. S.R. Fernhout.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft een aanvraag ingediend om voor 2009 in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de Wtcg. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen (en die afwijzing na bezwaar gehandhaafd) omdat eiser niet aan de voorwaarden voldeed.

2.2 Eiser heeft aangevoerd dat hij wel aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. Eiser heeft daarbij gewezen op het feit dat hij in 2008 is opgenomen in het ziekenhuis vanwege een operatie in verband met blaaskanker, en het feit dat hij in 2009 huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft ontvangen.

2.3 De Wtcg heeft tot doel chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten door problemen die zij met hun gezondheid ervaren, tegemoet te komen voor deze kosten. Bij deze meerkosten gaat het niet om kosten van zorg waarvoor zij op grond van de AWBZ of de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn verzekerd. Meerkosten zijn kosten die samenhangen met de gezondheidsproblemen waarmee deze mensen kampen, zoals hogere stookkosten, vervoerskosten voor geneeskundige hulp en extra kosten voor kleding of beddengoed.

2.4 Nu geen registratie bestaat van chronisch zieken of gehandicapten heeft de wetgever gezocht naar een zo goed mogelijke wijze van afbakening van deze groep, met gebruikmaking van de voorhanden gegevens. Daarbij is uiteindelijk gekozen voor de gegevens over het zorggebruik van verzekerden die beschikbaar zijn op grond van de risicoverevening. Als voorspeller van structurele hoge kosten voor de zorgverzekeraar zijn in het risicovereveningsmodel diagnosekostengroepen (DKG’s) ontwikkeld. Deze DKG’s geven informatie over ziekenhuisopnamen samenhangend met chronische aandoeningen. DKG’s zijn clusters van aandoeningengroepen. De aandoeningengroepen worden geïdentificeerd op grond van informatie over uitgevoerde diagnosebehandelcombinaties (dbc’s). Indien een verzekerde op grond van zijn zorgkosten is ingedeeld in een DKG, kan daaruit volgens de wetgever worden afgeleid dat deze verzekerde chronisch ziek of gehandicapt is. De wetgever heeft bij dit alles de kanttekening geplaatst dat de afbakening nog niet optimaal is en in de loop van de tijd verfijnd zal moeten worden.

2.5 Deze uitgangspunten hebben geleid tot de volgende - voor zover hier van belang weergegeven – bepalingen.

2.6 Art 2 Wtcg luidt:

“1. Iemand heeft jaarlijks recht op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tegemoetkoming, indien hij behoort tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen groep van personen:

a. die gebruik maken van hulpmiddelenzorg, farmaceutische zorg, fysiotherapie, oefentherapie en geneeskundige zorg die behoren tot de verzekerde prestaties op grond van de Zorgverzekeringswet,

b. voor wie ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg, of

c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, kan voor verschillende groepen op een verschillend bedrag worden vastgesteld.

3. De criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, kunnen indien dit met het oog op een betere werking van deze wet op korte termijn noodzakelijk wordt geacht, bij algemene maatregel van bestuur worden aangevuld.”

2.7 Artikel 2, eerste lid, Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (hierna: Besluit) luidde ten tijde hier van belang:

“De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, bedraagt € 300 indien de verzekerde in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden, onderscheidenlijk € 150 indien de verzekerde in het gehele jaar 65 jaar of ouder was, en de verzekerde:

(…)

d. in het jaar voorafgaande aan dat jaar was ingedeeld in één of meer van de bij ministeriële regeling aangewezen DKG's;

(…)

i. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer één tot tien uren per week op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning in natura huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet, heeft ontvangen, of

(…)”

2.8 Artikel 3 van de “Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten” luidde ten tijde hier van belang:

“Als DKG's als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten worden aangewezen de DKG's, genoemd in tabel B4.3 van bijlage 4, van de Regeling zorgverzekering zoals deze luidde in het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de wet betrekking heeft.”

2.9 In de toelichting op het Besluit is opgenomen dat de verzekerde recht heeft op de tegemoetkoming als in hij in een DKG is ingedeeld in het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. De achterliggende gedachte daarbij is dat in het jaar volgend op het jaar waarin behandeling heeft plaatsgevonden zich extra kosten zullen voordoen.

2.10 Het voorgaande betekent dat eiser in het jaar 2008 moest zijn ingedeeld in een DKG om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. Indeling in een DKG vindt plaats in het jaar dat een dbc wordt geopend.

2.11 In het geval van eiser is de dbc geopend in december 2007, toen bij eiser kanker is vastgesteld. De omstandigheid dat de toen gestelde diagnose (nierkanker) niet juist bleek te zijn, en is gewijzigd (in blaaskanker), heeft er, gelet op de daarvoor geldende afspraken, niet toe geleid dat een (nieuwe) dbc kon worden geopend. Ook uit de door eiser overgelegde stukken komt naar voren dat hij in 2007 wel is ingedeeld in een DKG, maar in 2008 niet.

2.12 Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat onder DKG 13 (interne geneeskunde) de dbc eindigend op 322 (dagbehandeling) te vinden is, terwijl deze code onder de DKG waaronder eisers aandoening valt, niet is terug te vinden. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat hij in het jaar 2008 regelmatig voor behandeling naar het ziekenhuis moest en zelfs nogmaals is geopereerd.

2.13 De rechtbank stelt vast dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om het recht op een tegemoetkoming te baseren op de indeling in een DKG. De keuze van de wetgever aan te sluiten bij de indeling in DKG’s heeft ook tot gevolg dat dagbehandelingen bij andere aandoeningen kunnen leiden tot recht op een tegemoetkoming, waar dat bij eisers aandoening niet het geval is. Zoals hiervoor uiteengezet, is de keuze van de wetgever gebaseerd op de gedachte dat meerkosten bij de zorgverzekeraars veelal parallel loopt met meerkosten bij de verzekerde. De regeling biedt geen ruimte hiervan af te wijken. Nu in het geval van eiser een dbc is geopend in 2007, kan deze niet opnieuw in 2008 worden geopend. Daarmee is gegeven dat indeling in een DKG in 2008 niet aan de orde is.

2.14 Ten aanzien van de vraag of het ontvangen van huishoudelijke hulp op grond van de Wmo leidt tot aanspraak op tegemoetkoming op grond van de Wtcg overweegt de rechtbank het volgende.

2.15 In de toelichting op het Besluit is op dit punt opgenomen dat verzekerden die gedurende 26 weken 1 tot 10 uur huishoudelijke verzorging hebben ontvangen, recht hebben op een tegemoetkoming. De wetgever heeft ervoor gekozen uit te gaan van het ontvangen van hulp (en niet de indicatie voor hulp), omdat aan het ontvangen van huishoudelijke hulp een eigen bijdrage verbonden is, die door het Cak wordt geïnd, waardoor de groep eenvoudig is te bepalen.

2.16 In het geval van eiser wordt de huishoudelijke hulp waarvoor hij is geïndiceerd eenmaal per twee weken verleend. Hierdoor heeft eiser in het jaar 2009 niet in 26 weken hulp ontvangen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming.

2.17 Eiser heeft er op gewezen dat de informatie van overheid.nl, waarin is vermeld dat recht bestaat op een tegemoetkoming, indien: “U in 2008 was opgenomen in het ziekenhuis voor een ernstige chronische aandoening zoals kanker, (…)” tot de conclusie leidt dat zijn situatie daaraan geheel voldoet. Wat betreft dit door eiser gedane beroep op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Genoemde internetsite bevat een in algemene bewoordingen vervatte omschrijving van de te hanteren criteria. De rechtbank stelt vast dat de op de internetsite gebezigde omschrijving van de te hanteren criteria afwijken van de criteria, zoals deze op basis van het hiervoor weergegeven samenstel van wettelijke bepalingen moet worden gehanteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat genoemde internetsite het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt verweerster in afwijking van de wettelijke te hanteren criteria de op de internetsite genoemde criteria zal worden toegepast (zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 9 november 2010, LJN: BO3785).

2.18 Dat eiser het als onrechtvaardig ervaart dat hij – bezien tegen de achtergrond van de regelgeving – door een ongelukkige samenloop van omstandigheden geen recht op een tegemoetkoming heeft, is begrijpelijk, maar nu verweerster geen ruimte heeft af te wijken van de regelgeving leidt dit niet tot het oordeel dat het besluit geen stand kan houden.

2.19 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.