Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3799

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
15-800841-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; verbeurdverklaring.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1,7 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde slechts een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding om ten gunste van verdachte af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten € 600,- dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Het kan niet anders dan dat verdachte voor het drugstransport enige beloning zou ontvangen. Aangenomen moet worden dat het bij verdachte aangetroffen en haar toebehorende geldbedrag, met name gelet op de hoogte daarvan, geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde feit is verkregen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat dit haar spaargeld is ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800841-11

Uitspraakdatum: 18 oktober 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Aruba,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 juni 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van een onder verdachte in beslag genomen geldbedrag.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Verdachte is op 21 juni 2011 met vlucht KL0783 vanuit Aruba aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Tijdens een controle van de ruimbagage van voornoemde vlucht werd opgemerkt dat een koffer die ten naam was gesteld van [verdachte] na leegmaking abnormaal zwaar aanvoelde en dat de bodemplaat dik aanvoelde. Bij het scannen van de koffer werd een donkere verkleuring over de gehele bodem gezien. De koffer is vervolgens teruggeplaatst op de bagageband om de passagier genaamd [verdachte] te onderkennen.2 Vervolgens is gezien dat verdachte de betreffende koffer van de bagageband afhaalde. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat de koffer haar toebehoort.3

Bij nader onderzoek werd een gaatje geboord in de zwarte bodemplaat van de rolkoffer. Bij testen van de grijze stof op de boor met behulp van een MMC-cocaïnetest trad een positieve kleurreactie op. De bodemplaat is vervolgens in zijn geheel ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Rijswijk ter analyse van de aangeboden stof en ter bepaling van het nettogewicht.4 Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het ingezonden onderzoeksmateriaal circa 1,7 kilogram cocaïne bevatte, een substantie die is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.5

4.2. Bewijsoverweging t.a.v. het opzet

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van opzet, nu er geen risico bestond om de cocaïne onwetend aan verdachte mee te geven. Verdachte kan worden verweten dat zij dom en naïef is geweest en dat er hooguit sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In zaken als deze, waarin bij de inreis in Nederland in hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, geldt als uitgangspunt dat een passagier zelf voor de inhoud van zijn bagage verantwoordelijk is en bekend is met de inhoud van een door hem meegebrachte koffer. Voornoemd uitgangspunt leidt slechts uitzondering indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het opzet op de invoer, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval van vorenbedoelde bijzondere omstandigheden geen sprake is, en integendeel moet worden aangenomen dat verdachte wist dat er cocaïne in de koffer was verborgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, toen zij de koffer kreeg deze heeft bekeken, deze heeft schoongemaakt en de ritsen heeft geopend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat haar daarbij niets bijzonders aan de koffer is opgevallen ongeloofwaardig, aangezien vaststaat dat de koffer abnormaal zwaar was. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat het haar grote droom was naar Nederland te reizen en dat deze gelegenheid zich nu voordeed aangezien iemand, aan wie zij pas enkele maanden daarvoor was voorgesteld, voor haar deze reis had betaald. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verklaring dat verdachte gelet op haar familieverplichtingen op Aruba niets in Nederland had te zoeken en niet eens wist bij wie ze zou verblijven. Verdachte zou verder op de luchthaven Schiphol slechts worden herkend aan haar blauwe broek en blouse.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande de door verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot haar koffer en haar motieven om naar Nederland te reizen als ongeloofwaardig terzijde, en komt tot het oordeel dat verdachte wel degelijk bekend was met de aanwezigheid van cocaïne in de koffer. De rechtbank acht aldus het opzet van verdachte op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de in de koffer aangetroffen hoeveelheid cocaïne bewezen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 21 juni 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1,7 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde slechts een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding om ten gunste van verdachte af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten € 600,- dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Het kan niet anders dan dat verdachte voor het drugstransport enige beloning zou ontvangen. Aangenomen moet worden dat het bij verdachte aangetroffen en haar toebehorende geldbedrag, met name gelet op de hoogte daarvan, geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde feit is verkregen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat dit haar spaargeld is ongeloofwaardig.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag van €600,- (beslagnummers 8 en 9).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. J. Snitker en mr. A.C. Bordes, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. van de Vijver,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal d.d. 21 juni 2011, contentieusnummer 2011 0203 06055 (dossierparagraaf 1.1).

3 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 21 juni 2011, proces-verbaalnummer 20110534 (dossierparagraaf 1.1).

4 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 29 juni 2011 (dossierparagraaf 1.1.4).

5 Het rapport van het NFI d.d. 4 augustus 2011, zaaknummer 2011.07.08.012.