Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3358

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/5366
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering onrechtmatig bestede werkdeel 2008 op grond van artikel 70 van de WWB. Artikel 70, eerste lid, van de WWB is dwingendrechtelijk geformuleerd. Dat houdt in dat indien de omstandigheden bedoeld in deze bepaling zich voordoen, verweerder gehouden is om over te gaan tot terugvordering van (een deel van) de aan de desbetreffende gemeente toegekende uitkering werkdeel WWB. De financiële verantwoording van de in dit kader bestede gelden dient voor 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar te worden ingediend, geaccordeerd door een accountant. Van de juistheid en correctheid van de ingediende verantwoording mag worden uitgegaan, nu een accountant de informatie heeft beoordeeld en geaccordeerd (single audit). Onjuistheden in deze verantwoording dienen voor rekening van de gemeente te blijven. De rechtmatigheid van de bestedingen kan niet op een veel later tijdstip alsnog worden aangetoond, omdat daarmee de in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet opgenomen indieningstermijnen illusoir zouden worden. In het onderhavige geval is voorts niet aangetoond dat sprake is geweest van jaaroverschrijdende activiteiten. Evenmin was sprake van een jarenlange uitvoeringspraktijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5366

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2011

in de zaak van:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

te Haarlem,

eiser,

tegen:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2010 heeft verweerder op grond van artikel 70 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) de uitkering ter hoogte van het onrechtmatig bestede werkdeel 2008 van verweerder teruggevorderd ten bedrage van € 710.000,-.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 september 2010 heeft verweerder de terugvordering gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 september 2011, alwaar eiser werd vertegenwoordigd door mr. R. Braeken, J.G.R. Beskers en V.C.A. Grol. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. H.P.M. Schenkels en drs. R. Snel.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft een bedrag van € 710.000,- teruggevorderd van eiser. Het betreft een deel van de uitkering welke eiser heeft ontvangen betrekking hebbende op de middelen ter financiering van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB voor het jaar 2008 (het zogenaamde werkdeel WWB 2008). Eiser moet volgens verweerder € 710.000,- terugbetalen, zijnde het onrechtmatig bestede deel van de uitkering als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de WWB.

2.2 Eiser heeft in beroep – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het bedrag dat door verweerder wordt teruggevorderd is niet juist. Er is sprake van een verschrijving door de accountant. In eerste instantie was sprake van een bedrag van € 710.000,- waarvan door de accountant de rechtmatigheid niet kon worden vastgesteld. Omdat een aantal inlenende instanties te laat waren met het inleveren van gegevens, is op een later moment vastgesteld dat nog voor een bedrag van € 562.335,00 sprake was van onzekerheid over de rechtmatigheid. De accountant heeft dit bedrag echter abusievelijk niet bij het definitief uitbrengen van de jaarrekening overgenomen. Nu overduidelijk sprake is geweest van een verschrijving had verweerder dit in de beslissing op bezwaar kunnen aanpassen. Voorts is geen sprake geweest van onrechtmatige bestedingen in 2008, er was slechts sprake van onzekerheid over de rechtmatigheid bij de accountant. Op een later tijdstip is de rechtmatigheid van de bestedingen voor nagenoeg het hele bedrag alsnog vastgesteld door de accountant, zodat de terugvordering op grond van artikel 70, eerste lid, van de WWB niet terecht is. Niet tijdige verantwoording betekent volgens eiser niet dat sprake is van onrechtmatige besteding. Voorts heeft verweerder de manier van verantwoording door eiser met toepassing van de zogeheten t+1 regeling jarenlang (in elk geval sinds 2006) goedgekeurd. Verwezen wordt in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 juli 2010 (LJN:BN1242). Er was sprake van een geaccepteerde uitvoeringspraktijk, zodat het op de weg van verweerder ligt om de verantwoording van eiser te accepteren. Terugvordering van het gehele bedrag is bovendien disproportioneel, nu alsnog is komen vast te staan dat het bedrag rechtmatig is besteed. Tenslotte wordt een beroep gedaan op artikel 70, tweede lid, van de WWB. Eiser stelt dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in het Besluit WWB.

2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de van toepassing zijnde wetgeving volgt dat als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de besteding niet (tijdig) kan worden verantwoord, de besteding onrechtmatig is. In geval van onzekerheid wordt de besteding ook als onrechtmatig aangemerkt, tenzij sprake is van jaaroverschrijdende activiteiten. In dat geval geldt de regel jaar t + 1, de rechtmatige besteding mag dan bij de eerstvolgende verantwoording worden aangetoond. In onderhavig geval is echter geen sprake van jaaroverschrijdende activiteiten. Verweerder ontkent dat sprake is geweest van een jarenlang geaccepteerde uitvoeringspraktijk ten aanzien van een verkeerde uitleg van deze regel. In 2005 en 2006 is volgens verweerder geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot een bedrag voor jaaroverschrijdende activiteiten. In 2007 wel, maar verweerder was er niet van op de hoogte dat eiser het beleid verkeerd had uitgelegd en dat in 2007 (ook) geen sprake is geweest van jaaroverschrijdende activiteiten. Eiser heeft, zo blijkt, gehandeld in strijd met de kasstelselsystematiek, terwijl de beleidsregels en de instructies ander handelen voorschrijven. Voorts is volgens verweerder artikel 70, tweede lid, van de WWB hier niet van toepassing.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Op grond van artikel 15 van de Wet participatiebudget zijn op de terugvordering van het werkdeel 2008 de bepaling van de WWB van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2008.

2.5 Ingevolge artikel 69, eerste lid , aanhef en onder a, van de WWB ontvangt het college jaarlijks een uitkering uit 's Rijks kas voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid , aanhef en onder a, van de WWB, niet zijnde uitvoeringskosten.

2.6 Ingevolge artikel 70, eerste lid, van de WWB wordt, indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, niet volledig of onrechtmatig is besteed, de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie mededeling van terugvordering aan het college.

2.7 Artikel 77, eerste lid , van de WWB bepaalt dat het college verantwoording aflegt aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.8 In artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet is bepaald, voor zover van toepassing, dat het college van burgemeester en wethouders de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zenden in de vorm van:

a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet, en

b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.

2.9 In de uitspraak van 6 juli 2010 (LJN: BN1242) heeft de CRvB geoordeeld dat de wetsgeschiedenis van het hiervoor weergegeven wettelijk stelsel van toekenning en verantwoording van de uitkering voor het werkdeel WWB aanknopingspunten bevat voor een strikte benadering van de jaarlijkse verantwoording zoals door verweerder voorgestaan.

2.10 Artikel 70, eerste lid, van de WWB is dwingendrechtelijk geformuleerd. Dat houdt in dat indien de omstandigheden als bedoeld in deze bepaling zich voordoen, verweerder gehouden is om over te gaan tot terugvordering van (een deel van) de aan desbetreffende gemeente toegekende uitkering werkdeel WWB. Voor een afweging van de bij terugvordering betrokken belangen, zoals eiser voorstaat, laat artikel 70, eerste lid, van de WWB geen ruimte. De ingediende verantwoordingsinformatie, welke uiterlijk moest zijn ingediend op 15 juli 2009, vormt het uitgangspunt voor de vaststelling.

2.11 Eiser heeft aangevoerd dat bij de indiening van de verantwoording voor 15 juli 2009 sprake was van onzekerheid over de rechtmatigheid van de besteding voor een bedrag van € 562.335,- , terwijl de accountant dit bedrag abusievelijk niet heeft aangepast in het verslag van bevindingen waar een bedrag van € 710.000,- is blijven staan. Aangevoerd wordt dat verweerder dit in de beslissing op bezwaar had kunnen en moeten aanpassen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat verweerder in de ‘Nota procedure aanlevering verantwoordingsinformatie 2008’ (de Nota) in verband met herziene leveringen een te volgen procedure heeft opgenomen in geval dat correctie van de ingediende verantwoordingsinformatie moet plaatsvinden. Verweerder hanteert het beleid dat deze correctie binnen een redelijke termijn na

15 juli dient plaats te vinden, maar in ieder geval voor de definitieve budgetvaststelling. In het onderhavige geval heeft eiser pas nadat het primaire besluit tot terugvordering is genomen in maart 2010 ontdekt dat de verantwoordingsinformatie niet juist is ingediend. Nog daargelaten de omstandigheid dat de correctie niet is aangeboden op in de Nota voorgeschreven wijze was dat in ieder geval niet binnen een redelijke termijn na 15 juli 2009. Verweerder heeft dan ook als uitgangspunt voor de terugvordering mogen nemen het gegeven in het accountantsrapport dat voor een bedrag van € 710.000,- de rechtmatigheid van de besteding niet kon worden vastgesteld.

2.12 Voorts hanteert verweerder de gedragslijn dat herstel mogelijk is op het moment dat sprake is van fouten in de verantwoordingsinformatie die niet verwijtbaar zijn. Naar oordeel van de rechtbank is deze situatie hier niet aan de orde. Immers, uit de single audit systematiek van artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet vloeit voort dat wordt uitgegaan van de door eiser ingediende verantwoordingsinformatie, welke is geaccordeerd door een accountant. Van de juistheid en correctheid van deze informatie mag worden uitgegaan, nu de accountant de informatie heeft beoordeeld en gecontroleerd (single audit). Nu blijkbaar sprake is geweest van opname van een onjuist bedrag in het verslag van bevindingen door eisers accountant, terwijl eiser zelf deze fout niet heeft onderkend, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van eiser.

2.13 Eisers beroepsgrond dat sprake was van onzekerheid over de bestedingen, maar dat dat nog niet maakt dat sprake was van onrechtmatige bestedingen, wordt ook door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat uit de systematiek van de wet volgt dat indien sprake is van financiële onzekerheid in het jaar van betaling, dit tot gevolg heeft dat de rechtmatigheid van de besteding (nog) niet met zekerheid kan worden vastgesteld, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de WWB. Op grond van de wettelijke systematiek dient eiser binnen wettelijk vastgelegde termijnen verantwoording af te leggen over de uitgaven in het voorgaande jaar. De in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet opgenomen indieningstermijnen zouden illusoir worden, op het moment dat de rechtmatigheid alsnog op een veel later tijdstip zou kunnen worden aangetoond. Dat de accountant achteraf in 2010 alsnog verklaard heeft dat de gelden nagenoeg rechtmatig zijn besteed, leidt gelet hierop dan ook niet tot een gegrond beroep.

2.14 Eiser heeft zich voorts nog op standpunt gesteld dat tot een bedrag van € 562.335,00 sprake is geweest van jaaroverschrijdende re-integratieactiviteiten, als bedoeld in het t+1 beleid van verweerder, zodat dit bedrag op een later moment mocht worden verantwoord.

2.15 In de verzamelbrief van juni 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gemeenten meegedeeld dat zij bij jaaroverschrijdende re-integratieactiviteiten in de gelegenheid worden gesteld de rechtmatige besteding van deze uitgaven aan te tonen bij de eerstvolgende verantwoording (jaar t+1), aan welke termijn hij onverkort zal vasthouden. Voorwaarde is dat bij het Verslag over de uitvoering WWB van het jaar t het bedrag wordt vermeld, waarvan de rechtmatige besteding nog niet kan worden vastgesteld. De accountant dient dit bedrag te controleren en bij materiële afwijkingen te rapporteren. Aan de betaling dient een getekende overeenkomst ten grondslag te liggen. Dat betekent dat de uitvoering van jaaroverschrijdende overeenkomsten ook jaaroverschrijdend moeten worden gevolgd door de gemeente en door haar accountant om de rechtmatigheid van de uitgaven uiteindelijk (bij de afronding van de activiteiten) te kunnen vaststellen. Indien blijkt dat deze uitgaven, waarvan de rechtmatigheid onzeker was, alsnog als onrechtmatig moeten worden aangemerkt, dan heeft dit tot gevolg dat het bedrag van deze onrechtmatige uitgaven wordt toegevoegd aan het bedrag van de onrechtmatige uitgaven in het jaar waarover de controle plaatsvindt. Het bedrag van de onrechtmatige uitgaven wordt vervolgens teruggevorderd.

2.16 Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat sprake is geweest van jaaroverschrijdende activiteiten zoals bedoeld in verweerders Verzamelbrief van juni 2005. Eiser heeft bijvoorbeeld geen contracten overgelegd waaruit dit blijkt, terwijl uit de accountantsrapporten zoals opgenomen in de gedingstukken evenmin kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van jaaroverschrijdende re-integratieactiviteiten. Immers, de accountant heeft alleen aangegeven dat voor een bedrag van € 710.000,- de rechtmatigheid van de besteding niet is vast te stellen. Van jaaroverschrijdende activiteiten is volgens de rechtbank in ieder geval geen sprake in de situatie dat derden niet tijdig de vereiste informatie aan eiser hebben aangeleverd.

2.17 Ten aanzien van eisers standpunt dat sprake is van een jarenlange door verweerder geaccepteerde uitvoeringspraktijk overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft zich in dit kader beroepen op de uitspraak van de CRvB van 6 juli 2010 (LJN: BN1242), waar sprake zou zijn van een gelijke situatie als die van eiser. De rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van eenzelfde situatie, nu uit de uitspraak blijkt dat sprake was van het niet tijdig verantwoorden door de gemeente, hetgeen jarenlang was geaccepteerd. In tegenstelling tot het geval van eiser, was wel sprake van jaaroverschrijdende activiteiten. Bij eiser is er nu juist geen sprake van gelden die onder de zogenoemde t+1 regeling vallen. Het beroep van eiser op voornoemde uitspraak faalt dan ook. Het door eiser in dit verband nog gedane beroep op de review in opdracht van verweerder faalt evenzeer. Deze review heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2009. Aangezien de verantwoording over 2008 al daarvoor was ingediend, namelijk voor 15 juli 2009, kan de inhoud van de review onmogelijk van invloed zijn geweest op deze verantwoording.

2.18 In 2007 is in geval van eiser evenals voor het jaar 2008 een voorbehoud gemaakt op grond van de t+1 regeling. Voor zover in dat jaar ook geen sprake is geweest van jaaroverschrijdende activiteiten ten bedrage van het gemaakte voorbehoud, betekent dat – nog daargelaten dat hiermee nog niet direct sprake is van een jarenlange uitvoeringspraktijk – ook voor 2007 de t+1 regeling verkeerd is toegepast, terwijl verweerder dit niet heeft onderkend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden kan worden deze foutieve manier van verantwoording dan ook in het jaar daarop te volgen.

2.19 Tenslotte heeft eiser nog aangevoerd dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard zodat de terugvordering op een lager percentage moeten worden vastgesteld. Verwezen wordt in dit kader naar artikel 70, tweede lid, van de WWB in samenhang met artikel 3, derde lid, van het Besluit WWB. Ten aanzien van deze beroepsgrond overweegt de rechtbank dat het tweede lid van artikel 70 WWB betrekking heeft op verantwoordingen die te laat zijn ingediend en niet ziet op, zoals in het onderhavige geval, verantwoordingen waarin een fout zou zijn gemaakt. Ook deze beroepsgrond faalt.

2.20 Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter van de meervoudige kamer, en mrs. J.F. Miedema en M. Mateman, leden, in tegenwoordigheid van

mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.