Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU2995

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/5733
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat het verweer niet onbevoegdelijk is opgesteld en dat vertegenwoordiging van verweerder door mr. Binnerts een gegeven is. Volgens de rechtbank eindigde de beslistermijn van het bezwaar op 18 augustus 2010. Eiser heeft verweerder op goede gronden in gebreke gesteld. Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is gegrond. Gelet hierop stelt de rechtbank de verbeurde dwangsommen vast. Voorts is verweerder hierover wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 december 2010. Eisers beroep tegen het inhoudelijke besluit van 16 december 2010 slaagt niet, omdat eiser geen belanghebbende is. Voorts acht de rechtbank de verordening op grond waarvan een commissie is ingeschakeld, niet onverbindend. Tot slot komen parkeerkosten niet voor vergoeding in aanmerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5733 WOB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

de gemeenteraad van Heemstede,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Op 1 juli 2010 heeft verweerder eiser onder meer medegedeeld dat zijn verzoek om zijn briefwisseling met de raad op de gemeentelijke website te plaatsen, niet past in het beleid van de raad om brieven van burgers niet actief op de website te zetten.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 6 juli 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 30 september 2010 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

Eiser heeft bij brief van 29 oktober 2010 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op eisers bezwaar.

Bij uitspraak van 2 december 2010 (AWB 10-5733) heeft de rechtbank eisers beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser verzet gedaan. Bij uitspraak van de meervoudige verzetkamer van deze rechtbank van 11 mei 2011 (AWB 10-5733) is het verzet gegrond verklaard. Thans wordt het onderzoek inzake het beroep gericht tegen het niet-tijdig beslissen op eisers bezwaar voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 16 november 2010.

Bij brief van 17 december 2010 heeft eiser aangegeven dat zijn beroep zich nu richt tegen het besluit van 16 december 2010. Een en ander vloeit ook voort uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brieven van 12 januari 2011, 26 februari 2011, 15 juni 2011, 17 juni 2011 en 9 juli 2011 heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 september 2011, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In het aanvullend beroep van 17 juni 2011 heeft eiser aangevoerd dat het op 8 juni 2011 ingediende verweerschrift onbevoegd door mr. Hopman, namens het college van burgemeester en wethouders van Heemstede, is opgesteld.

2.2 Verweerder heeft in dit verband gewezen op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f van de Gemeentewet. Hierin is bepaald dat het college (van burgemeester en wethouders) onder meer bevoegd is te besluiten namens de gemeente, het college of de raad onder meer rechtsgedingen te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. Dit laatste is gesteld noch gebleken. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een onbevoegdelijk ingediend verweerschrift. De beroepsgrond slaagt niet.

2.3 In het aanvullend beroep van 9 juli 2011 heeft eiser betwist dat mr. Binnerts namens de gemeenteraad van Heemstede het woord kan voeren, omdat niet gebleken is dat de raad hem heeft gemachtigd.

2.4 Artikel 8:24 van de Awb bepaalt in het eerste lid dat partijen zich kunnen laten bijstaan of door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen, terwijl het derde lid aangeeft dat het tweede lid niet van toepassing is op advocaten. Ingevolge artikel 8:25, eerste lid, Awb kan de rechtbank bijstand of vertegenwoordiging door personen tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op advocaten.

Uit deze bepalingen vloeit voort dat de vertegenwoordiging door mr. Binnerts voor de rechtbank een gegeven is en geen nader onderzoek behoeft. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5 De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaar. Vaststaat dat eisers bezwaarschrift is gedateerd op 6 juli 2010 en op 7 juli 2010 door verweerder is ontvangen. Ingevolge artikel 7:10 Awb bedraagt de termijn voor het beslissen op een bezwaarschrift zes weken of, als er een commissie wordt ingeschakeld, twaalf weken. Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslissing voor ten hoogste zes weken worden verdaagd. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Artikel 7:13, tweede lid, Awb bepaalt dat een bestuursorgaan, indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, dit zo spoedig mogelijk meedeelt aan de indiener van het bezwaarschrift.

2.6 Verweerder heeft de ontvangst van het bezwaarschrift aan eiser bevestigd bij brief van 8 juli 2010. In deze brief geeft verweerder aan dat eisers bezwaarschrift zal worden geplaatst op de lijst ingekomen stukken van de raadsvergadering van 30 september 2010. Ook vermeldt de brief dat de waarnemend-griffier de raad zal adviseren het bezwaarschrift in handen te stellen van de bezwarencommissie Heemstede.

2.7 De brief van 8 juli 2010 bevat naar het oordeel van de rechtbank niet een mededeling als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, Awb, nu in deze brief niet staat dat de adviescommissie zal worden ingeschakeld. Eerst bij brief van 7 oktober 2010, verzonden 8 oktober 2010 is aan eiser meegedeeld dat de raad op 30 september 2010 heeft besloten het bezwaarschrift in handen te stellen van de bezwarencommissie. Uit de stukken blijkt voorts niet dat verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 7:10, derde lid, Awb.

2.8 Uit het voorgaande volgt dat de termijn om op het bezwaar te beslissen zes weken bedroeg en eindigde op 18 augustus 2010. Anders dan verweerder meent, is de brief van 7 oktober 2010 geen mededeling als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, Awb, nu een dergelijke beslissing dient te worden genomen binnen de geldende beslistermijn, in dit geval voor 18 augustus 2010. De rechtbank sluit in dit kader aan bij rechtsoverweging 2.2. in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2005 (LJN: AU0145).

2.9 Verweerder heeft eerst op 16 december 2010 op het bezwaar beslist. Derhalve heeft eiser verweerder op goede gronden op 30 september 2010 in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, Awb. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar, is dan ook gegrond.

2.10 Nu het beroep gegrond is, stelt de rechtbank desgevraagd onder toepassing van artikel 8:55c Awb de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het nemen van het besluit is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Vaststaat dat eiser verweerder bij brief van 30 september 2010 in gebreke heeft gesteld. De eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, is dan ook 14 oktober 2010. Ingevolge het eerste lid van artikel 4:17 verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Dit houdt in dat de termijn waarop de verbeurde dwangsommen betrekking hebben, eindigde op 25 november 2010. Op grond van het tweede lid van artikel 4:17 bedraagt de dwangsom over deze periode in totaal € 1260,00. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder deze dwangsom jegens eiser verschuldigd is.

2.11 Eiser heeft de rechtbank in zijn aanvullend beroep van 15 juni 2011 verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over de verschuldigde dwangsommen met ingang van 26 november 2010. Artikel 4:18 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. In het geval van eiser zou verweerder dit hebben moeten doen uiterlijk op 9 december 2010. Artikel 4:100 Awb bepaalt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn zou zijn gegeven. Vaststaat dat verweerder in gebreke is gebleven de in artikel 4:18 Awb bedoelde beschikking te geven. De wettelijke rente over de verschuldigde dwangsommen gaat dan ook lopen per 10 december 2010. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser de wettelijke rente over € 1260,-- verschuldigd is met ingang van 10 december 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.12 Zoals hiervoor is vermeld, heeft verweerder op 16 december 2010 een inhoudelijk besluit genomen op eisers bezwaar van 6 juli 2010. Artikel 6:20, vierde lid, Awb bepaalt dat het bezwaar of beroep (tegen het niet-tijdig beslissen) wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Dit laatste is niet het geval. De rechtbank komt thans dan ook toe aan de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 december 2010.

2.13 Artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) luidt als volgt:

‘Een ieder kan een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.’

Artikel 8 van deze wet bepaalt in het eerste lid het volgende:

‘Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, verschaft uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.’

2.14 In zijn verzoek van 26 mei 2010 heeft eiser verweerder verzocht om zijn briefwisseling met de raad (verweerder) op de gemeentelijke website te plaatsen. Het betreft derhalve openbaarmaking van correspondentie waarover eiser zelf al beschikt. Eisers verzoek betreft daarom geen verzoek op grond van artikel 3 Wob, maar ziet op de wijze waarop verweerder inhoud geeft aan het bepaalde in artikel 8 Wob.

2.15 Verweerder stelt zich in het besluit van 16 december 2010 op het standpunt dat eisers bezwaar is gericht tegen een mededeling van de waarnemend-griffier van 1 juli 2010, die dient te worden gekwalificeerd als een feitelijke handeling en die niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Om die reden is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat eiser geen belanghebbende is, omdat de wijze waarop de raad inhoud geeft aan zijn verplichting van artikel 8 Wob hem niet meer in zijn belangen raakt dan andere willekeurige inwoners van [woonplaats]. Het verzoek van eiser is dan ook geen aanvraag. De reactie van de waarnemend-griffier is dan geen besluit.

2.16 Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder in dit geval in zijn standpunt te worden gevolgd. Slechts in uitzonderlijke situaties kan iemand als belanghebbende worden aangemerkt in het kader van de toepassing van artikel 8 Wob, waarvan de uitspraak van heden in de zaak met nummer AWB 11/3053, in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2010 (LJN: BO7333), een voorbeeld is.

2.17 Ten slotte stelt eiser dat inschakeling van de commissie niet berust op een raadsbesluit en dat de instelling van de commissie berust op een onverbindende verordening. Hierdoor is de commissie onbevoegd. Voor zover de verordening wel geldig is, is de commissie te laat ingeschakeld. Volgens eiser is de verordening ook in strijd met de Awb. De tekst hiervan is volgens eiser vervalst. Hij wijst op twee versies van de tekst ervan.

2.18 Zoals verweerder op inzichtelijke wijze heeft toegelicht op de zitting van 19 september 2011 in de zaak met AWB-nummer 11-3053, heeft eiser enerzijds de versie van de verordening aangehaald die gepland was om te worden vastgesteld in de raadsvergadering van 29 april 2010 en anderzijds de versie van de verordening zoals die in een latere vergadering daadwerkelijk is vastgesteld. Vaststaat dat bedoelde verordening is vastgesteld, zodat van onverbindendheid geen sprake is. Dat op de site van de gemeente een verordening is geplaatst met vermelding van een onjuiste vaststellingsdatum maakt de nadien vastgestelde en op de site geplaatste verordening niet onverbindend. Eiser heeft voorts niet onderbouwd op welke wijze de gestelde strijd met de Awb voor de onderhavige zaak van belang is.

2.19 Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 december 2010 zal ongegrond worden verklaard.

2.20 Nu het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder, gegrond is, zal de rechtbank verweerder gelasten het door eiser betaalde griffierecht van € 150,-- aan hem te vergoeden.

2.21 Eiser heeft de rechtbank ter zitting verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte parkeerkosten. De rechtbank verwijst in dit verband naar het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel 1 van dit besluit vermeldt de kosten waarop een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb uitsluitend betrekking kan hebben. Onder c worden in dit artikel de reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende vermeld. In artikel 2, eerste lid en onder c wordt, voor de hoogte van de reis- en verblijfkosten verwezen naar artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Hierin is bepaald dat reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse, voor vergoeding in aanmerking komen, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. In vergoeding van parkeerkosten is in dit besluit niet voorzien. Overigens komen autokosten niet voor vergoeding in aanmerking nu er tussen [woonplaats] (eisers woonplaats) en Haarlem in voldoende mate openbaar vervoer beschikbaar is.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op eisers bezwaarschrift van 6 juli 2010, gegrond;

3.2 stelt de ingevolge afdeling 4.1.3. van de Awb door verweerder verbeurde dwangsom vast op een bedrag van € 1260,--;

3.3 bepaalt dat verweerder met ingang van 10 december 2010 aan eiser de wettelijke rente over € 1260,-- verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,-- aan hem vergoedt;

3.5 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 16 december 2010, ongegrond;

3.6 wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.