Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU2985

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/718
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De brief van 6 december 2010 is een besluit, omdat het een schriftelijke weigering een besluit te nemen, inhoudt. Het beroep is in zoverre gegrond. Er ligt inmiddels een inhoudelijk antwoord van de gemeenteraad. Hierin heeft eiser berust. Hij heeft dus geen belang bij een (nieuwe) beslissing op zijn bezwaar. Om die reden zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De datum waarop eiser verweerder een ingebrekestelling heeft gestuurd, ligt na 6 december 2010. Hierdoor is de termijn van artikel 4:17 Awb niet gaan lopen. De door eiser opgevoerde parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 718 WOB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Op 6 december 2010 heeft verweerder eiser bericht dat hij eisers brief van 1 december 2010 zal doorzenden naar de gemeenteraad ter beantwoording.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 8 december 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 17 januari 2011.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 februari 2011, aangevuld bij brief van 26 februari 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 september 2011, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Bij brief van 1 december 2010 heeft eiser verweerder verzocht op grond van onder meer artikel 3 Wet openbaarheid van bestuur (Wob), stukken te verstrekken die betrekking hebben op de besloten vergaderingen van de gemeenteraad van Heemstede van 10 mei 2010 en 11 oktober 2010. Verweerder heeft op dit verzoek schriftelijk gereageerd bij brief van 6 december 2010. In deze brief deelt verweerder eiser mee dat hij de brief van eiser conform artikel 2:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal doorzenden naar de gemeenteraad ter beantwoording. Eiser heeft tegen de brief van 6 december 2010 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 2 februari 2011.

2.2 Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij stelt dat de brief van 6 december 2010 een inhoudelijke weigering behelst van eisers verzoek van 1 december 2010. Volgens eiser heeft verweerder dit verzoek ten onrechte doorgestuurd aan de gemeenteraad. Eiser stelt dat verweerder bevoegd is op het verzoek te beslissen. In dit verband wijst hij onder meer op de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 25 november 2001 (LJN: AD5821). Ter zitting heeft eiser benadrukt dat het hem erom gaat dat verweerder alsnog de agenda’s van de hiervoor vermelde gemeenteraadsvergaderingen op de gemeentelijke website zet. Tot slot heeft eiser ter zitting de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte parkeerkosten van € 8,--. Tevens verzoekt eiser de rechtbank om de door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen op € 1260,--, aangezien eiser, naar hij stelt, op 7 februari 2011 aan verweerder een ingebrekestelling heeft gestuurd.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad de bevoegde instantie is om te beslissen op het verzoek van eiser. De uitspraak van de rechtbank Zwolle, waarnaar eiser verwijst, is van voor de invoering van het dualistisch gemeentebestuur in 2002. Door deze invoering is de onderlinge bevoegdheidsverdeling tussen de gemeentelijke bestuursorganen ingrijpend gewijzigd. Verweerder wijst voorts op de uitspraak van deze rechtbank van 13 december 2010 in de zaak met nr. AWB 10-5603. Ook wijst verweerder erop dat de gemeenteraad bij brief van 23 december 2010 op het verzoek van eiser van 1 december 2010 heeft geantwoord. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd, dat eiser geen procesbelang meer heeft, nu hij een antwoord op zijn verzoek heeft ontvangen van de gemeenteraad. Eiser heeft in dit antwoord berust en moet volgens verweerder niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

2.4 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.5 De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 november 2003 (LJN: AN9220). Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2005 (LJN: AT9283). In haar uitspraak van 24 november 2003 heeft de rechtbank Alkmaar geoordeeld over de juridische status van een brief waarbij een verzoek van de eiser in die zaak, gedaan in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en gericht aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verweerder in die zaak) door deze op grond van artikel 4 van de Wob was doorgezonden aan de Erasmus Universiteit. Over de juridische status van deze brief overweegt de rechtbank Alkmaar vervolgens: ‘Met deze brief heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij niet zal beslissen op zijn verzoek. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een schriftelijke weigering een besluit te nemen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt een dergelijke weigering gelijkgesteld met een besluit, zodat verweerder het bezwaar van eiser terecht ontvankelijk heeft verklaard.’

2.6 In de situatie van eiser is iets soortgelijks aan de orde. In zijn brief van 6 december 2010 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn verzoek is doorgezonden naar de gemeenteraad. Dit impliceert dat verweerder niet op eisers verzoek zal beslissen, hetgeen betekent dat sprake is van een schriftelijke weigering van verweerder een besluit te nemen. Dit alles brengt met zich dat de brief van 6 december 2010 moet worden beschouwd als een besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het hiertegen gerichte bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake zou zijn van een besluit.

2.7 Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 6:2, aanhef en onder a, Awb.

2.8 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder dient te worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de gemeenteraad van Heemstede bij brief van 23 december 2010 een antwoord heeft gegeven op het verzoek van eiser van 1 december 2010, waartegen eiser geen bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft dan ook berust in het antwoord van de gemeenteraad en daarmee de bevoegdheid van de gemeenteraad niet betwist. Daaruit concludeert de echtbank dat eiser geen belang (meer) heeft bij een besluit op zijn bezwaarschrift waarin de bevoegdheid van de gemeenteraad wordt betwist. Verweerder zal dan ook niet worden opdragen een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien en eiser in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, omdat hij geen belang meer heeft bij een beslissing daarop.

2.9 Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat hij op 7 februari 2011 aan verweerder een ingebrekestelling heeft gestuurd. Op grond hiervan heeft eiser de rechtbank ter zitting verzocht de dwangsommen vast te stellen die verweerder in deze zaak verbeurd heeft. In deze uitspraak heeft de rechtbank echter geoordeeld dat de brief van 6 december 2010 een besluit is als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, Awb. Een eventuele ingebrekestelling (die zich niet in het dossier van de rechtbank bevindt) heeft derhalve plaatsgevonden nadat verweerder het besluit van 6 december 2010 heeft genomen. Hierdoor is de termijn, zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, Awb nooit gaan lopen, zodat van verbeurde dwangsommen geen sprake kan zijn.

2.10 Eiser heeft de rechtbank ter zitting verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte parkeerkosten. De rechtbank verwijst in dit verband naar het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel 1 van dit besluit vermeldt de kosten waarop een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb uitsluitend betrekking kan hebben. Onder c worden in dit artikel de reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende vermeld. In artikel 2, eerste lid en onder c wordt, voor de hoogte van de reis- en verblijfkosten verwezen naar artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Hierin is bepaald dat reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse, voor vergoeding in aanmerking komen, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. In vergoeding van parkeerkosten is in dit besluit niet voorzien. Overigens komen autokosten niet voor vergoeding in aanmerking nu er tussen [woonplaats] (eisers woonplaats) en Haarlem in voldoende mate openbaar vervoer beschikbaar is.

2.11 Uit de gegrondverklaring van het beroep volgt dat aan eiser het betaalde griffierecht moet worden vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 2 februari 2011;

3.3 verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.4 veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad

€ 152,- ;

3.5 wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.