Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU2976

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/5034
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat verweerder ervoor heeft gekozen om de schuld van verzoekster (€ 187.000,--) buiten invordering te stellen, brengt niet mee dat er voor verzoekster geen betalingsverplichting bestaat. Gelet hierop is het terugvorderingsbedrag een schuld waarmee bij de vermogensvaststelling rekening moet worden gehouden. Met inachtneming van de waarde van de onroerende zaken in Turkije, heeft verzoekster een negatief vermogen. Dit was bij de aanvraag een nieuw feit. Verweerder kon dus niet onder toepassing van artikel 4:6 Awb een besluit nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 5034 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2011

in de zaak van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011, verzonden op 26 mei 2011, heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat verzoekster geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gemeld die van zodanige aard zijn dat zij aanleiding kunnen zijn voor een andere beslissing. Daarnaast heeft verzoekster niet aangetoond dat zij niet meer kan beschikken over vermogen in het buitenland.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 juni 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 september 2011 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 oktober 2011, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten bijstaan door mr. Ph. H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad. Tevens was een dochter van verzoekster ter zitting aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster heeft vanaf 30 augustus 1996 van verweerder een bijstandsuitkering ontvangen. In 2009 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat verzoekster beschikt over een onroerende zaak (perceel bouwgrond) in Turkije waarvan de waarde in 2009 is getaxeerd op € 27.525,--. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit van 31 januari 2011 verzoeksters recht op bijstand per 15 februari 2011 beëindigd. Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder de aan verzoekster toegekende uitkering per 7 juli 1998 herzien en de onverschuldigd betaalde bijstand van verzoekster teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag is € 187.025,19. Verweerder heeft verzoeksters bezwaren tegen deze besluiten bij besluiten van 18 juli 2011 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld.

2.2 Op 26 april 2011 heeft verzoekster zich gewend tot het UWV Werkbedrijf voor het aanvragen van een WWB-uitkering. De aanvraag is op 16 mei 2011 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Hij stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd ten opzichte van het besluit tot intrekking van haar uitkering. Ook heeft zij niet aangetoond dat zij inmiddels niet meer kan beschikken over vermogen in Turkije.

2.3 Verzoekster kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van een gewijzigde situatie. Verzoekster beschikte aanvankelijk wel over grond in Turkije, maar deze grond is in februari 2011 op naam gezet van de vader van verzoekster. Verzoekster verwijst in dit verband naar de eigendomsakte van 23 februari 2011. Ook wijst verzoekster erop dat zij per datum besluit een schuld had bij verweerder van ruim € 187.000,--. Ook al zou sprake zijn van vermogen in Turkije met een waarde van € 27.525,-- dan nog zou verzoekster een negatief vermogen hebben. Omdat verzoekster reeds maandenlang geen inkomsten heeft, heeft zij een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.

2.4 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder er wel van uitgaat dat de onroerende zaak in Turkije inmiddels niet meer op verzoeksters naam staat. Wel moet verzoekster aantonen dat zij niet meer over vermogen beschikt. Ook heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de schuld die verzoekster bij verweerder heeft, tijdelijk buiten invordering is gesteld. Zodra blijkt dat verzoekster over vermogen beschikt, zal verweerder de schuld op dit vermogen verhalen. Omdat de schuld buiten invordering is gesteld, telt deze nu niet mee bij de vaststelling van verzoeksters vermogen, aldus verweerder. Verweerder wijst er in dit verband op dat er voor verzoekster nu geen terugbetalingsverplichting bestaat.

2.7 Verzoekster heeft het standpunt van verweerder ter zitting bestreden. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een negatief vermogen, nu de schuld die verzoekster bij verweerder heeft, aanmerkelijk hoger is dan de geschatte waarde van de onroerende zaken in Turkije.

2.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het standpunt van verweerder op dit punt niet houdbaar is. De omstandigheid dat verweerder ervoor heeft gekozen de schuld van verzoekster buiten invordering te stellen, brengt niet mee dat er voor verzoekster geen verplichting meer bestaat het bedrag van ruim € 187.000,-- aan verweerder terug te betalen. Deze betalingsverplichting die voortvloeit uit het besluit van 7 februari 2011, dat verweerder bij besluit van 18 juli 2011 heeft gehandhaafd, is onverkort van kracht ook al neemt verweerder om praktische redenen geen invorderingsmaatregelen. Dat de betalingsverplichting van verzoekster voor de terugvordering nog steeds bestaat, blijkt ook uit de verklaring van verweerders gemachtigde ter zitting. Hij heeft aangegeven dat zodra blijkt dat verzoekster over vermogen beschikt, de terugvordering op dit vermogen zal worden verhaald. Het terugvorderingsbedrag is dan ook een schuld waarmee bij de vaststelling van het vermogen van verzoekster rekening moet worden gehouden. Gelet op de geschatte waarde van de onroerende zaken in Turkije, is bij verzoekster sprake van een ruim negatief vermogen. Deze omstandigheid was ten tijde van verzoeksters aanvraag op 26 april 2011 een nieuw feit. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft verweerder ten onrechte de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet heeft aangetoond niet meer te kunnen beschikken over vermogen in Turkije.

2.9 Naar verwachting zal verweerder in bezwaar het besluit van 24 mei 2011 moeten herroepen en zal aan verzoekster bijstand dienen te worden toegekend. Daaruit volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen en verweerder opdragen voorschotten aan verzoekster te betalen.

2.10 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder. Nu ten behoeve van verzoekster een toevoeging is afgegeven, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van 24 mei 2011 met ingang van 21 september 2011 tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op over de periode vanaf 21 september 2011 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm;

3.4 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.5 gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.