Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BU1994

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
178639-11-533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

partneralimentatie en afwikkeling huw vw. Nu door de man de behoefte van de vrouw is bestreden, had het op de weg van de vrouw gelegen de door haar gestelde behoefte nader te specificeren en met bescheiden te onderbouwen. Het ter zitting overgelegde niet nader onderbouwde lijstje van maandelijkse uitgaven is daartoe onvoldoende, reeds omdat deze uitgaven niet zien op de huwelijksgerelateerde behoefte maar op de uitgaven van de vrouw op dit moment. Bij gebreke van de noodzakelijke onderbouwing beschikt de rechtbank derhalve over onvoldoende gegevens om de behoefte van de vrouw concreet vast te kunnen stellen. Desalniettemin is, naar het oordeel van de rechtbank, aannemelijk dat de vrouw behoefte aan een partnerbijdrage heeft. Het hoge inkomen van de man, is immers bepalend geweest voor de huwelijksgerelateerde welstand. Het leefpatroon van partijen was hierop ingesteld, waarbij door de man is erkend dat hij diverse uitgaven voor de vrouw bekostigde zoals de reizen naar en haar verblijf in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 178639/11-533 (echtscheiding) & 184740/11-2911 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 18 oktober 2011

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D.E. Lof, kantoorhoudende te Nieuw-Vennep,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.M. van Luijk, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 14 februari 2011, ingekomen op 14 februari 2011;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man van 3 juni 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 12 augustus 2011;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 25 augustus 2011.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 september 2011 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. Lof en de man door mr. Van Luijk.

2 Beoordeling

2.1 Het verzoek tot echtscheiding kan, als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.2 De vrouw heeft verzocht om een door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 14.148 bruto per maand. De man heeft een behoefte- en draagkrachtverweer gevoerd. Voorts heeft de man verzocht om -indien er een partnerbijdrage wordt bepaald- de duur van deze bijdrage te bepalen op zes en een half jaar.

behoefte

2.3 De vrouw stelt dat haar behoefte dient te worden vastgesteld aan de hand van de zogenaamde ‘60% norm’. Het gaat volgens de vrouw om de welstand tijdens het huwelijk en niet om het (lagere) uitgavenpatroon dat zij zich daarna is gaan aanmeten. Zij stelt niet in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Het inkomen bij de Stichting [naam], waar zij de directrice van is, zou al enkele maanden niet uitbetaald zijn. Aan de uitlatingen in een krant over het geschil tussen de man en de Stichting kan geen waarde worden gehecht, nu deze niet juist zijn geciteerd, aldus de vrouw.

2.4 De man betwist de behoefte van de vrouw. De vrouw heeft zelf uitlatingen tegenover het [naam krant] gedaan, inhoudende dat was er een eind gekomen aan [naam stichting] er een alimentatie voor de man zou zijn uitgekomen. De man begrijpt dit standpunt aldus, dat nu er geen einde is gekomen aan [naam stichting] er ook geen alimentatie betaald hoeft te worden. De vrouw had een behoefteberekening dienen over te leggen, zodat haar behoefte kon worden vastgesteld aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële kosten van haar levensonderhoud. Het door de vrouw ter zitting overgelegde lijstje is niet onderbouwd met stukken. Als er al vanuit moet worden gegaan dat zij behoefte heeft, dan stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw verdiencapaciteit heeft.

2.5 Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

2.6 Nu door de man de behoefte van de vrouw is bestreden, had het op de weg van de vrouw gelegen de door haar gestelde behoefte nader te specificeren en met bescheiden te onderbouwen. Het ter zitting overgelegde niet nader onderbouwde lijstje van maandelijkse uitgaven is daartoe onvoldoende, reeds omdat deze uitgaven niet zien op de huwelijksgerelateerde behoefte maar op de uitgaven van de vrouw op dit moment. Bij gebreke van de noodzakelijke onderbouwing beschikt de rechtbank derhalve over onvoldoende gegevens om de behoefte van de vrouw concreet vast te kunnen stellen. Desalniettemin is, naar het oordeel van de rechtbank, aannemelijk dat de vrouw behoefte aan een partnerbijdrage heeft. Het hoge inkomen van de man, € 25.738 bruto per maand, is immers bepalend geweest voor de huwelijksgerelateerde welstand. Het leefpatroon van partijen was hierop ingesteld, waarbij door de man is erkend dat hij diverse uitgaven voor de vrouw bekostigde zoals de reizen naar en haar verblijf in het buitenland.

Bij gebrek aan concrete gegevens zal de rechtbank de aanvullende behoefte van de vrouw door middel van schatting vaststellen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de door de man becijferde uitgaven van de vrouw van ruim € 4.000 netto per maand exclusief woonlasten, alsmede de door de man voorlopig betaalde onderhoudsbijdrage van aanvankelijk € 5.282 en vanaf 1 juni 2011 € 7.282 bruto per maand. De rechtbank acht het redelijk de aanvullende behoefte van de vrouw vast te stellen op € 80.000 bruto per jaar, afgerond € 6.700 bruto per maand, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat de vrouw uit haar werkzaamheden voor [naam stichting] of anderszins een inkomen kan verwerven van rond

€ 2.000 netto per maand.

Draagkracht van de man

2.7 Bij de beoordeling van de draagkracht is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de ingehouden pensioenpremie van € 11.810 per jaar;

- de VUT/FPU-premie van € 14.536 per jaar;

- bijtelling eigen-woningforfait van € 12.194 op jaarbasis;

- fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 50.004 op jaarbasis;

- een inkomen uit sparen en beleggen van een vermogen van € 400.000, op basis van een rendement van 4%, zijnde € 16.000.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting;

Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- de aan de hypotheek gekoppelde aflossing/premie levensverzekering van € 1.090;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95;

- de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 216;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 108, waarvan een bedrag van € 45 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm.

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met zijn salaris van € 20.848,12 bruto per

maand dat hij per 1 januari 2013 zal ontvangen. Zijn hoge inkomen was volgens de man het

resultaat van overnameonderhandelingen tussen zijn oude en huidige werkgever. De huidige werkgever is steeds voornemens geweest om het salaris van de man drastisch te verlagen

zoals al per 1 juli2011 is gebeurd en per 1 januari 2013 nog verder zal geschieden, aldus de man. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit moment al met een toekomstige gebeurtenis als de salarisverlaging per 1 januari 2013 rekening te houden en zal uitgaan van het salaris van € 23.164,58 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag en 13e maand.

2.8 Gelet op bovenstaande gegevens en rekening houdend met fiscaal voordeel is de man in staat om volledig in de behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage van € 6.700 bruto per maand te voldoen.

Duur van de partnerbijdrage

2.9 Ingevolge artikel 1:157 lid 3 BW kan de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering tot levensonderhoud toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Aan rechterlijke uitspraken die praktisch een einde maken aan het recht op levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde worden strenge eisen gesteld ter zake de stelplicht van de alimentatieplichtige. De man stelt dat de samenwoning feitelijk slechts zes en een half jaar heeft geduurd, aangezien de vrouw voor langere periodes in het buitenland heeft verbleven. De man heeft met deze enkele, door de vrouw betwiste, stelling naar het oordeel van de rechtbank niet aan de vereiste (verzwaarde) stelplicht voldaan en de rechtbank ziet dan ook geen grond om het verzoek tot limitering van de duur van de partnerbijdrage toe te wijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: artikel 7, eerste en derde lid, huwelijkse voorwaarden

2.10 Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

In artikel 7, eerste lid van de huwelijkse voorwaarden is een periodiek verrekenbeding opgenomen, waarin onder meer staat vermeld:

“(..) Wat een echtgenoot op grond van vorenstaande verrekening uiteindelijk in het betrokken kalenderjaar moet voldoen aan de ander zal nimmer meer bedragen dan hetgeen een ongehuwde in het betrokken jaar aan bruto ouderdomspensioen uitgekeerd krijgt krachtens de Algemene Ouderdomswet.”

Artikel 7, derde lid van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

“De verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest”.

Op grond van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden worden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding voldaan uit de netto-inkomsten uit arbeid van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomsten ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

2.11 Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op grond van artikel 7 een verrekeningsvordering heeft en dat deze vordering € 100.000 bedraagt, indien deze berekend zou worden op basis van acht jaar huwelijk. De man stelt dat verrekend moet worden over de periode die partijen volgens hem daadwerkelijk hebben samengewoond, te weten zes en een half jaar. Artikel 7 ziet eveneens op tijdelijke verbreking van de samenwoning, zodat de periodes waarbij de vrouw in het buitenland verbleef niet moeten worden meegerekend, aldus de man. De vrouw betwist dit.

2.12 De vraag wat partijen in artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen kan niet uitsluitend worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt daarbij ook aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij het aangaan van hun huwelijkse voorwaarden (meer in het bijzonder: ten aanzien van artikel 7 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden) verklaringen hebben afgelegd of gedragingen hebben verricht die van belang zijn voor de uitleg daarvan. Daarvan uitgaande dient de rechtbank bij de uitleg van artikel 7 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden terug te vallen op de objectief gangbare betekenis van de bewoordingen in de huwelijkse voorwaarden.

Op grond van een dergelijke, uitsluitend tekstuele uitleg van de voorwaarden valt niet zonder nadere toelichting in te zien dat met dit artikel tevens is bedoeld verrekening uit te sluiten over een periode van tijdelijke verbreking van de feitelijke samenwoning. Uit de stukken van partijen is gebleken dat de feitelijke samenwoning op 1 januari 2010 is verbroken en dat de vrouw de echtelijke woning toen heeft verlaten. De rechtbank zal derhalve uitgaan van een verrekenperiode van acht jaar. De man heeft niet betwist dat de hoogte van de vordering over deze acht jaar huwelijk € 100.000 bedroeg. De man dient daarom op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw € 100.000 voldoen.

2.13 Als gevolg van een ongeval is aan de vrouw € 80.000 aan letselschade toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat een gedeelte van dit bedrag ad € 45.000 aan de man is overgemaakt. De vrouw vordert dit bedrag van de man. De man stelt dat het geld is opgegaan aan hoge kosten die de vrouw had in het buitenland, die door hem zouden zijn betaald. Hij heeft hiertoe een door hemzelf opgesteld overzicht van betalingen en opnames van bankrekening nr [nummer] in de periode juni 2005 t/m december 2007 overgelegd. Onderliggende stukken ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat de man op deze wijze zijn stelling tegenover de betwisting ervan door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. De man dient daarom aan de vrouw een bedrag van € 45.000 te voldoen.

2.14 De man vordert € 28.000 van de vrouw. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat hij zijn vordering baseert op artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden.

De vrouw betwist de vordering van de man. Zij stelt dat op grond van voornoemd artikel alsmede artikel 1:84 BW deze kosten ten laste komen van het gemene inkomen dan wel naar evenredigheid van beider inkomen.

2.15 De gemeenschappelijke huishouding van partijen is geëindigd op 1 januari 2010.

Ten aanzien van de kosten voor 1 januari 2010, vermeld op het overzicht van de man, geldt dat is gesteld noch gebleken dat betaling hiervan niet is gedaan op basis van evenredigheid van de inkomsten van partijen. De enkele stelling dat deze voor rekening van de vrouw komen is onvoldoende. Ten aanzien van de kosten na 1 januari 2010 is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 5 van de huwelijks voorwaarden meebrengt dat deze voor rekening komen van de partij die ze gemaakt heeft, omdat er op dat moment geen sprake meer was van een gemeenschappelijke huishouding.

De stelling van de vrouw dat de kosten van de verhuizing en het voorschot op herinrichtingskosten op grond van de redelijkheid en billijkheid voor rekening van de man dienen te komen wordt niet door de rechtbank gevolgd, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat de man vanaf januari 2010 een bedrag van tenminste € 5200 per maand aan de vrouw heeft voldaan. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de man op de vrouw een vordering heeft van € 14.187.

2.16 Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden volgt dat de man aan de vrouw dient te voldoen (€ 100.000 + € 45.000 –

€ 14.187=) € 130.813.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2001 in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd.

3.2 Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling zal voldoen van € 6.700 per maand, met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De hiervoor vastgestelde bijdrage wordt jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

3.3 Bepaalt dat de man terzake van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en terzake het door de man ontvangen smartengeld aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 130.813.

3.4 Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 Wijs af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Veldhuijzen van Zanten, voorzitter, en mrs. M. Flipse en H.M. van Dam, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.