Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT6266

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
15/800628-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer. Invoer cocaïne. Bekennende verdachte. Geen sprake van medeplegen.

De oplegging van de gevangenisstraf van 7 maanden is conform de standaardstraf. Geen reden om op grond van de persoonlijke omstandigheden van verdachte hiervan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800628-11

Uitspraakdatum: 12 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de [detentieplaats]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 5 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd het in beslag genomen geld verbeurd te verklaren.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraak

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat het medeplegen van het opzettelijk invoeren van cocaïne niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Weliswaar is verdachte samen met medeverdachte [naam 1] vanuit Paramaribo naar Nederland gereisd, maar zij wisten pas kort voor vertrek dat zij in opdracht van de organisatie als stel samen moesten reizen. Zij zijn ieder afzonderlijk op verschillende momenten met personen van de organisatie in contact gekomen om drugs te smokkelen. Dit duidt er op dat verdachte en [naam 1] door de organisatie toevallig aan elkaar zijn gekoppeld. Daarnaast zou ieder afzonderlijk een beloning krijgen voor de door hen zelf meegebrachte cocaïne. In deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte gericht op de invoer van de door hen afzonderlijk ingevoerde cocaïne, hetgeen voor medeplegen is vereist. Verdachte moet in zoverre worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 juli 2011;

* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 5 mei 2011 (dossierparagraaf 2.1);

* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verdovende middelen d.d. 11 mei 2011 (dossierparagraaf 2.1.5);

* het door drs. M.M. Sarneel opgestelde deskundigenrapport van het Douanelaboratorium te Amsterdam met kenmerk [nummer] d.d. 16 mei 2011.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 5 mei 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 729,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Door de verdediging is betoogd dat voor de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde categorie van personen voor wie de persoonlijke omstandigheden een lagere dan de standaardstraf rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van verdachte geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die aanleiding geven haar te beschouwen als behorend tot deze categorie. Verdachte heeft gemakkelijk en snel geld willen verdienen met de smokkel van de cocaïne. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank dan ook tot uitgangspunt genomen de straffen die zij - gelet op de door verdachte zelf ingevoerde hoeveelheid cocaïne - in soortgelijke 'standaardgevallen' oplegt.

Voorts neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat zij haar negenjarige doofstomme zoon heeft meegenomen tijdens de reis en hem aldus niet alleen bij de drugssmokkel heeft betrokken, maar hem ook in een zeer lastige, voor hem onbekende situatie heeft gebracht waarbij hij de steun van zijn moeder en het gezin moet ontberen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten 17 bankbiljetten van 50 euro, 1 bankbiljet van 20 euro en 1 bankbiljet van 5 euro, dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. De rechtbank houdt verdachte aan haar tegenover de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaring dat dit geld afkomstig was van de organisatie, nu deze verklaring de rechtbank geloofwaardig en ook logisch voorkomt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het geld aan de invoer van cocaïne dienstbaar is gemaakt in die zin, dat moet worden aangenomen dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat geld is begaan of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 17 bankbiljetten van 50 euro;

- 1 bankbiljet van 20 euro;

- 1 bankbiljet van 5 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. van der Bijl, voorzitter,

mrs. A.C.M. Rutten en I.H. Lips, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M.A. Richelle,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2011.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 15/800628-11

Inzake: [verdachte] blad 5

vonnis