Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT6236

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
15/700891-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5632, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen van poging tot moord.

Verdachte heeft zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord door - kort samengevat - onder valse voorwendsels met het slachtoffer af te spreken, hem onder bedreiging mee te nemen in een auto en hem - toen bleek dat het slachtoffer niet aanstonds aan zijn (geld)eisen kon voldoen - neer te schieten en vervolgens de auto waarin het slachtoffer zich toen nog bevond in brand te steken. Verdachte was bovendien de initiatiefnemer tot deze uiteindelijk zeer gewelddadige ontmoeting met slachtoffer die op eigen kracht de brandende auto heeft kunnen verlaten en dit - anders dan de bedoeling was - wonder boven wonder heeft overleefd. Verdachte en zijn mededaders hebben door aldus te handelen zich schuldig gemaakt aan een der ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Dit door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde misdrijf heeft - mede gelet op de omstandigheden waaronder het is begaan - een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde, waardoor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving ontstaan. De mede door verdachte ondernomen poging tot moord heeft diep ingegrepen in het leven van het slachtoffer. Het slachtoffer vreest voor zijn leven en dat van zijn familie en is inmiddels ondergedoken. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten in het algemeen een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden. Tevens overweegt de rechtbank dat verdachte een pistool en munitie voorhanden had. Dit delict behoort ook tot een categorie strafbare feiten die gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. Voorts heeft de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke geweldsdelicten. Al het voorgaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf van lange duur passend en geboden is. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij noch in de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding ziet af te wijken van de strafeis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700891-10

Uitspraakdatum: 30 september 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 september 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, dat:

1.

hij op of omstreeks 28 december 2010 te Beverwijk een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Walther, model P22), en/of munitie van categorie III, te weten 8, althans één of meer, (scherpe) patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 24 december 2010 te Castricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één of meermededader(s):

- met één of meer vuurwapen(s) vier, althans één of meer, kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer] (waarbij die [slachtoffer] door vier, althans één of meer kogel(s) in het lichaam is geraakt), en/of

- die [slachtoffer] en/of de auto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft/hebben besprenkeld en/of overgoten met benzine, althans een brandbare (vloei)stof en/of vervolgens (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met die benzine, althans die brandbare (vloei)stof,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] en/of die auto vlam heeft/hebben gevat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1. (voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) en 2. (poging moord in vereniging) ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren met aftrek van het voorarrest.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Melding

Op vrijdag 24 december 2010 te 22.13 uur kwam bij de regionale meldkamer van de regiopolitie Noord-Holland Noord een melding binnen van [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] en het slachtoffer). Hij meldde dat hij was ontvoerd, dat met een pistool op hem was geschoten [verd[verdachte], dat hij was geraakt in zijn buik en in zijn nek en dat hij in de fik was gestoken. Hij vertelde tijdens de melding dat hij alles voelde prikken in zijn zij en in zijn benen en dat hij was verbrand. "Ze hebben me in de auto in de fik gestoken en ik vloog eruit", aldus [slachtoffer] die vanuit strandpaviljoen Zoomers bij het strand van Castricum belde.2

Hoofdagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen om 22.23 uur ter plaatse en troffen het slachtoffer aldaar aan. Het slachtoffer zei dat hij was neergeschoten door [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 2], dat zij in een gestolen ML (de rechtbank begrijpt: een Mercedes ML) reden en dat [verdachte] werkzaam was bij de pizzeria van het slachtoffer. Verbalisanten zien meerdere huidvellen los zitten op het gezicht van het slachtoffer en zien een schotwond boven diens bekken.3

Relaas van aangever

[slachtoffer] is eigenaar van pizzeria [pizzeria] te Amsterdam. Hij had in de avond van 24 december 2010 een van zijn werknemers, [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte, hierna ook: [verdachte]), opgehaald bij Plein 40-45 in Amsterdam. Het slachtoffer reed in een Audi. Op verzoek van [verdachte] is het slachtoffer met hem naar Sloterdijk gereden, waar twee bekenden van [verdachte] stonden te wachten. Een van deze mannen herkende het slachtoffer als "[bijnaam medeverdachte 2]". Van de derde persoon wist hij niets. Ze zijn met twee auto's gaan rijden. In de auto werd het slachtoffer bedreigd door [verdachte] die een geldbedrag opeiste.4 Vervolgens stopten ze op een afgelegen plek en hoorde het slachtoffer de anderen buiten met elkaar praten. Toen werd hij een aantal malen beschoten met een pistool. Hij zag dat het een Glock was. Hij voelde dat hij geraakt werd en hij deed alsof hij dood was. Hij hoorde een van de mannen zeggen dat er op zijn hoofd moest worden geschoten. Hij merkte dat er benzine over hem heen werd gegoten: eerst over hem heen en toen om hem heen in de auto. Voor hij het wist stond de auto in brand. Het slachtoffer heeft gewacht tot hij de achterlichten van de auto van de mannen niet meer zag. Zijn benen brandden toen al. Hij is uit de auto gesprongen, in de sneeuw gaan rollen en daarna gaan lopen en zag toen een paviljoen.5

Het slachtoffer was in Amsterdam-Sloterdijk door [verdachte] gedwongen achter in de ML plaats te nemen. Deze auto werd bestuurd door [bijnaam medeverdachte 2] en [verdachte] nam naast het slachtoffer plaats. Zijn telefoons werden afgepakt. De andere jongen, een Turkse man, is achter het stuur van de Audi van het slachtoffer gaan zitten. Ze zijn gaan rijden en onderweg zei [verdachte] onder meer tegen het slachtoffer: "Ik ga je levend verbranden". [verdachte] vroeg om betaling van twee of drie ton. Het slachtoffer zei dat hij dat niet had en [verdachte] zei: 'daarom, dus we kunnen niet praten, ik ga je toch doodschieten". Het slachtoffer heeft [verdachte] horen zeggen: "fuck geld, fuck geld, ik heb genoeg geld". Er werd gestopt en het slachtoffer moest toen van auto wisselen en plaatsnemen achterin de Audi. Ze reden weer verder en op een gegeven moment was de tank op nul. Ze stonden alle drie naast de Audi en het slachtoffer zat op de achterbank aan de rechterkant. Het slachtoffer hoorde na het 2e of 3e schot [bijnaam medeverdachte 2] zeggen: "In zijn gezicht". Er werd daarna nog twee keer geschoten. Een kogel vloog vlak langs zijn keel. Het slachtoffer heeft zich dood gehouden. De Turk gooide benzine over hem heen en in de auto en over de auto. Hij maakte een lijn naar achteren, stak hem aan en rende keihard weg.6

Medische informatie

Brigadier van politie [verbalisant 3] heeft op 24 december 2010 in het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk van het verplegend personeel vernomen dat er sprake was van vier schotwonden in het lichaam van het slachtoffer, voornamelijk in de rechterheup en meerdere brandwonden aan zijn benen en lichaam.7 Op genoemde datum zijn door een arts van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk bij het slachtoffer brand- en schotwonden geconstateerd.8 De schotwonden zijn later ook omschreven als vier huidperforaties ter hoogte van de rechterflank en rechterheup.9

Brandende auto

Op 24 december 2010 te 22.20 uur is op de Zeeweg te Castricum een vrijwel geheel uitgebrande personenauto, vermoedelijk een Audi, aangetroffen. Op een geblakerde kentekenplaat werd het kenteken [kenteken] vastgesteld. Gelet op het grillige spoor op de rijstrook nabij de auto kan worden geconcludeerd dat vrijwel zeker gebruik is gemaakt van een vluchtige brandbare vloeistof. Er zijn 4 patroonhulzen aangetroffen ter hoogte van het rechter achterwiel. Op 30 december 2010 is onderzoek ingesteld in het autowrak. Rechts achterin werden twee kogelmantels aangetroffen. De hulzen en kogelmantels zijn voor een vergelijkend onderzoek verzonden naar het NFI.10 Alle hulzen zijn waarschijnlijk met hetzelfde vuurwapen verschoten, vermoedelijk met een pistool van het merk Glock of van het merk Smith & Wesson. De kogels zijn niet geschikt voor vergelijkend onderzoek.11

Het kenteken [kenteken] is afgegeven voor een zwarte Audi A3 en staat op naam van S. El Boujnani, de vriendin van het slachtoffer.12

Herkenning verdachten

De broer van het slachtoffer, [betrokkene 2], heeft tegenover brigadier van politie [verbalisant 4] verklaard dat hij de naam van "[bijnaam medeverdachte 2]" heeft achterhaald en heeft vervolgens [verbalisant 4] het schermpje van zijn telefoon getoond, waarop de naam '[voornaam medeverdachte 1]' stond.13

Uit een lopend opsporingsonderzoek in Nederland blijkt dat een persoon genaamd [medeverdachte 1] gebruik maakt van de bijnaam "[bijnaam medeverdachte 2]". Hij heeft regelmatig contact met een persoon genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko) en wonende aan de [adres] te Utrecht.14

Eveneens uit een lopend opsporingsonderzoek in Nederland is gebleken dat [medeverdachte 2] nauwe omgang heeft met [medeverdachte 1] en [verdachte].15 Het slachtoffer herkent verdachte [medeverdachte 2] middels een fotobewijsconfrontatie.16

Aanhouding verdachte

Op 28 december 2010 is verdachte aangehouden op de openbare weg, de Spoorsingel te Beverwijk, in een personenauto. Bij verdachte werd in zijn linker jaszak een vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen was samen met een aantal patronen in plastic gewikkeld.17 Het vuurwapen betreft een pistool van het merk Walther, model P22, thans kaliber 7.65 millimeter. Het wapen valt onder categorie III van de Wet wapens en munitie. De 17 patronen betreffen negen scherpe volmantel patronen van het merk NNY kaliber 7.65 millimeter en acht scherpe volmantel patronen van het merk S&B, kaliber 7.65 Br. Deze munitie valt onder categorie III van de Wet wapens en munitie.18

Alternatief scenario

Verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd. Hij heeft bekend dat hij ten tijde van zijn aanhouding in het bezit was van een vuurwapen en munitie. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij op vrijdag 24 december 2010 [slachtoffer] telefonisch heeft benaderd. Hij wilde hem spreken over een groot geldbedrag dat [slachtoffer] hem verschuldigd was. [slachtoffer] heeft hem opgehaald en verdachte heeft hem verteld waar hij naar toe moest rijden. Zij reden naar Jarmuiden (de rechtbank begrijpt: een straatnaam te Amsterdam-Sloterdijk) waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij een Mercedes ML stonden. Die ML is van verdachte. [slachtoffer] en verdachte hebben op de achterbank van de ML plaatsgenomen en verdachte vroeg aan [medeverdachte 1] om te rijden in de ML. [medeverdachte 2] reed achter hen aan in de Audi van [slachtoffer]. [slachtoffer] had de sleutel van de Audi vrijwillig aan [verdachte] gegeven. Er was sprake van een langlopend financieel conflict tussen [slachtoffer] en verdachte en [slachtoffer] wist dat daarover gepraat moest worden. [slachtoffer] heeft daarom de batterijen uit zijn telefoons gehaald hetgeen normaal is als er 'gepraat' moet worden. Verdachte had een vuurwapen bij zich. Ze reden richting Alkmaar en bij Beverwijk zijn ze gewisseld van auto. [slachtoffer] had namelijk aangegeven, dat ze naar zijn broer konden rijden om een klein geldbedrag op te halen en het was verdachte bekend dat die broer niet naar buiten zou komen als hij een onbekende auto zou zien. Dat is de reden dat van auto is gewisseld. [medeverdachte 2] is vervolgens in de ML achter hen aangereden. Verdachte gaf de route aan. Onderweg zijn de gemoederen hoog opgelopen. De benzine van de Audi was op een gegeven moment zo goed als op en er is toen geparkeerd op een parkeerplaats langs de weg. [medeverdachte 1] is toen uit de Audi gestapt en bij [medeverdachte 2] in de ML gaan zitten om [verdachte] en [slachtoffer] alleen verder te laten praten. Verdachte was woedend en pakte zijn wapen. [slachtoffer] wilde het wapen afpakken. Verdachte heeft hem toen bij zijn nek gepakt en beschoten. Omdat hij daarbij niet wilde dat [slachtoffer] dood zou gaan, heeft hij hem bewust in zijn heup en bil geschoten. Hij heeft 4 of 5 keer geschoten. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] uit de auto getrokken en gezegd dat hij op moest sodemieteren en moest gaan lopen. Verdachte was heel kwaad. Hij wilde er voor zorgen dat [slachtoffer] inderdaad moest lopen. Om die reden heeft hij een jerrycan met benzine uit de ML gepakt, die daar toevallig achter de voorstoelen stond omdat hij wel eens aan brommertjes sleutelt, en hij heeft deze benzine over de Audi heen gegooid. Ook heeft hij een beetje benzine op de grond gesproeid. Vervolgens heeft hij die benzine aangestoken, waardoor de auto in brand is gegaan. [slachtoffer] zat toen niet in de auto. Verdachte is vervolgens bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de ML gestapt en ze zijn weggereden. Een mogelijke verklaring voor het feit dat [slachtoffer] brandwonden heeft opgelopen, is volgens verdachte dat hij nog iets belangrijks uit de brandende Audi heeft willen pakken.19

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft als getuige ter zitting verklaard dat zijn vriend [verdachte] hem bij Jarmuiden vroeg of hij de ML wilde besturen met [verdachte] en [slachtoffer] op de achterbank. Hij moest van [verdachte] richting Alkmaar rijden en [verdachte] en [slachtoffer] begonnen te praten. [medeverdachte 1] ging er vanuit dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had. Hij hoorde dat ze spraken over grote geldbedragen. Het gesprek was hoog opgelopen. Hij heeft [verdachte] bedreigingen tegen [slachtoffer] horen uiten. Bij Beverwijk gaf [verdachte] aan dat ze moesten wisselen van auto. [medeverdachte 2] reed verder in de ML en [medeverdachte 1] ging in de Audi rijden, weer met [verdachte] en [slachtoffer] op de achterbank. Op aanwijzingen van [verdachte] is [medeverdachte 1] verder gereden. Uiteindelijk was de benzine van de Audi zo goed als op en heeft [medeverdachte 1] de auto geparkeerd op een parkeerplaats langs de weg. [verdachte] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij bij [medeverdachte 2] in de auto moest gaan zitten en dat heeft hij gedaan. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] schoten gehoord. [verdachte] pakte daarna een boodschappentas uit de ML en liep weg. [medeverdachte 1] zag een kleine vlam bij de Audi, een snelle flits en hoorde een knal. Vervolgens kwam [verdachte] aanrennen, is in de ML gestapt en [medeverdachte 2] is toen weggereden.20

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij met [medeverdachte 1] naar Jarmuiden is gegaan. Even later kwam daar [verdachte] met nog een man aan. Hij kreeg de autosleutel van een Audi en moest achter de anderen, die in een ML zaten, aanrijden. Onderweg is er gewisseld van auto. Hij reed toen verder in de ML achter de Audi aan. Hij zag dat [verdachte] en die andere man op de achterbank zaten. De Audi stopte op een parkeerplaats. [medeverdachte 2] stopte de ML ernaast en [medeverdachte 1] stapte bij hem in. Hij parkeerde de ML een stukje voor de Audi. Hij hoorde vervolgens meerdere schoten. Kort hierna opende [verdachte] een achterdeur van de ML en pakte een tas. Kort daarna hoorde hij een klap en zag een vlam. [verdachte] kwam aanrennen, begon te schelden en zei dat hij moest rijden.21

De raadsvrouw van verdachte heeft deze lezing van verdachte (en zijn medeverdachten) onderstreept en daarbij betoogd dat gelet op de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer bewust in de heup heeft geschoten slechts het opzet kan worden bewezen voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een kogel in de bil of de heup levert immers geen aanmerkelijke kans op de dood op. Om die reden kan geen voorwaardelijk opzet voor poging tot doodslag worden aangenomen. De brandwonden die bij het slachtoffer zijn aangetroffen zijn waarschijnlijk ontstaan doordat hij zich na het aansteken van de brand kennelijk terug in de Audi heeft gewaagd, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van de rechtbank

Het door de verdachten eerst ter zitting geschetste alternatieve scenario komt er op neer dat nimmer sprake is geweest van het voornemen om [slachtoffer] van het leven te beroven, doch dat [verdachte] op een gegeven moment - met recht - zo boos op [slachtoffer] is geworden dat hij hem ter waarschuwing enkele kogels in zijn heup en/of bil heeft geschoten, waarna hij hem heeft weggestuurd om verder te lopen, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hier niets van af wisten, omdat zij tijdens de schietpartij en het in brand steken van de Audi in de ML zaten en niets hebben kunnen waarnemen.

De rechtbank verwerpt het geschetste alternatieve scenario en overweegt hiertoe als volgt. Anders dan verdachte en zijn raadsvrouw acht de rechtbank de verklaringen van het slachtoffer geloofwaardig en betrouwbaar. De rechtbank slaat voor wat betreft de omstandigheden rond de schietpartij, de brand en de rol van de verschillende verdachten daarbij (waarover hierna meer), met name acht op de verklaringen die het slachtoffer nog diezelfde avond en de volgende ochtend heeft afgelegd,22 derhalve zeer kort na het incident en nog voordat het slachtoffer met anderen dan met de politie over het incident heeft kunnen spreken. Deze verklaringen zijn grotendeels consistent met de latere aangifte door het slachtoffer en de verklaringen van het slachtoffer bij de politie en de rechter-commissaris en worden in grote lijnen bevestigd door de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten en vinden ook steun in verschillende door de politie geconstateerde feitelijkheden, zoals het uitstaan van telefoons23 en de geconstateerde verwondingen van het slachtoffer.

Uit de verklaringen van zowel het slachtoffer als verdachte leidt de rechtbank af dat sprake moet zijn van een serieus financieel conflict tussen het slachtoffer en verdachte. De rechtbank wil aannemen dat dit conflict groter is dan het slachtoffer om hem moverende redenen tegenover de politie heeft doen voorkomen en dat de oorsprong hiervan is gelegen in criminele activiteiten. Verdachte heeft hier overigens voor het eerst ter terechtzitting over verklaard en daarmee nader onderzoek naar dit conflict op voorhand gefrustreerd. Wat daarvan ook zij, verdachte heeft het slachtoffer op 24 december 2010 onder valse voorwendsels naar Jarmuiden geleid om hem te bewegen tot betaling van het door verdachte opgeëiste grote geldbedrag. Verdachte had daar afgesproken met twee vrienden, medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die hem hierbij behulpzaam konden zijn. Bovendien had verdachte een vuurwapen meegenomen. Verdachte heeft [slachtoffer] gedwongen om in de auto, de ML en later de Audi, plaats te nemen en heeft hem onderweg in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] ernstig bedreigd, waarbij hij op enig moment onder meer heeft aangegeven, dat hij niet langer zou wachten op betaling ("fuck het geld") maar dat hij [slachtoffer] zou doodschieten. Ook heeft verdachte toen onder meer gedreigd het slachtoffer levend te zullen verbranden.

De door verdachte gegeven reden voor de wisseling van auto acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk: enerzijds ging de door verdachten afgelegde route op geen enkel moment in de richting van de woning van de broer van het slachtoffer in Amsterdam, ook niet na de genoemde wisseling, anderzijds blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer en [medeverdachte 1] dat beiden hebben geprobeerd [verdachte] te bewegen mee te werken aan het ophalen van enig geldbedrag bij die broer, doch dat hij daartoe in het geheel niet bereid was. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit tot het wisselen van auto enkel genomen in het perspectief van het door verdachte toen reeds voorgenomen geweld tegen het slachtoffer. Het feit dat verdachte zorg had gedragen voor een jerrycan met benzine in de ML wijst erop dat verdachte reeds vooraf had ingecalculeerd dat er mogelijk brand zou worden gesticht, hetgeen bevestigd wordt door het feit dat hij in de auto tegen het slachtoffer heeft gesproken over hem "levend verbranden". Aan de verklaring van verdachte dat hij die jerrycan met benzine altijd in de (overigens op diesel rijdende) ML had liggen, omdat hij wel eens aan brommertjes sleutelt, gaat de rechtbank voorbij nu zij deze verklaring ongeloofwaardig acht.

Vervolgens is op een parkeerplaats op het slachtoffer geschoten, waarbij volgens het slachtoffer door een van de verdachten aan de schutter de aansporing is gegeven om het slachtoffer door het hoofd te schieten.24 De rechtbank neemt aan dat alleen [verdachte] heeft geschoten, zoals het slachtoffer reeds bij de 112-melding heeft aangegeven en [verdachte] ook zelf heeft verklaard, en dat [medeverdachte 1] de betreffende aansporing heeft gegeven, waarna opnieuw op het slachtoffer is geschoten. De rechtbank leidt dit af uit de hiervoor genoemde eerste verklaringen van het slachtoffer alsmede uit het feit dat het slachtoffer in zijn aangifte heeft verklaard dat hij [bijnaam medeverdachte 2] hoorde zeggen "in zijn gezicht". Ook acht de rechtbank bewezen dat het [medeverdachte 2] is die het slachtoffer alsmede de Audi waarin het slachtoffer lag, met benzine heeft besprenkeld en aangestoken, mogelijk op aanwijzing van verdachte. Nog op de avond van het incident heeft het slachtoffer in het ziekenhuis verklaard dat de derde onbekende man

(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) hem in brand stak, terwijl hij nog in de auto lag. Het slachtoffer is over deze rol van [medeverdachte 2] consistent blijven verklaren in zijn aangifte en zijn latere verklaringen.

De veronderstelling dat [verdachte] ter plaatse alleen zou hebben gehandeld terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rustig in de ML zaten af te wachten, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij. Ook hiervoor geldt dat het slachtoffer al kort na het gebeuren heeft verklaard dat hij "die gasten buiten de auto met elkaar hoorde praten", en dat hij hierover consistent is blijven verklaren.25

[verdachte] heeft verder verklaard dat hij [slachtoffer] nooit heeft willen doden en hem daarom vier à vijf keer in zijn bil heeft geschoten om hem vervolgens dringend te adviseren weg te lopen. Dit betoog is alleen al ongeloofwaardig omdat het op zich al een wonder is dat iemand die vier of meer keer in bil en/of heup is geschoten überhaupt nog kan lopen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is [slachtoffer] overigens niet alleen in zijn heup geraakt maar ook in zijn buik, zo blijkt uit het onderzoek van het slachtoffer en de zich in het dossier bevindende foto's van het letsel.26

Tenslotte acht de rechtbank ook het betoog van verdachte en zijn raadsvrouw, dat [slachtoffer] na de traumatiserende schietpartij en na het aansteken van de auto op eigen initiatief terug de brandende auto in is gegaan om "iets" te pakken, volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] hebben verklaard dat bij het in brand vliegen van de auto vrijwel direct een knal werd gehoord. Het betoog vindt bovendien geen steun in de geconstateerde brandwonden, die onder meer zijn aangetroffen op de binnenzijde en achterzijde van de bovenbenen van het slachtoffer en daarmee passend bij de verklaring van het slachtoffer.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de drie verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord. [verdachte] door te schieten, [medeverdachte 1] door daarbij een dodelijke aansporing te geven en [medeverdachte 2] door het slachtoffer en de auto waarin het beschoten lichaam zich bevond, in brand te steken. De rol die elk van de verdachten hierbij heeft gespeeld, was onderling inwisselbaar. Verdachten hebben aldus bewust en nauw samengewerkt met het doel [slachtoffer] van het leven te beroven. Voorts moet worden aangenomen dat zowel verdachte als zijn mededaders met voorbedachten rade hebben gehandeld. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft weliswaar betoogd dat het alleen verdachte is geweest die keuzes heeft gemaakt. De rechtbank is echter van oordeel dat elk van de verdachten gelegenheid heeft gehad om zich te beraden alvorens over te gaan tot de verweten gedraging. Ieder van hen heeft er vervolgens bewust voor gekozen [slachtoffer] van het leven te beroven door op hem te schieten, door het schieten op hem aan te moedigen en door hem en de auto waarin hij lag in brand te steken. Dat het slachtoffer dit desondanks heeft overleefd, is niet aan verdachte of zijn mededaders te danken.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 28 december 2010 te Beverwijk een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Walther, model P22, en munitie van categorie III, te weten 8 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 24 december 2010 te Castricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, met mededaders:

- met één vuurwapen vier kogels heeft afgevuurd op die [slachtoffer] (waarbij die [slachtoffer] door vier kogels in het lichaam is geraakt), en

- die [slachtoffer] en de auto waarin die [slachtoffer] zich bevond heeft besprenkeld en overgoten met benzine en vervolgens open vuur in aanraking heeft gebracht met die benzine, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] en die auto vlam hebben gevat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde:

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

ten aanzien van het onder 2. bewezen verklaarde:

- medeplegen van poging tot moord.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord door - kort samengevat - onder valse voorwendsels met het slachtoffer af te spreken, hem onder bedreiging mee te nemen in een auto en hem - toen bleek dat het slachtoffer niet aanstonds aan zijn (geld)eisen kon voldoen - neer te schieten en vervolgens de auto waarin het slachtoffer zich toen nog bevond in brand te steken. Verdachte was bovendien de initiatiefnemer tot deze uiteindelijk zeer gewelddadige ontmoeting met [slachtoffer] die op eigen kracht de brandende auto heeft kunnen verlaten en dit - anders dan de bedoeling was - wonder boven wonder heeft overleefd.

Verdachte en zijn mededaders hebben door aldus te handelen zich schuldig gemaakt aan een der ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Dit door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde misdrijf heeft - mede gelet op de omstandigheden waaronder het is begaan - een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde, waardoor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving ontstaan.

De mede door verdachte ondernomen poging tot moord heeft diep ingegrepen in het leven van het slachtoffer. Het slachtoffer vreest voor zijn leven en dat van zijn familie en is inmiddels ondergedoken. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten in het algemeen een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden.

Tevens overweegt de rechtbank dat verdachte een pistool en munitie voorhanden had.

Dit delict behoort ook tot een categorie strafbare feiten die gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Voorts heeft de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke geweldsdelicten.

Al het voorgaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf van lange duur passend en geboden is. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij noch in de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding ziet af te wijken van de strafeis van de officier van justitie.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,

mr. C.A. Boom en mr. A.A.F. Donders, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 september 2011.

Mr. C.A. Boom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. In alle voetnoten wordt verwezen naar zaaksdossier Z-01 tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2011, dossierpagina 288 (boven en midden), 290 (midden en onder).

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 133 (midden en onder).

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 144 (boven).

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 147 (2e en 3e alinea).

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 december 2010, dossierpagina 65-70.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2011, dossierpagina 200.

8 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van een arts, d.d. 28 december 2010, dossierpagina 73.

9 Proces-verbaal onderzoek slachtoffer d.d. 27 december 2010, dossierpagina 789-790 met fotomap.

10 Proces-verbaal van onderzoek plaats delict, inclusief foto's, d.d. 18 maart 2011, dossierpagina 759.

11 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 14 maart 2011, dossierpagina 822-841.

12 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2011, dossierpagina 245 (onder).

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2010, dossierpagina 152 (onder).

14 Afschermproces-verbaal d.d. 29 december 2010, dossierpagina 729 (boven).

15 Afschermproces-verbaal d.d. 21 januari 2011, dossierpagina 731 (midden en onder).

16 Proces-verbaal simultane fotobewijsconfrontatie, d.d. 20 januari 2011, persoonsdossier B-02,

pagina 12-22.

17 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2010, persoonsdossier B-01, pagina 10-12.

18 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek vuurwapen en munitie d.d. 18 maart 2011, dossierpagina 807-812.

19 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2011.

20 De verklaring van getuige [medeverdachte 1] zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2011.

21 De verklaring van getuige [medeverdachte 2] zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2011.

22 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 132-135, 143-145 en 146-147 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2011, dossierpagina 287-295.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2011, dossierpagina 488 (onder).

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 147.

25Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2010, dossierpagina 147.

26 Proces-verbaal onderzoek slachtoffer d.d. 27 december 2010, dossierpagina 792 (foto 9, 10, 11 en 12).