Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2740

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-09-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10/1758 en 10/5970
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het feit dat verweerder de aanslagen IB/PVV over 2001 en 2002 heeft opgelegd conform de door eiser gedane aangiften, is niet voldoende om te concluderen tot een uitdrukkelijke standpuntbepaling van verweerder. Dat wordt niet anders als verweerder het taxatierapport ten tijde van het opleggen van de aanslagen in zijn bezit zou hebben gehad. het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Voorts is geen sprake van kwade trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 10/1758 en 10/5970

Uitspraakdatum: 26 september 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

X te Z, eiser,

gemachtigde: mr. A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.534, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 95.778 en bij beschikking een bedrag van € 3.072 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 februari 2010 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag IB/PVV (hierna: navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 561.798, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.664 en bij beschikking een bedrag van € 55.829 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2010 het bezwaar gedeeltelijk toegewezen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd tot € 547.649 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is gehandhaafd op € 31.664. Het bedrag van de heffingsrente is verlaagd tot € 54.191.

1.5. Eiser heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 10/1758 (de aanslag) en nummer 10/5970 (de navorderingsaanslag). Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.6. Eiser heeft vóór de zitting in beide zaken nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 16 augustus 2011.

Eiser is daar vertegenwoordigd door mr. B, kantoorgenoot van voormelde gemachtigde, die is bijgestaan door mr. C. Namens verweerder zijn verschenen mr. D en mr. E.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser houdt alle aandelen in X Holding B.V. Deze vennootschap houdt alle aandelen in F B.V. F B.V. is commanditaire vennoot van G C.V. De beherend vennoot van die commanditaire vennootschap is X-Y. X-Y is de partner van eiser.

2.2. Eiser is sinds juni 1997 eigenaar van het pand gelegen aan de a-straat 1 te Z (hierna: het pand). De koopprijs bedraagt fl. 1.050.000 (€ 476.470). Het pand wordt verbouwd tot hotel en een daarboven gelegen woning. Het hotelgedeelte omvat 71% van het pand. Per 1 augustus 1997 huurt G C.V. het hotelgedeelte van eiser om het na de verbouwing te gaan exploiteren. De commanditaire vennoot van G C.V. betaalt de verbouwingskosten ten bedrage van circa fl. 1.100.000 (€ 499.160).

2.3. In een taxatierapport van 23 mei 1997 van taxateur H, opgemaakt op verzoek van X Holding B.V., is het pand vrij van huur en gebruik getaxeerd op fl. 1.100.000 (€ 499.160) en na verbouwing op fl. 1.800.000 (€ 818.181). De huurwaarde van het hotelgedeelte wordt in het rapport vastgesteld op fl. 135.000 (€ 61.260) per jaar. Door eiser wordt vervolgens overleg gepleegd met verweerder over de huurprijs die G C.V. voor het hotelgedeelte zal gaan betalen. Deze wordt vastgesteld op fl. 60.000 (€ 27.230) per jaar waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde door de huurder gedane investeringen.

2.4. Op verzoek van eiser heeft makelaarskantoor I het pand op 23 januari 2001 getaxeerd. In het daarvan opgemaakte taxatierapport wordt de onderhandse verkoopwaarde van het pand per die datum vrij van huur en gebruik gewaardeerd op

fl. 5.500.000 (€ 2.495.791).

2.5. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2001 vermeldt eiser als waarde van het hotelgedeelte per 1 januari een bedrag van €1.772.012 (71% van fl. 5.500.000). De aanslagen IB/PVV van eiser over 2001 en 2002 zijn conform aangifte opgelegd.

2.6. Bij brief van 18 januari 2005 heeft verweerder X Holding B.V. in het kader van de beoordeling van de aangifte vennootschapsbelasting verzocht om informatie over de terbeschikkingstelling van het hotelgedeelte door eiser aan G C.V. Bij brief van 9 februari 2005 is aan verweerder onder meer geantwoord:

“De specificatie van de kosten van terbeschikkingstelling van genoemd onroerend goed in 2003, welke kosten in de aangifte inkomstenbelasting 2003 van de heer X in mindering zijn gebracht, luidt als volgt:

Afschrijvingen 56.382

Opstalverzekering 3.053

Onroerende-zaakbelastingen eigendom en rioolrecht 788

60.223

Voor een uitgebreide uiteenzetting van de berekening van de afschrijvingen, alsmede een afschrift van het taxatierapport van 16 maart 2001 waarop de afschrijvingen zijn gebaseerd, verwijzen wij naar ons schrijven met bijlage van 2 augustus 2002 inzake de aangifte inkomstenbelasting 2001 van de heer X (…).”

2.7. Bij brief van 31 augustus 2005 vraagt verweerder eiser om informatie om diens aangifte IB/PVV over 2003 te kunnen beoordelen. Er wordt onder meer informatie gevraagd om te kunnen beoordelen of het bedrag dat door eiser is aangegeven, € 28.738 negatief, voor inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen, juist is. Bij brief van 15 december 2005 schrijft verweerder aan eiser onder meer het volgende:

“Ik ben van plan af te wijken van deze aangifte. (…)

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen

U heeft de gevraagde informatie niet toegestuurd. Ik kan nu niet beoordelen of deze inkomsten tot een juist bedrag zijn aangegeven. Ik ben van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 28.738.

(…)

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € 32.686

Totaalbedrag van de afwijking(en) € +28.738

€ 61.424

(…)”

2.8. De brief van 19 december 2005 van eiser aan verweerder vermeldt onder meer het

volgende:

“ In uw brief van 31 augustus 2005 heeft u ons verzocht om nadere informatie met betrekking

tot de aangifte inkomstenbelasting 2003 van cliënt. Wij hebben toen onmiddellijk telefonisch

contact met u opgenomen en medegedeeld dat we eind 2004 en begin 2005 correspondentie

hebben gevoerd met de Belastingdienst Amsterdam inzake de heer X, en wel met de heer

J. Wij hadden de indruk, gezien de vraagstellingen door de heer J,

dat de aangifte inkomstenbelasting 2003 reeds in behandeling was genomen. Wij

hebben u toen ook het doorkiesnummer van de heer J gegeven om te voorkomen

dat we diverse reeds verstrekte informatie opnieuw moesten toezenden. U zou contact

opnemen met uw collega in Amsterdam.

Op 15 november jl. hebben wij opnieuw telefonisch contact met u opgenomen. Ditmaal om te

informeren hoe het stond met de regeling van de aanslag 2003 (uw brief van 31 augustus

bevond zich bij ons nog in een dossier met onderhanden werk). U deelde ons mede dat u er

nog niet aan was toegekomen om contact op te nemen met de heer J. U

verwachtte op dat moment van ons nog geen verdere actie. U zou, indien nodig, nog contact

met ons opnemen.

(…)

Wij veronderstellen dat wij, mede door het bijsluiten van afschriften van gevoerde

correspondentie met de heer J, het onderwerp “ter beschikking stellen” voldoende hebben toegelicht, of u in ieder geval hebben overtuigd van het feit dat alle gegevens met betrekking tot dit onderwerp tenminste één maal in uw dossier van cliënt aanwezig moeten zijn.

(…)”

2.9. Met dagtekening 7 maart 2006 wordt de aanslag IB/PVV voor 2003 aan eiser opgelegd, waarbij de aangifte op het punt van de terbeschikkingstelling is gevolgd.

2.10. Bij brief van 23 oktober 2007 bericht verweerder aan eiser dat hij nog meer informatie nodig heeft over aangifte IB/PVV over 2004 van eiser. Verweerder schrijft onder meer:

“Uit de taxatie die u mij heeft toegezonden blijkt dat de waarde van het pand op de a-straat 1 € 1.500.000,- bedraagt (betreft het gehele pand). Van het pand wordt 71 procent ter beschikking gesteld. De waarde per 1 januari 2001 bedraagt € 1.772.012, -. Dit zou betekenen dat het pand binnen vier jaar 40 procent in waarde is gedaald, terwijl in het door u toegezonden taxatierapport vermeld staat dat de staat van onderhoud goed is. Ik verzoek u hieromtrent een verklaring te geven. Tevens verzoek ik u mij aan te geven hoe de waarde per 1 januari 2001 is vastgesteld.”

2.11. Bij brief van 5 november 2007 stuurt eiser het in 2.4 genoemde taxatierapport van I in kopie aan verweerder.

2.12. Bij brief van 20 november 2007 bericht verweerder aan eiser dat verweerder in verband met de aankomende verjaringstermijn de aanslag IB/PVV 2004 ter behoud van rechten heeft opgelegd omdat verweerder nog vragen heeft over de aangifte. Verweerder geeft aan bij het opleggen van de aanslag geen rekening te hebben gehouden met het negatieve resultaat uit de ter beschikkingstelling (van het hotelgedeelte) van het pand. De aanslag wordt met dagtekening 6 december 2007 opgelegd.

2.13. Nadat eiser bezwaar heeft ingediend tegen de laatstgenoemde aanslag bericht verweerder bij brief van 25 november 2008 onder meer het volgende aan eiser:

“De taxatieresultaten [van de taxatie door de taxateur van verweerder] zijn inmiddels binnen en de behandeling van het bezwaarschrift is aan mij overgedragen.

De taxateur meldt mij de volgende resultaten:

1. Met betrekking tot het bedrijfsgedeelte a-straat 1 te Z (TBS-pand).

Waarde per 1-1-2001 in verhuurde staat: € 865.000.

Waarde per 31-12-2003 vrij van huur en gebruik: € 1.447.000.

(…)

De taxateur heeft mij voorshands slechts de resultaten medegedeeld. De taxatierapporten worden mij binnenkort toegezonden. Na ontvangst daarvan zal ik u een kopie toezenden.

(…)”

2.14. Bij brief van 18 februari 2009 stuurt verweerder eiser kopieën van de taxatieverslagen. In zijn brief bericht verweerder eiser onder meer het volgende:

“De uitkomst van de taxatie van het TBS-pand verschilt met de eerder aan mij gemelde resultaten. De taxateur meldt mij dat het eerder gegeven advies herzien is omdat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken. De taxatie is ook intern nog eens uitvoerig besproken.

Per 1-1-2001 is gewaardeerd in verhuurde staat, per 31-12-2003 is gewaardeerd vrij van huur en gebruik.

De waarde per 1-1-2001 is getaxeerd op € 516.000 (was € 865.000),

De waarde per 31-12-2003 is getaxeerd op € 1.000.000 (was € 1.447.000).

Het TBS-resultaat bedraagt dan € 484.000 (was € 582.000).

(…)”

2.15. In zijn brief van 15 oktober 2009 kondigt verweerder eiser aan voornemens te zijn een navorderingsaanslag IB/PVV over 2004 op te leggen. In zijn brief vermeldt verweerder onder meer het volgende:

“De hoogte van de navorderingsaanslag is gebaseerd op de taxatieverslagen van de belastingdienst met betrekking tot het bedrijfsdeel van het pand (…).

Uitgaande van deze taxatieverslagen en rekening houdende met de afschrijving (3x56.382) bedraagt het TBS-resultaat 2004 1.000.000 -/- (516.000 -/- 169.146) = € 653.146.

De aangifte inkomstenbelasting 2004 vermeldt een TBS-resultaat van € -/- 537.866, bij aanslagregeling gecorrigeerd naar nihil. De correctie is derhalve € 653.146 te laag vastgesteld.

(…)”

2.16. Met dagtekening 20 november 2009 wordt de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2004 aan eiser opgelegd.

3. Geschil

3.1.1. In de zaak met betrekking tot de aanslag (10/1758) verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of het vertrouwensbeginsel eraan in de weg staat dat verweerder in 2008 de waardering van het bedrijfsgedeelte van het pand per 1 januari 2001 nog ter discussie stelt. Aanvankelijk verschilden partijen ook van mening over de hoogte van in aanmerking te nemen onderhoudskosten maar hierover hebben partijen voorafgaand aan de zitting overeenstemming bereikt. Het beroep is mede gericht tegen de impliciete verliesvaststellingsbeschikking van nihil.

3.1.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de beschikking heffingsrente en het vaststellen van een verliesbeschikking op een bedrag van € 485.081.

3.1.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.2.1. In de zaak met betrekking tot de navorderingsaanslag (10/5970) verschillen partijen met name van mening over het antwoord op de vraag of sprake is van een uitdrukkelijke standpuntbepaling van verweerder dat aan navordering in de weg staat.

3.2.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

3.2.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In rechte te respecteren vertrouwen is slechts aan de orde als er sprake is van een bewuste standpuntbepaling van verweerder ten opzichte van eiser of als verweerder door zijn handelen bij eiser op een andere wijze het vertrouwen heeft gewekt dat hij met een bepaald fiscaal gevolg akkoord is.

4.2. Eiser stelt dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt door pas in november 2008 de waarde van het pand per 1 januari 2001 ter discussie te stellen.

Bij een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft eiser de bewijslast. Eiser voert aan dat hij verweerder meermalen het taxatierapport van I (zie 2.4) heeft toegestuurd. Daarop heeft verweerder nooit gereageerd. Wel heeft verweerder de aangiften IB/PVV van eiser voor de jaren 2001 en 2002 gevolgd. Verweerder bij brief van 31 augustus 2005 bij de beoordeling van eisers aangifte IB/PVV over 2003 vragen gesteld over de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen door eiser. In zijn brief van 15 december 2005 heeft verweerder – nadat hij de informatie waarom hij gevraagd had niet ontvangen had – aangegeven van plan te zijn om van de aangifte af te wijken. Eiser heeft op die laatste brief gereageerd met zijn brief van 19 december 2005 en daarin onder meer gewezen op het feit dat alle informatie waarom verweerder had verzocht, reeds in het bezit van de belastingdienst was en bovendien ook afschriften van eerder gevoerde correspondentie bijgevoegd. De brief eindigde met de opmerking: “Wij gaan er vanuit dat u thans, op basis van alle door ons nu en in het verleden verstrekte informatie, kunt overgaan tot het afwikkelen van de aangifte van cliënt. Mocht dit echter onverhoopt nog niet het geval zijn dan vernemen wij dat gaarne van u.”

4.3. Op de brief van 19 december 2005 van eiser heeft verweerder niet gereageerd, terwijl niet in geschil is dat verweerder voornoemde brief wel heeft ontvangen.

Verweerder heeft met dagtekening 7 maart 2006 de aanslag IB/PVV 2003 aan eiser opgelegd waarbij de aangifte van eiser op het punt van de terbeschikkingstelling is gevolgd.

4.4. De rechtbank oordeelt over de bovenstaande gang van zaken als volgt. Het feit dat verweerder de aanslagen IB/PVV over 2001 en 2002 heeft opgelegd conform de door eiser gedane aangiften, is niet voldoende om te concluderen tot een uitdrukkelijke standpuntbepaling van verweerder. Dat wordt niet anders als verweerder het taxatierapport van I ten tijde van het opleggen van de aanslagen in zijn bezit zou hebben gehad. Maar door na de hiervoor onder 4.2 genoemde correspondentie de aanslag IB/PVV voor 2003 op te leggen zonder correctie van de inkomsten uit de terbeschikkingstelling, heeft verweerder bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen opwekken dat verweerder akkoord ging met de waarde van het bedrijfsgedeelte van het pand per 1 januari 2001 van

€ 1.772.012.

4.5. Verweerder heeft nog aangevoerd dat de aanslag IB/PVV over 2003 weliswaar conform de aangifte is vastgesteld waar het de inkomsten uit de terbeschikkingstelling betreft, maar dat het directe fiscale belang van de hoogte van de jaarlijkse afschrijvingen beperkt is omdat bij beëindiging van de terbeschikkingstelling in 2004 de mogelijk te hoge jaarlijkse afschrijvingen in de voorgaande jaren in 2004 zouden kunnen worden teruggenomen met toepassing van de foutenleer. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel over het gewekte vertrouwen, al was het maar omdat verweerder eiser er in het geheel niet van op de hoogte heeft gesteld dat het voormelde de reden was om de aangifte IB/PVV voor 2003 te volgen.

4.6. Verweerder heeft ten slotte gesteld dat eiser geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt omdat eiser te kwader trouw was. Weliswaar is dit standpunt voor het eerst bij het verweerschrift ingenomen maar de kwade trouw van eiser is evident. Eiser moet geweten hebben dat de door hem opgevoerde waarde van het bedrijfsgedeelte van het pand van

€ 1.772.000 per 1 januari 2001 veel te hoog was, aldus verweerder.

4.7. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Een belastingplichtige is te kwader trouw als hij met betrekking tot het bedoelde feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (vergelijk HR 11 juni 1997, LJN AA2160). Verweerder, op wie de bewijslast rust, heeft aangevoerd dat eiser moest weten dat de waarde van € 1.772.000 voor het bedrijfsgedeelte van het pand te hoog was omdat het pand in mei 1997 nog op een bedrag van € 580.910 getaxeerd was en dan is een stijging naar € 1.772.000 in drie en een half jaar niet reëel. Bovendien gaat het taxatierapport van I uit van een waarde vrij van huur terwijl het pand toen verhuurd was. Het taxatieverslag is niet onderbouwd en bovendien blijkt niet of rekening is gehouden met de huurderinvesteringen, aldus verweerder.

4.8. Met het voorgaande is verweerder niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat eiser te kwader trouw was. Dat een pand in 2001 voor een veel hoger bedrag getaxeerd werd dan ruim drie jaar daarvoor, was in die jaren niet ongewoon. Dat over de waarde van het pand verschillend geoordeeld kan worden blijkt al uit de bevindingen van de taxateur van verweerder (zie hiervoor onder 2.13 en 2.14). Direct nadat de taxateur het bedrijfsgedeelte van het pand getaxeerd had gaf de taxateur als waarde per 1 januari 2001 € 865.000 door en per 31 december 2003 € 1.447.000. Enkele maanden later heeft de taxateur de waardes aanzienlijk bijgesteld tot bedragen van € 516.000, respectievelijk € 1.000.000. Ook de aanmerkingen van verweerder op het taxatierapport van I kunnen niet tot de conclusie leiden dat eiser te kwader trouw gehandeld heeft. Gesteld noch gebleken is dat eiser beschikte over een onderbouwing van de door I bepaalde waarde die hij niet aan verweerder heeft verstrekt. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de niet onaannemelijke verklaring van eiser ter zitting. Eiser heeft daar verklaard dat hij voordat I de taxatie verrichtten, een minnelijke waardering van het bedrijfsgedeelte had gekregen van fl. 4.000.000. Voorts heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een taxatie van de waarde vrij van huur voor de hand lag omdat hij bij verkoop voor een levering van het bedrijfsgedeelte van het pand vrij van huur kon zorg dragen, juist vanwege de relatie tussen verhuurder en huurder.

4.9. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, kunnen de aanslag en de navorderingsaanslag niet in stand blijven. De beroepen zullen dan ook gegrond worden verklaard. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij - mocht het gelijk aan eiser zijn - het eens is met de stelling van eiser dat de onderhoudskosten bij de aanslag over 2004 in aanmerking genomen dienen te worden tot een bedrag van € 150.098, zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2004 alsnog wordt moet worden vastgesteld op € 485.081 negatief.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep in beide zaken redelij¬kerwijs heeft moeten maken.

5.2. In de zaak met nummer 10/1758 (de aanslag) heeft eiser voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand om een kostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het besluit) gevraagd. De rechtbank zal deze toekennen. De kosten voor deze zaak worden gesteld op € 322 voor de bezwaarprocedure (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 161 per punt (tarief geldend voor bezwaar gemaakt voor oktober 2009) en een wegingsfactor 1) en op € 874 voor de beroepsprocedure (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 met een wegingsfactor 1).

5.3. In de zaak met nummer 10/5970 (de navorderingsaanslag) heeft eiser ter zake van zijn verzoek om een kostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand om een integrale proceskostenvergoeding gevraagd vanwege het feit dat verweerder onredelijk heeft geprocedeerd. Op grond van artikel 2, derde lid, van het besluit kan de rechtbank een integrale proceskostenvergoeding uitspreken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bestaat er grond voor een integrale proceskostenvergoeding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft, respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen gestelde procedure geen stand zal houden. Daarvan is in deze zaak geen sprake en er is dan ook geen reden om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Eiser heeft ook in deze zaak wel recht op een forfaitaire kostenvergoeding op grond van het besluit. De kosten worden voor deze zaak vastgesteld op € 436 in de bezwaarprocedure (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 218 per punt (tarief geldend voor bezwaar gemaakt na september 2009) en een wegingsfactor 1) en op € 874 in de beroepsprocedure (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 met een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2004 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.664 en verlaagt de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- draagt verweerder op bij beschikking het verlies over 2004 vast te stellen op € 485.081;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 en de daarbij horende beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.506;

- gelast dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van € 82 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.M. Röell-Mulder, voorzitter, mr. T.A. de Hek en mr. S.K.A. Efstratiades, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.