Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2471

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
183606 / KG RK 11-598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

BESCHIKKING OP GRIJS GEMAAKT BESLAGREKEST NA HOREN VAN PARTIJEN (Artt. 700, 701, 705 Rv.)

Ter inhoudelijke beoordeling van het gevraagde verlof ligt in feite dezelfde vraag voor als wanneer, na een verleend verlof, reeds beslag zou zijn gelegd en gerekwestreerde de opheffing daarvan zouden hebben gevorderd. De vraag is derhalve of gerekwestreerde overeenkomstig artikel 705 lid 2 Rv summierlijk de ondeugdelijkheid van het door verzoekster ingeroepen recht heeft aangetoond. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats op de weg van gerekwestreerde ligt om, met inachtneming van de beperkingen van een procedure als de onderhavige, aannemelijk te maken dat de door verzoekster gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd, zulks onder afweging van de wederzijdse belangen (vgl. HR 25 november 2005, NJ 2006, 148).

De door gerekwestreerde subsidiair gevraagde zekerheidsstelling wordt geweigerd nu de mogelijke schade niet van zodanige omvang is dat daarvoor een bankgarantie gesteld dient te worden, mede gelet op de kosten daarvan.

De begroting van de vordering kan uitsluitend plaatsvinden op basis van de door verzoekster gestelde vordering en niet mede op die van haar mede-erfgenaam, die geen partij is in de onderhavige procedure en daarmee bij het te leggen beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking op beslagrekest

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 183606 / KG RK 11-598

Beschikking van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2011

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

verzoekster,

advocaat mr. G. Kuijper te Almere,

tegen

1. [B],

wonende te [plaats],

2. [C],

wonende te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONVINZ B.V.

gevestigd te Haarlem,

verweerders,

advocaat mr. J.B. Biezen te Zaandam.

Partijen zullen hierna [A], [B], [C] en Convinz worden genoemd. Verweerders zullen gezamenlijk ook als [verweerders] aangeduid worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een op 21 juni 2011 ter griffie ontvangen ongedateerd verzoek van [B] tot grijs maken van beslag

- het beslagrekest

- de brief met producties 1-10 van [verweerders]

- de brief met productie 11 van [verweerders]

- de brief met producties 1-7 van [A], waaronder de stukken van de reeds aanhangige hoofdzaak

- de mondelinge behandeling

- de pleitnotities van [A]

- de pleitnotities van [verweerders]

2. De feiten

2.1. [D] (hierna: [D]) heeft op 16 februari 1988 een opgave gedaan van zijn uiterste wil, in welk testament onder meer is bepaald dat zijn echtgenote zijn enige erfgenaam zou zijn en dat, indien hij tegelijk of na zijn echtgenote zou overlijden, tot erfgenamen worden benoemd:

- voor 10%: zijn schoonzuster [E],

- voor 45%: zijn neef [F] (hierna: [F]),

- voor 45%: zijn neef [B].

2.2. Op 25 december 2004 is de echtgenote van [D] overleden. [D] verkeerde die tijd reeds in een slechte gezondheidstoestand. Hij was visueel en motorisch ernstig gehandicapt en rolstoelafhankelijk.

2.3. Bij de stukken bevindt zich een door [verweerders] in de hoofdzaak in het geding gebrachte doktersverklaring ten aanzien van [D] van diens huisarts [huisarts] d.d. 26 januari 2005. Deze verklaring luidt – voor zover van belang – als volgt:

De heer [D], 80 jaar, weduwnaar sinds 25 december 2004 is ernstig

gehandicapt. Mijnheer is nagenoeg blind en heeft tevens ernstige

loopstoornissen waardoor hij rolstoelafhankelijk is.

Mijnheer heeft geen beperkingen in zijn geestelijk vermogens en is

oordeelkundig.

2.4. Bij de stukken bevindt zich een door [verweerders] in de hoofdzaak in het geding gebrachte transcript van een gesprek, gedateerd op 11 februari 2005, tussen [D] en [B]. Dit transcript luidt – voor zover van belang – als volgt (waarbij WW staat voor [B] en WJDB voor [D]):

WW: Oom [B], om te voorkomen dat er in de toekomst problemen ontstaan met

familieleden of erfgenamen, is me geadviseerd om zwaarwegende instructies die u mij geeft

op band vast te leggen. Afspraken, ook namens u schriftelijk te bevestigen.

Nou, daarom heb ik nu een cassetterecorder bij me, waarmee ik dit gesprek zal opnemen.

Vindt u dit goed oom [B]?

WJDB: Ja, dat vind ik goed.

WW: Het is vandaag vrijdag 11 februari 2005. Nou zoals u weet hebben we al vaker gesproken over uw vermogen hè.

WJDB: Ja

WW: En hoe u dat eventueel zou kunnen laten renderen.

WJDB: Ja, dit eh...

WW: We hebben de vorige keer gesproken dat u er nog een paar nachtjes over zou slapen

zodat u een goeie beslissing kunt nemen.

WJDB: Moet er niet te lang mee wachten.

WW: Zal ik de belangrijkste gegevens nog even voor u op een rijtje zetten?

WJDB: Dat vind ik wel.

WW: Sinds juni 2004 staat het grootste gedeelte van uw vermogen op een bonusrekening bij

de Postbank.

[…]

U krijgt op uw bonusrekening bij de Postbank maar 1,1 % rente.

WJDB: Ja, kan wel.

WW: Bent u daar tevreden mee?

WJDB: Helemaal niet!

WW: Ja, dat dacht ik al. Zoals u al een paar keer met […] heeft besproken, heeft hij met

zijn bedrijf uitbreidingsplannen.

WJDB: Ja, maar dat was al eerder.

WW: En daar zoekt hij een geschikte financiering voor. Ja, en ik denk daarbij aan u.

WJDB: Dat wou ik precies zeggen.

WW: Op basis van een achtergestelde en zoals dat heet risicodragende lening wil ConVinz

b.v. een langlopende lening van twee en een halve ton met u aangaan.

WJDB: Jawel.

WW: En daarvoor wil hij u bijna vier keer zoveel rente betalen dan dat u nu op uw

bonusrekening krijgt. Nou, dat lijkt mij geen slechte deal.

WJDB: Nee.

WW: Maar waar het om gaat natuurlijk is: ziet u het eigenlijk wel zitten om uw vermogen op

deze manier te investeren?

WJDB: Ja, nog steeds.

WW: Garanties, dat de plannen goed uit zullen pakken, die zijn er natuurlijk niet. Dat is toch

wel iets dat u zich goed moet realiseren toch?

WJDB: Ja, ja, ja.

WW: Zal ik het dan maar, als uw gevolmachtigde zo voor u in orde maken?

WJDB: Ja. Dat vind ik wel.

WW: Dan zal ik dat formeel in orde maken.

WJDB: Ja.

2.5. Bij notariële akte van 19 februari 2005 heeft [D] een algemene volmacht verleend aan [B] om hem te vertegenwoordigen en zijn rechten en belangen waar te nemen (hierna: de volmacht).

2.6. Op 11 april 2005 heeft [B] op naam en voor rekening van [D] een geldsom van € 250.000,- geleend aan Convinz. De lening heeft een looptijd van 15 jaar tegen een rentevergoeding van 4% per jaar. [C] is enig aandeelhouder en bestuurder van Convinz. [C] is de echtgenoot van [B]. Op de lening is vooralsnog niets afgelost. De verschenen rente is evenmin betaald.

2.7. Op 23 augustus 2009 is [D] overleden. [B] heeft de nalatenschap verworpen. Dientengevolge is [A] erfgenaam voor 18,2% en [F] voor 81,8% van de nalatenschap.

2.8. [B] en [F] zijn tevens erfgenaam van hun vader [G], die op 27 september 2010 is overleden. De erfenis omvat onder meer een deel van de opbrengst van het verkochte woonhuis en de garage van [G]. De koopsom is gestort op de kwaliteitsrekening van notaris J.T. Lamers te Zaandam (hierna: de notaris). Het aan [B] toekomende deel van die nalatenschap betreft een bedrag van € 15.221,92. De notaris heeft [B] laten weten hiervan niets te zullen uitbetalen voordat zowel [B] als [F] daarmee instemmen. Niet duidelijk is geworden welke rechtsgrond de notaris hiervoor heeft.

3. De beoordeling

3.1. Het verzoek strekt tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag onder de notaris op alle gelden, goederen en/of geldswaarden die de notaris van [verweerders] onder zich heeft en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen en/of uit een bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden, met begroting van de vordering op € 178.750,--.

3.2. [A] heeft aan het verzoekschrift – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd.

Er is sprake van een onrechtmatige daad jegens (de erfgenamen van) [D]. [B] heeft misbruik gemaakt van het door [D] in hem gestelde vertrouwen en heeft de verkregen volmacht misbruikt om ten behoeve van Convinz een geldlening te verstrekken, waarvan de condities voor [D] zodanig nadelig zijn dat het gerechtvaardigde vermoeden bestaat dat het geleende bedrag en de rente nimmer zullen worden voldaan. Convinz heeft hiervan geprofiteerd en is daarom eveneens aansprakelijk. [C] is als directeur-enig aandeelhouder te vereenzelvigen met Convinz en is op diezelfde grond aansprakelijk. Bovendien heeft hij een groot aandeel in de gang van zaken gehad, aldus nog steeds [A].

3.3. [Verweerders] hebben tot hun verweer – samengevat – het volgende aangevoerd.

[A] heeft verzuimd de verweren van [verweerders] op te nemen in het verzoekschrift. Reeds om die reden dient het verzoek afgewezen te worden.

[A] ontbeert belang bij haar verzoek tegen [C] en Convinz, nu het geld dat de notaris onder zich heeft toekomt aan [B] en [F]. Ten laste van [C] en Convinz zal het beslag onder de notaris derhalve geen doel treffen.

[Verweerders] zijn wel degelijk bona vide. [D] heeft met zijn volle verstand de volmacht verleend en ingestemd met de lening. Dit blijkt uit het gesprek van 11 februari 2005 en de doktersverklaring van 26 januari 2005, aldus nog steeds [B] c.s.

3.4. Partijen hebben over en weer om een proceskostenveroordeling van de andere partij verzocht.

3.5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het standpunt dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Beslagsyllabus van juni 2011 is juist. Deze omstandigheid kan echter niet leiden tot afwijzing van het verzoek, omdat, indien partijen niet gehoord zouden zijn op het verzoekschrift, de rechtbank [A] om aanvulling van het verzoekschrift zou hebben verzocht. Thans hebben [verweerders] zelf hun verweren naar voren kunnen brengen, zodat zij niet in hun belangen zijn geschaad door het ontbreken van die verweren in het verzoekschrift.

3.6. Het verzoekschrift richt zich op beslag onder de notaris ter zake van een aan [B] toekomend bedrag. Een rechtsverhouding tussen de notaris enerzijds en [C] en Convinz anderzijds is daarmee geenszins gegeven. [A] heeft in dit verband aangevoerd dat het verzoekschrift zich ‘voor de zekerheid’ mede tot [C] en Convinz richt omdat er ‘rare trucs’ kunnen zijn uitgehaald; [B] zou zijn vordering bijvoorbeeld gecedeerd kunnen hebben aan [C] of Convinz. [A] heeft deze beweringen echter op geen enkele manier onderbouwd. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de notaris enig geldbedrag dat toekomt aan [C] of Convinz onder zich heeft. Het verzoekschrift zal daarom worden afgewezen voor zover dit zich richt tegen [C] en Convinz.

3.7. Ter inhoudelijke beoordeling van het gevraagde verlof ligt in feite dezelfde vraag voor als wanneer, na een verleend verlof, reeds beslag zou zijn gelegd en [B] de opheffing daarvan zouden hebben gevorderd. De vraag is derhalve of [B] overeenkomstig artikel 705 lid 2 Rv summierlijk de ondeugdelijkheid van het door [A] ingeroepen recht heeft aangetoond. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats op de weg van [B] ligt om, met inachtneming van de beperkingen van een procedure als de onderhavige, aannemelijk te maken dat de door [A] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd, zulks onder afweging van de wederzijdse belangen (vgl. HR 25 november 2005, NJ 2006, 148).

3.8. De omstandigheden waaronder de lening aan Convinz is verstrekt, roepen de nodige vragen op. De verstrekker van de lening was een op dat moment éénentachtigjarige visueel en motorisch ernstig gehandicapte man, die voor zijn dagelijkse verzorging volledig van derden afhankelijk was. Blijkens de overgelegde doktersverklaring was [D] weliswaar mentaal gezond, maar het is voorshands niet onaannemelijk dat [D] de draagwijdte van zijn beslissing niet ten volle kon overzien, met name nu hem – naar tussen partijen ook niet in geschil is – diverse andere en (veel) minder risicovolle mogelijkheden ter beschikking stonden om de kennelijk door hem gewenste hogere rentevergoeding op zijn spaargeld te realiseren en hij desondanks voor deze risicovolle investering heeft gekozen. De omstandigheid dat het gesprek tussen [B] en [D] door eerstgenoemde is opgenomen en vooraf om een doktersverklaring is gevraagd, lijkt in dat verband te onderstrepen dat ook [B] wel begreep dat de lening minstgenomen discutabel was. Ook het feit dat de echtgenote van [D] kort voordien was overleden, kan zijn geestesgesteldheid ten tijde van het aangaan van de lening hebben beïnvloed. Daar komt nog bij dat [B] ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over wat er met het geleende geld is gebeurd. Wel is komen vast te staan dat Convinz geen verhaal meer biedt. De kans dat de lening ooit wordt afgelost lijk daarmee zeer klein, zo niet nihil. Gelet op het voorgaande is [B] er niet in geslaagd summierlijk de ondeugdelijkheid van het door [A] ingeroepen recht aan te tonen.

3.9. Een afweging van de wederzijds betrokken belangen maakt dat niet anders. Het belang van [B] is erin gelegen dat hij kan beschikken over het hem toekomende deel ad € 15.221,92 van de opbrengst van de nalatenschap van zijn vader. Daar tegenover staat het belang van [A] bij het veilig stellen van verhaal ter zake van een vordering met een beloop van € 45.500,-. Het bedrag dat geraakt wordt door het beslag is derhalve een stuk lager. Daar komt bij dat geen andere voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van [B] bekend zijn. De belangenafweging valt daarmee uit in het voordeel van [A].

3.10. [B] heeft verzocht om aan een eventueel beslagverlof de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden ter zake van de advocaatkosten in de beslagkwestie en de wettelijke rente over het door het beslag getroffen bedrag voor de periode van een jaar.

De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om aan het te verlenen verlof de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden, nu de mogelijke schade niet van zodanige omvang is dat daarvoor een bankgarantie gesteld dient te worden, mede gelet op de daaraan verbonden kosten. In de onderhavige procedure wordt al over de advocaatkosten beslist, terwijl de wettelijke rente voor de gevraagde periode van een jaar over het door het beslag getroffen bedrag een beperkt bedrag beloopt.

3.11. [A] heeft verzocht haar vordering te begroten op 10% + 45% (het in het testament van [D] genoemde percentage van het erfdeel van [A] respectievelijk [F]) van genoemd geleend bedrag van € 250.000,-. De vordering zal echter worden begroot op basis van uitsluitend de gestelde vordering van [A] en - anders dan door haar gevraagd - niet mede op die van [F], die immers geen partij is in de onderhavige procedure en daarmee bij het te leggen beslag.

3.12. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, nu partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. staat [A] toe ter verzekering van het verhaal van haar gestelde vordering ten laste van [B] conservatoir derdenbeslag te doen leggen onder de notaris, op de vorderingen die [B] op de notaris mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen,

4.2. begroot de vordering met inbegrip van de kosten waarin [B] zal kunnen worden veroordeeld op € 59.150,-,

4.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. compenseert de proceskosten in deze zaak in die zin dat elk van partijen de eigen kosten heeft te dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2011.?