Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2448

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 4100
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang met zich brengt dat verzoekster tijdelijk niet de tot haar betrekking van hoofd van de afdeling VH behorende werkzaamheden dient te verrichten. Voorts kan niet worden gezegd dat de werkzaaamheden die aan verzoekster zijn opgedragen voor haar niet passend zijn. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 4100 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2011

in de zaak van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.H.H. Baljet, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Blanken, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder onder toepassing van artikel 15:1:10, tweede lid, onder a, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) aan verzoekster met ingang van 11 april 2011 opgedragen tijdelijk andere niet tot haar betrekking behorende werkzaamheden te verrichten.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 mei 2011 bezwaar gemaakt. Op 2 augustus 2011 heeft zij de gronden van haar bezwaar aangevuld. Bij brief van eveneens 2 augustus 2011 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 augustus 2011, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [gemeente secretaris Zandvoort] ([gemeente secretaris Zandvoort]), gemeentesecretaris van de gemeente Zandvoort.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster is vanaf 1 december 1998 als ambtenaar aangesteld bij verweerders gemeente, laatstelijk vanaf 15 februari 2009 in de functie van hoofd van de afdeling Veiligheid, Vergunningverlening en Handhaving (hierna: afdeling VH). Op 29 mei 2009 en 21 september 2009 heeft verzoekster met [gemeente secretaris Zandvoort], haar leidinggevende, een voortgangsgesprek gevoerd. Hierop is een beoordelingsgesprek gevolgd op 21 januari 2010. Deze beoordeling had betrekking op de periode 15 februari 2009 tot 20 januari 2010. In het beoordelingsformulier is aangegeven dat verzoekster voor vast zal worden benoemd in haar functie.

2.2 Verzoekster heeft zich op 22 november 2010 arbeidsongeschikt gemeld. Op 28 maart 2011 heeft de bedrijfsarts verzoekster arbeidsgeschikt geacht per 4 april 2011. Verzoekster heeft op 9 en 23 maart 2011 een gesprek gevoerd met [gemeente secretaris Zandvoort]. [gemeente secretaris Zandvoort] heeft verzoekster te kennen gegeven dat zij op 11 april 2011 niet kan hervatten in haar eigen functie van hoofd afdeling VH. Bij e-mail van 28 maart 2011 heeft verzoekster gevraagd om een schriftelijke bevestiging van het voornemen om haar niet te laten hervatten in haar eigen functie. Verweerder heeft op 7 april 2011 aan verzoekster het voornemen gestuurd om haar per 11 april 2011 andere werkzaamheden op te dragen. Het betreft werkzaamheden in het kader van het betalen van vergunningen (het project: ‘Eerst betalen dan halen’). Op dit voornemen heeft verzoekster op 15 april 2011 schriftelijk haar zienswijze gegeven. Verweerder heeft vervolgens op 3 mei 2011 het bestreden besluit genomen. Bij brief van 8 juni 2011 heeft de gemeentesecretaris als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden de ondernemingsraad gevraagd advies uit te brengen over de procesnotitie organisatieontwikkeling waarin enkele contouren van de voorgenomen reorganisatie worden geschetst. Bij brief van 16 juni 2011 heeft de gemeentesecretaris de ondernemingsraad gevraagd advies uit te brengen over het voornemen de afdeling VH op te heffen. Zoals blijkt uit het verslag van de vergadering heeft de ondernemingsraad deze adviesaanvragen op 6 juli 2011 besproken.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het, gelet op de op handen zijnde veranderingen in verweerders organisatie, niet aangewezen is dat verzoekster haar werkzaamheden hervat in haar functie van hoofd afdeling VH. De ontwikkeling van de organisatie is al enige tijd voorwerp van bespreking. In het kader van de vorming van een klantcontactcentrum wil verweerder procesgeoriënteerd werken invoeren. Deze organisatieverandering is volgens verweerder juist opportuun voor de afdeling VH in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Tijdens de langdurige afwezigheid van verzoekster wegens ziekte heeft verweerder ervoor gekozen de medewerkers van de afdeling VH toe te delen aan andere afdelingen. Volgens verweerder is het niet in het belang van de medewerkers deze wijziging ongedaan te maken. Volgens verweerder prevaleert het dienstbelang boven verzoeksters persoonlijk belang om haar functie opnieuw te gaan uitoefenen. Ter zitting is aangegeven dat ernaar wordt gestreefd de afdeling VH voor eind 2011 formeel op te heffen.

2.4 Verzoekster kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij wijst erop dat er voor haar terugkeer naar haar eigen functie geen medische belemmering (meer) bestaat. Ook voert verzoekster aan dat de besluitvorming over een reorganisatie bij verweerder nog niet is afgerond. Ook de ondernemingsraad moet hierover nog adviseren. Verweerder heeft totaal geen rekening gehouden met verzoeksters belangen. Bovendien vindt verzoekster het niet gepast dat haar gebrek aan visie wordt verweten. Zij wijst erop dat zij in haar functie altijd goed heeft gefunctioneerd. Wat de andere werkzaamheden betreft: verzoekster beschouwt het als een degradatie dat zij deze werkzaamheden moet uitvoeren. Zij heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat de opdracht om andere werkzaamheden uit te voeren voor verzoekster diffamerend en beschadigend is. Van verzoekster kan niet worden gevergd dat deze situatie nog lang voortduurt. Ter zitting heeft verzoekster benadrukt dat verweerder, door de afdeling VH al feitelijk op te splitsen, ten onrechte vooruitloopt op een reorganisatie die in formele zin nog niet is doorgevoerd. Verzoekster heeft voorts ter zitting aangevoerd dat de andere werkzaamheden die haar zijn opgedragen alleen al vanwege de geringe omvang daarvan, niet passend zijn.

2.5 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.7 Artikel 15:1:10, tweede lid, CAR/UWO luidt – voor zover hier van belang - als volgt:

‘2. Indien het college dit in het dienstbelang nodig acht, is de ambtenaar verplicht om:

a. tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere betrekking waar te nemen.’

2.8 Voor zover verweerder de wijze van functioneren van verzoekster in haar functie van hoofd van de afdeling VH aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het functioneren van verzoekster in de weg staat aan een eventuele terugkeer van verzoekster in haar functie.

2.9 Bij de toepassing van de bevoegdheid een ambtenaar andere werkzaamheden op te dragen heeft het bevoegde gezag beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vaststelling of daarvoor een dienstbelang aanwezig is. Dat maakt dat de rechter het standpunt van het bevoegde gezag dat het in het dienstbelang nodig is een ambtenaar niet tot zijn dienstbetrekking behorende werkzaamheden op te dragen, terughoudend dient te toetsen.

2.10 Verzoekster moet worden toegegeven dat verweerder feitelijk vooruitloopt op een reorganisatie van de gemeentelijke dienst die in formele zin nog niet is gerealiseerd. Deze enkele omstandigheid is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in het dienstbelang is dat verzoekster haar werkzaamheden als hoofd van de afdeling VH niet hervat.

2.11 Tijdens de afwezigheid van verzoekster heeft verweerder de medewerkers van de afdeling VH vooruitlopend op de reorganisatie ondergebracht bij verschillende andere afdelingen. Daarbij is ernaar gestreefd raakvlakken te creëren tussen de taken van deze medewerkers en de taken van de afdelingen waarbij zij zijn ondergebracht. Ter zitting heeft [gemeente secretaris Zandvoort] aangegeven dat hierdoor nu al een aantal voordelen zijn behaald die verweerder met de voorgenomen reorganisatie beoogt te realiseren. Verzoekster heeft deze voordelen deels erkend, met name op het gebied van de uitvoering van de Wabo. Bovendien blijkt uit de adviesaanvragen aan de ondernemingsraad dat verweerder daadwerkelijk een voor de gemeentelijke organisatie ingrijpende verandering wenst door te voeren, en dat de afdeling VH daarbij als eerste afdeling zal worden opgeheven. Dat een formele opheffing van de afdeling VH voor eind 2011, waar verweerder naar zegt te streven, niet mogelijk zou zijn, is gesteld noch gebleken. Onder deze omstandigheden is het niet onredelijk dat verweerder er voor kiest het onderbrengen van de medewerkers van de afdeling VH bij andere afdelingen niet ongedaan te maken. Een gevolg daarvan is dat de taken van hoofd van de afdeling VH, die verzoekster voor haar ziekteverzuim uitvoerde, feitelijk niet meer kunnen worden verricht. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang met zich brengt, dat verzoekster tijdelijk niet tot haar betrekking van hoofd van de afdeling VH behorende werkzaamheden dient te verrichten.

2.12 Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat de andere werkzaamheden die verweerder haar heeft opgedragen voor haar niet passend zijn. In dit verband wijst de voorzieningenrechter allereerst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 december 2009 (LJN: BK7331). In deze uitspraak heeft de CRvB onder meer overwogen dat in het algemeen niet snel gezegd kan worden dat tijdelijk opgedragen werkzaamheden niet passend zijn. In het geval van verzoekster is voldoende aannemelijk geworden dat de opgedragen werkzaamheden voor verzoekster passend zijn wat het niveau van de werkzaamheden betreft. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om werkzaamheden op het niveau van projectleider. Dat deze werkzaamheden op een lager niveau liggen dan de functie van hoofd van een afdeling, is onvoldoende om te concluderen dat de werkzaamheden niet passend zijn. Ter zitting heeft verzoekster verder aangevoerd dat de opgedragen werkzaamheden wat de omvang betreft onvoldoende substantieel zijn. [gemeente secretaris Zandvoort] heeft ter zitting laten weten dat bij de gemeente Zandvoort voldoende werkzaamheden voorhanden zijn op het niveau van verzoekster en dat hij daarover graag met haar in overleg wil treden. Het komt de voorzieningenrechter voor dat partijen over de (omvang van de) opgedragen werkzaamheden met elkaar tot werkbare afspraken moeten kunnen komen.

2.13 De voorzieningenrechter kan begrijpen dat verzoekster teleurgesteld is over haar terugkeer naar de ambtelijke organisatie van verweerder na haar langdurige afwezigheid en dat zij zelf het besluit van verweerder als een degradatie en als beschadigend ervaart. Verweerder heeft echter de bevoegdheid in het belang van dienst, zonder dat het functioneren van de ambtenaar daarvoor aanleiding geeft, een ambtenaar andere werkzaamheden op te dragen. Dat verweerder daar in dit geval van dient af te zien, omdat het belang van verzoekster zwaarder dient te wegen dan het dienstbelang, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd.

2.14 Het voorgaande brengt met zich dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.15 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.