Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2207

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
516141 - AO VERZ 11-329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsontbinding. Werknemer is 41 jaar oud, heeft een dienstverband van ruim 14 jaar en een brutosalaris van € 8.454,08 per maand. Nadat werknemer voor een promotie was afgewezen, zijn partijen over de mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden in gesprek gegaan. De besprekingen hebben geen resultaat opgeleverd. Werkgever verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. De werknemer verzoekt een vergoeding met C-factor 1,5.

Hoewel een oorzaak van het einde van de arbeidovereenkomst gelegen is in het feit dat de werknemer niet geschikt bleek te zijn voor de door hem gewenste promotie en hem om die reden wellicht geen vergoeding zou toekomen, is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheden in redelijkheid tot een andere beslissing aanleiding geven.

De wens van de werknemer om het bedrijf te verlaten impliceert niet dat de werknemer uit vrije wil de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen.

Aan werknemer door zijn direct leidinggevende aangeboden beëindigingsvoorstel zou volgens de werkgever niet bevoegdelijk zijn gedaan. Dat staat er niet aan in de weg dat de werknemer aan dit voorstel een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen. Een (door de werkgever gestelde) verstoorde relatie tussen die leidinggevende en de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer werken.

Nu de houding van de werknemer ook van invloed is geweest op het verstoord raken van de onderlinge relatie, wordt de vergoeding gesteld € 50.000,00 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 516141 \ AO VERZ 11-329

datum uitspraak: 5 augustus 2011

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Accenture B.V.

te Amsterdam

verzoekster

hierna: Accenture

gemachtigden: mrs. P.G. Vestering en F. ten Have

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna: [verweerder]

gemachtigde: mr. Y.M. Kasius-Kluter

De procedure

Op 17 juni 2011 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van Accenture. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juli 2011. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van Accenture heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [verweerder], geboren op 6 februari 1970, is sinds 1 november 1996 bij Accenture in dienst, laatstelijk in de functie van Senior Manager tegen een salaris van € 8.454,08 bruto per maand exclusief vakantiegeld (en overige emolumenten).

b. In augustus 2010 werd het voor partijen duidelijk dat [verweerder] niet in aanmerking kwam voor een door hem gewenste promotie naar de positie van Senior Executive.

c. In de periode na augustus 2010 heeft [verweerder] tijd nodig gehad om de teleurstelling te verwerken. Partijen hebben in die periode partijen regelmatig, hetzij via e-mail berichten, hetzij in persoonlijke gesprekken, overleg gevoerd over de wijze waarop de arbeidsrelatie zou kunnen worden voortgezet dan wel zou kunnen worden beëindigd.

d. Naar aanleiding van een e-mailbericht van [verweerder] van 14 oktober 2010 heeft zijn toenmalige direct leidinggevende de h[XXX] (hierna [XXX]) binnen Accenture informatie opgevraagd over een exitregeling voor [verweerder].

e. [XXX] heeft in antwoord op zijn verzoek de volgende informatie verkregen:

“In het voorstel zou kunnen:

- € 84 540 mee

- Coachingstraject (…)

- Hij maakt het project af bij Alliander in Accenture dienstverband.”

f. [XXX] heeft dit voorstel aan [verweerder] gedaan. Bij brief van zijn toenmalige gemachtigde heeft [verweerder] dat voorstel verworpen.

g. Per e-mailbericht van 21 april 2011 heeft Accenture het volgende aan [verweerder] geschreven:

“(…)

Zoals in mijn e-mail aangekondigd was de intentie van dit gesprek om een oplossing te vinden voor de ontstane situatie. Derhalve heb ik je gevraagd hoe jij dit idealiter zou zien en wat jij zou willen. Jij vond dat het niet aan jou was om daar antwoord op te geven en legde de vraag bij mij neer. Daarop heb ik vervolgens aangegeven dat ik twee scenario’s zie:

1. Alsnog uitwerken van de overeenkomst zoals door jou en [XXX] besproken en door [XXX] aan jou gestuurd op 17 februari jl.

2. Doorzetten van je fulltime dienstverband.

Je hebt daarop aangegeven dat de gemaakte afspraak met [XXX] wat jou betreft van tafel is en dat je door wilt gaan bij Accenture.

(…)

Nu deze beoogde afspraak dus van tafel is, zullen we (…) jou fulltime inzetten op andere werkzaamheden.

(…)”

h. In antwoord op het hiervoor onder g. genoemde e-mailbericht heeft [verweerder] het volgende aan Accenture geschreven per e-mailbericht van 26 april 2011:

“(…)

Samengevat zit ik nu dus nog steeds vast in dezelfde situatie als die van de afgelopen maanden. Bij een klant vanuit mijn verantwoordelijkheidsgevoel een klus afmaken in de wetenschap dat Accenture mij de kans heeft ontnomen om op een goede manier te kunnen functioneren.

Donderdag hebben mensen helaas weer gemerkt dat ik verre van mijn normale doen was. Ik heb gezegd “er het beste van te maken” en daarmee bedoel ik dat ik dit probeer vol te houden tot 30 juni en hoop dat we daarna wel op een constructieve manier aan tafel kunnen zitten.

(…)”

i. Op 12 mei 2011 heeft Accenture per e-mailbericht het volgende aan [verweerder] geschreven:

“(…)

Afgelopen week ben je wegens vakantie afwezig geweest. Inmiddels heb ik nu van [YYY] begrepen dat je pas over twee weken in gesprek wil treden over een vervolgproject. Eerder had [YYY] je al gevraagd om workshops voor te bereiden in het kader van Sabic. Daar heb je echter geen aanvang mee gemaakt.

Bovenstaand, in combinatie met het feit dat je in jouw e-mail van 26 april jl. op geen enkele manier aangeeft wat je wel wilt, maakt dat het voor Accenture wel heel erg moeilijk wordt om nog vertrouwen te houden in een verdere, vruchtbare samenwerking.

(…)”

j. In een brief van 21 juni 2011 heeft [XXX] het volgende aan [verweerder] geschreven:

“(…)

Ik lever mijn commentaar vanuit de volgende context: ik ben zelf in de periode september 1989 – januari 2011 bij Accenture werkzaam geweest en was in de periode januari 2007 – januari 2011 jouw direct leidinggevende.

(…)

Ad 1. “De heer [verweerder] heeft namelijk sinds dat moment de motivatie verloren om te blijven functioneren op het niveau dat binnen Accenture van hem in zijn huidige functie wordt verwacht”.

Dit is naar mijn mening geen goede weergave van de werkelijkheid. Het tegendeel was het geval. Nadat jij voor het tweede jaar op rij geen promotie had gemaakt naar Senior Executive, heb ik een aantal gesprekken met je gevoerd om de consequenties te bespreken van het “up-or-out”model bij Accenture Management Consulting. (…)

Ad 2. “…de heer [XXX] bij een HR medewerker van Accenture ter oriëntatie gevraagd hoe een eventuele vertrekregeling voor [verweerder] eruit zou kunnen zien.”

Hier wordt de suggestie gewekt alsof de door mij namens Accenture aangeboden vertrekregeling puur ter oriëntatie zou zijn. Dit is niet correct. Ik heb [ZZZ] van HR gevraagd of wij aan jou een regeling kunnen aanbieden, indien je het bedrijf verlaat. Daar is mij verteld dat ik 85.000 euro mag aanbieden. Ik heb vervolgens de bevestiging gevraagd aan [AAA], HR Accenture en de baas van [ZZZ], of ik deze regeling inderdaad aan jou mag aanbieden. Hierop is bevestigend gereageerd en ik heb daarom deze vertrekregeling aan jou aangeboden op donderdag

14 oktober 2010.”

Het verzoek

Accenture verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt Accenture – samengevat – het volgende.

Accenture verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen om de volgende drie redenen:

1. [verweerder] is structureel gaan disfunctioneren vanaf de gemiste promotiekans;

2. [verweerder] weigert mee te werken aan een verbetering van de arbeidsrelatie ondanks de herhaaldelijke en aantoonbare pogingen daartoe van Accenture;

3. er is sprake van een fundamentele vertrouwensbreuk tussen partijen.

Ad 1:

Accenture is van mening dat [verweerder] door zijn opstelling en gedragingen in strijd heeft gehandeld met de normen en vereisten binnen haar organisatie. [verweerder] is sinds de misgelopen promotiekans onder de maat gaan functioneren. In het functioneren van [verweerder] is een duidelijke dalende lijn opgetreden nadat het nieuws bekend is geworden dat hij niet voor promotie in aanmerking zou komen.

Uiteraard is het het goed recht van [verweerder] om te concluderen dat hij bij Accenture niet verder wil. Als hij echter besluit om toch verder te gaan, dan dient hij ook te presteren op het niveau dat binnen Accenture mag worden verwacht. Aan die standaard voldoet [verweerder] nu al geruime tijd niet meer.

Bij Accenture staan “groei & ontwikkeling”centraal. Dit betekent dat zolang een werknemer waarde toevoegt aan de organisatie vanuit een bepaalde positie en zich binnen die positie blijft ontwikkelen, Accenture een “retentie-beleid” voert. Dit betekent dat men probeert die werknemer te behouden, ook als hij (nog) niet geschikt blijkt voor doorgroei naar een hogere positie.

Ad 2:

Het disfunctioneren van [verweerder] kan ook niet verbeteren, omdat hij zijn werkzaamheden niet wil verbeteren. Dat blijkt wel uit zijn onwelwillende opstelling sinds 2010.

[verweerder] is keer op keer ongevoelig gebleken voor pogingen van Accenture om de situatie te de-escaleren.

Bovendien weigert [verweerder] in 2011 in toenemende mate gevolg te geven aan verzoeken van zijn leidinggevenden. Ook het feit dat [verweerder] claimt 32 uur per week te hoeven werken, is een voorbeeld van een gebrekkige werkhouding die hij heeft aangenomen. Voorts blijkt dat [verweerder] zich in toenemende mate onbeschikbaar houdt voor constructief overleg met Accenture om de arbeidsrelatie vlot te trekken en de inhoud van het werk te bespreken.

Ad 3:

Door de gedragingen van [verweerder] is inmiddels sprake van een fundamentele vertrouwensbreuk tussen partijen.

Aangezien de noodzaak voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geheel is te wijten aan [verweerder] bestaat er geen grondslag voor enige beëindigingsvergoeding. Accenture heeft meerdere redelijke voorstellen gedaan om [verweerder] in het geval van beëindiging terwille te zijn. Dat [verweerder] deze aanbiedingen heeft afgeslagen behoort voor zijn rekening te komen.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een vergoeding van € 139.492,32 bruto.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan.

Indien voor zover er sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsrelatie, is deze verstoring volledig te wijten aan Accenture.

Na enkele gesprekken van [verweerder] met zijn toenmalige direct leidinggevende wordt door Accenture aan de klant van [verweerder] verteld dat [verweerder] de organisatie van Accenture gaat verlaten, terwijl [verweerder] niet heeft opgezegd bij Accenture.

Tevens wordt door Accenture een vertrekregeling voorgesteld. Uiteindelijk wordt een vertrekregeling aangeboden tegen 14 oktober 2010.

[verweerder] wordt te kennen gegeven dat er geen toekomst meer voor hem is binnen de organisatie en dat er daarom een vertrekregeling wordt aangeboden.

De wijze waarop Accenture de gebeurtenissen in 2010 duidt, zegt eigenlijk al voldoende nu dit volstrekt tegenover de verklaring van de leidinggevende van [verweerder] tijdens de gebeurtenissen in 2010 staat.

Na de plotselinge wijziging in de houding van Accenture op 15 oktober 2010, heeft Accenture door middel van een kat en muisspel voortdurend getracht de bal bij [verweerder] te leggen door hem consequent te vragen wat hij wil. Op het moment dat [verweerder] aangeeft zijn werkzaamheden bij de klant uit te voeren op een correcte manier, wordt hij kennelijk niet serieus genomen en blijft Accenture de druk opvoeren.

Dit gaat in 2011 gewoon door, waardoor [verweerder] niet anders kan dan concluderen dat het de houding van Accenture ten opzichte van hem is die niet wijzigt. [verweerder] wordt door meerdere senior executives tegelijkertijd bestookt om de druk op hem op te voeren. Deze druk wordt op een dusdanige wijze opgevoerd dat [verweerder] heeft moeten concluderen dat Accenture vanaf oktober 2010 maar één ding wenst en dat is dat hij zelf opzegt bij Accenture.

Accenture spreekt [verweerder] aan op vermeend disfunctioneren. Door Accenture wordt echter geen beoordeling overgelegd over de laatste periode. Dat is ook niet mogelijk, nu [verweerder] geen beoordeling heeft mogen ontvangen.

Accenture gaat er daarnaast volledig aan voorbij dat [verweerder] bijna 15 jaar lang in de top van de “populatie” binnen de organisatie van Accenture heeft gefunctioneerd.

Accenture gaat er ook volledig aan voorbij dat het juist Accenture is die in gesprekken omtrent de consequenties van het “up-or-out” model aanstuurde op een vertrek van [verweerder].

Dat dit was waarop Accenture aanstuurde, blijkt duidelijk nu zij de klant al op 1 oktober 2010 heeft geïnformeerd over een zeer waarschijnlijk vertrek van [verweerder] en nu zij een concrete vertrekregeling heeft voorgelegd aan [verweerder] op 14 oktober 2010. Dit alles zonder dat [verweerder] heeft opgezegd.

Nu [verweerder] zijn werkzaamheden gewoon blijft verrichten en de klant hierover tevreden is, stuurt Accenture kennelijk aan op een escalatie waarbij [verweerder] disfunctioneren zou kunnen worden verweten.

Nu [verweerder] geen verwijt kan worden gemaakt, is het redelijk, indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, aan hem een vergoeding toe te kennen. In de gegeven omstandigheden acht [verweerder] een vergoeding van € 139.492,32 bruto ter aanvulling op een door hem te ontvangen uitkering dan wel elders te verdienen lager salaris redelijk. De vergoeding is gebaseerd op de kantonrechtersformule met een correctiefactor 1,5.

Deze correctiefactor is redelijk, niet alleen omdat blijkt dat het verzoek op oneigenlijke gronden is gebaseerd en Accenture veel te kort door de bocht is gegaan door kennelijk te zoeken naar disfunctioneren en zeer duidelijk heeft getracht een dossier op te bouwen om op goedkope wijze van [verweerder] af te komen. Daarnaast is deze factor redelijk gezien de huidige bedrijfseconomische situatie waarin nog altijd veel werkgevers aan het reorganiseren zijn en waarbij werkgevers zeer terughoudend zijn bij het aannemen van nieuw personeel. Tevens zal [verweerder] aanzienlijke bedragen mislopen nu door een ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst zijn rechten op aandelen vervallen.

De beoordeling van het verzoek

Ontbinding van de arbeidovereenkomst

1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW. Weliswaar is gebleken dat [verweerder] zich onder doktersbehandeling heeft moeten stellen, maar dit is niet geformaliseerd in een ziektemelding en controle via de arbodienst van Accenture.

[verweerder] beroept zich in deze procedure ook niet op arbeidsongeschiktheid. Daarbij komt dat, gelet op de hieronder te bespreken verstoorde arbeidsrelatie, het niet in de lijn der verwachting ligt dat [verweerder], indien hij weer volledig zou zijn hersteld, in dienst zou kunnen blijven bij Accenture.

2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verklaard dat ook hij niet inziet hoe een vruchtbare samenwerking met Accenture nog zou kunnen worden gerealiseerd. Hij beseft ook zelf dat de relatie gedurende de afgelopen maanden dusdanig verstoord is geraakt dat terugkeer niet mogelijk is.

3. Er zijn dus voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is. De kantonrechter zal ten aanzien van datum van de ontbinding aansluiten bij de gebleken bereidheid van Accenture om het salaris van [verweerder] te betalen tot 1 november 2011.

Vergoeding

4. Beoordeeld moet worden of aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

5. De kern van het betoog van [verweerder] is dat bij Accenture sprake zou zijn van een beleid, aangeduid als “up-or-out”, dat met zich brengt dat een werknemer moet vertrekken wanneer hij niet geschikt blijkt te zijn voor promotie. Daardoor, aldus [verweerder], voelt hij zich gedwongen mee te werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit standpunt wordt door Accenture gemotiveerd weersproken. Die betwisting is niet goed te rijmen met wat [XXX] in zijn brief van 21 juni 2011 heeft vermeld, zoals hierboven onder j. aangehaald. Ook als moet worden aangenomen dat dit beleid werkelijk wordt gevolgd bij Accenture, dan nog brengt dat beleid naar het oordeel van de kantonrechter kennelijk niet met zich dat een werknemer die niet voor promotie in aanmerking komt, in alle gevallen Accenture moet verlaten. Dit blijkt uit de omstandigheid dat [verweerder], zoals uit de genoemde brief van [XXX] blijkt, thans voor een 2e maal is afgewezen. [verweerder] is dus kennelijk na de eerste afwijzing wel in dienst gebleven.

6. De kantonrechter kan uit de overgelegde e-mail correspondentie tussen partijen niet anders concluderen dan dat sprake is geweest van een bereidheid aan de zijde van Accenture om [verweerder] in dienst te houden. Een voortzetting van de arbeidsrelatie is tussen partijen immers diverse malen besproken. Dat [verweerder] in die gesprekken zou zijn gedwongen om aan beëindiging mee te werken blijkt niet. Dat hij zich wellicht gedwongen voelde, doet daaraan niet af. Dat is immers zijn eigen subjectieve beleving. Vanzelfsprekend is in die gesprekken ook gesproken over beëindiging, maar dat is inherent aan de positie waarin partijen zijn komen te verkeren. Partijen hebben alle mogelijkheden onderzocht/willen onderzoeken. Eén van die mogelijkheden was de start van een eigen bedrijf door [verweerder], waarbij Accenture hem wilde ondersteunen. In dat licht was het beëindigingsvoorstel dat door Accenture is gedaan alleszins redelijk. Om hem moverende redenen heeft [verweerder] dit voorstel weliswaar niet aangenomen, maar hij heeft wel ruimte voor overleg opengelaten. Juist omdat [verweerder] ruimte voor onderhandeling had gegeven, kan thans niet gezegd worden dat hij elk recht op een vergoeding heeft verspeeld door het gedane voorstel af te wijzen.

7. Hoewel een oorzaak van het einde van de arbeidovereenkomst gelegen is in het feit dat [verweerder] niet geschikt bleek te zijn voor de door hem gewenste promotie en hem om die reden wellicht geen vergoeding zou toekomen, is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheden in redelijkheid tot een andere beslissing aanleiding geven.

8. Accenture heeft betoogd dat [verweerder] geen vergoeding toekomt, omdat [verweerder] zelf de wens heeft geuit het bedrijf te verlaten. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het hier echter niet een werknemer die uit vrije wil de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen. Zoals hiervoor reeds is overwogen ligt de oorzaak van die beëindiging mede in de ongeschiktheid van [verweerder] voor promotie. Dat is wel een omstandigheid die voor zijn rekening behoort te komen, maar leidt niet tot de conclusie dat [verweerder] uit vrije wil het bedrijf verlaat. Bovendien geldt dat door de opstelling van Accenture in de gesprekken met [verweerder] de situatie is ontstaan waarin van een vrije wil van [verweerder] niet meer kan worden gesproken. Voor precedentwerking binnen Accenture behoeft daarom geen vrees te bestaan.

9. [XXX] heeft als de direct leidinggevende van [verweerder] een beëindigingsvoorstel gedaan. Accenture heeft betoogd dat dit voorstel niet bevoegdelijk zou zijn gedaan. Dat staat er niet aan in de weg dat [verweerder] aan dit voorstel, dat immers van zijn directe leidinggevende afkomstig was, een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen. Een (door Accenture gestelde) verstoorde relatie tussen [XXX] en Accenture kan niet ten nadele van [verweerder] werken. Ook uit andere uitlatingen van Accenture mocht [verweerder] afleiden dat men bereid was hem tegemoet te komen. Zo werd hem bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst nog salaris tot 1 november 2011 in het vooruitzicht gesteld en zou [verweerder] in de gelegenheid worden gesteld tijdens zijn dienstverband met Accenture activiteiten te ontplooien in het kader van het opzetten van zijn eigen bedrijf.

10. De bovengenoemde omstandigheden brengen naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat [verweerder] toch nog enige vergoeding toekomt. Dat [verweerder] eerdere voorstellen tot beëindiging van Accenture heeft afgewezen, doet daar niet aan af.

11. Uit de producties blijkt dat [verweerder] ook zelf onduidelijk is geweest bij het uiten van zijn wensen omtrent voortzetting dan wel beëindiging van de arbeidsverhouding. Dat is ook van invloed geweest op het verstoord raken van de onderlinge relatie. De kantonrechter zal daarom de vergoeding stellen op € 50.000,00 bruto.

12. De kantonrechter kent daarbij geen gewicht toe aan de door Accenture gestelde tekortkomingen in het functioneren van [verweerder]. Zo die tekortkomingen er al waren, [verweerder] heeft deze gemotiveerd weersproken, dan nog kunnen zij niet los worden gezien van de ontstane situatie en de psychische druk die één en ander op [verweerder] heeft gelegd.

13. Accenture heeft geen vergoeding aangeboden, zodat de kantonrechter Accenture in de gelegenheid zal stellen het verzoek in te trekken.

14. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

15. Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen

1 november 2011 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

bepaalt dat Accenture de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 26 augustus 2011 te 15.00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Accenture het verzoek niet intrekt wordt alvast als volgt beslist:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 1 november 2011;

kent aan [verweerder] ten laste van Accenture een vergoeding toe van € 50.000,00 bruto, ineens te voldoen, als aanvulling op ingevolge sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verwerven lager inkomen uit arbeid;

veroordeelt voor zover nodig Accenture tot betaling van die vergoeding;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

voor het geval Accenture het verzoek wel intrekt:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.