Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2057

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
15-790006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugddetentie, werkstraf en geldboete voor minderjarige verdachte vanwege medeplegen gewapende overval winkel en verkoop van hennep aan minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/790006-11

Uitspraakdatum: 8 juni 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 25 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Oekraïne),

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 11 september 2010 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een bedrag van ongeveer 6.410,= euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel], gevestigd aan de Breestraat [nummer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- [slachtoffer 2] (zijnde een collega van [slachtoffer 1]) heeft/hebben vastgegrepen en/of - een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de slaap, althans het hoofd van [slachtoffer 2] heeft/hebben geplaatst en/of gehouden en/of

- hierbij (duidelijk hoorbaar voor die [slachtoffer 1]) heeft/hebben geschreeuwd "geef me geld, geef me geld of ik schiet haar dood" en/of "geef dat kankergeld hier, waar is het, anders schiet ik haar dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2:

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 8 februari 2011 te Beverwijk en/of te Heemskerk en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan Bureau Jeugdzorg de opdracht te geven om verdachte bij de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen. Tevens heeft de de officier van justitie een werkstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen jeugddetentie gevorderd. De vordering van de benadeelde partij is naar de mening van de officier van justitie voldoende onderbouwd en dient in zijn geheel te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte en met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank – nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 1:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 september 2010 van [slachtoffer 1] (dossierpagina 198 – 201);

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 11 september 2010 van [slachtoffer 2] (dossierpagina 250/ 251);

feit 2:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 maart 2011 van [medeverdachte 1] (dossierpagina 653);

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2011 van [getuige 1] (dossierpagina 620/ 621);

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2011 van [getuige 2] (dossierpagina 624/ 625).

4.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1:

hij op 11 september 2010 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en die anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een sealbag met daarin een bedrag van 6.410,- euro, toebehorende aan [naam winkel], gevestigd aan de Breestraat [nummer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders:

- [slachtoffer 2], zijnde een collega van [slachtoffer 1] hebben vastgegrepen en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de slaap van [slachtoffer 2] hebben geplaatst en gehouden en

- hierbij - duidelijk hoorbaar voor die [slachtoffer 1] - hebben geschreeuwd "geef me geld, geef me geld of ik schiet haar dood" en "geef dat kankergeld hier, waar is het, anders schiet ik haar dood";

feit 2:

hij meermalen in de periode van 15 december 2010 tot en met 8 februari 2011 te Beverwijk en te Heemskerk in de uitoefening van een beroep of bedrijf telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder de feiten 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: afpersing door twee of meer verenigde personen;

Feit 2: in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering uitgebrachte rapport van 9 mei 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten, [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], schuldig gemaakt aan een gewapende overval op vier medewerkers van de [naam winkel] in Beverwijk. Verdachte is met het idee van de overval gekomen, omdat hij wist dat het geld van de [naam winkel] aan de Breestraat te Beverwijk na sluitingstijd naar de ABN Amro bank werd gebracht in diezelfde straat. [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden ieder 10% van de buit krijgen, terwijl verdachte de rest zou houden. De dag voor de overval zijn verdachte en zijn medeverdachten bij elkaar gekomen en is het plan van de overval besproken, de taken zijn verdeeld en de vluchtroute is bepaald. Op de dag van de overval is [medeverdachte 2] het pistool, waarmee de overval zou worden gepleegd, voor verdachte gaan ophalen samen met [medeverdachte 4]. Vervolgens zijn ze naar de Sleutelbloem gegaan, waar ze hadden afgesproken met [medeverdachte 3] en verdachte. Verdachte kreeg het pistool overhandigd en heeft zich omgekleed waarna ze met zijn vieren richting de Breestraat zijn gefietst. [medeverdachte 3] heeft de fiets van verdachte in een steeg klaar gezet, zodat deze na de overval kon vluchten. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] stonden op de uitkijk bij een snackbar tegenover het [naam winkel] filiaal. Zoals afgesproken stuurde [medeverdachte 2] een smsje naar verdachte toen het licht in het [naam winkel] filiaal uitging en [medeverdachte 4] stuurde een smsje toen de medewerkers de winkel verlieten. Verdachte heeft de vier medewerkers, die onderweg waren met het geld van de [naam winkel] naar de afstortkluis van de ABN Amro bank aan de overkant van de straat, van achteren benaderd. Hij heeft één van de medewerkers vastgegrepen en een pistool op haar slaap gezet. Intussen schreeuwde hij dat hij geld wilde en haar anders neer zou schieten. Een andere medewerker zag de angst bij degene die het pistool tegen haar slaap kreeg, en heeft de sealbag met € 6.410,- van de [naam winkel] afgegeven aan verdachte. Verdachte is vervolgens gevlucht, heeft de fiets gepakt die door [medeverdachte 3] was klaargezet en heeft op het station de bus gepakt. [medeverdachte 3] had de tas met kleding van verdachte bij zich en heeft de fiets, die verdachte bij het station had achtergelaten, later opgehaald. Onderweg heeft verdachte gebeld naar [medeverdachte 2] met de vraag waar ze elkaar zouden treffen. In een steeg heeft verdachte zich vervolgens met hulp van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] omgekleed waarna ze naar het huis van verdachte zijn gegaan. Hier is de buit geteld en verdeeld. [medeverdachte 4] was na het sturen van het smsje al vertrokken, maar heeft wel diezelfde avond zijn deel van de buit opgehaald.

Een overval als hiervoor omschreven is een zeer ernstig strafbaar feit. Het gemak waarmee verdachte en zijn mededaders, alle vier jongens van 15 jaar, een dergelijk feit plegen op klaarlichte dag en waarbij ze alleen maar hun eigen geldelijke gewin voor ogen hebben zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dit voor de slachtoffers teweeg brengt, is zorgelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig psychische gevolgen hiervan ondervinden, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van een van de slachtoffers. De overval vond plaats net na sluitingstijd in een drukke winkelstraat, waardoor vele mensen getuige zijn geweest van de overval. Ook deze getuigen hebben in grote angst verkeerd en sommigen hebben zelfs slachtofferhulp ingeschakeld om de gebeurtenissen te kunnen verwerken. Deze gewapende overval heeft een grote onrust in de samenleving teweeg gebracht.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met de leidinggevende rol en het grote aandeel dat verdachte in de overval heeft gehad. Hij is met het idee gekomen en heeft ook alle geweldshandelingen gepleegd. Bovendien heeft hij het grootste deel van de buit gehouden.

Naast deze gewelddadige overval heeft verdachte zich tevens gedurende langere tijd op een wijze die als beroepsmatig kan worden gekwalificeerd, bezig gehouden met de verkoop van hennep aan (voornamelijk) minderjarigen. Naar eigen zeggen was het geld, de buit, van de overval op en wilde hij op deze manier zijn inmiddels luxueuze levensstijl voortzetten. Naast het feit dat hennep een voor de volksgezondheid schadelijke stof is en dat zeker het gebruik door minderjarigen tot gezondheidsschade kan leiden, baart het de rechtbank zorgen dat verdachte het verwerpelijke van zijn gedrag niet inziet en hij kennelijk enkel uit is op het gemakkelijk verdienen van geld zonder zich om de gevolgen van zijn gedrag te bekommeren.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met zijn jeugdige leeftijd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat na te noemen gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Nu verdachte financieel gewin heeft gehad uit zijn misdrijven acht de rechtbank het van belang dat verdachte dient in te zien dat misdaad niet loont en dat verdachte, naast de vergoeding van de door hem veroorzaakte schade aan de benadeelde partij en de eventuele terugbetaling van het door afpersing verkregen geld, ook op andere wijze financieel geraakt wordt. Gelet op de achterliggende reden en het leed dat verdachte heeft veroorzaakt, had de rechtbank het wenselijk gevonden om verdachte als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf op te leggen een bedrag te storten in het waarborgfonds voor slachtoffers van geweldsmisdrijven. Nu de wet niet in deze mogelijkheid voorziet bij minderjarige verdachten, ziet de rechtbank zich genoodzaakt terug te grijpen op de geldboete. Aldus zal de rechtbank aan verdachte na te noemen bedrag als geldboete opleggen.

8. Vordering benadeelde partij en eventueel schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.700,- ingediend tegen onder meer verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade bestaat uit: € 150,- voor een psychologische behandeling. De immateriële schade bestaat uit een bedrag van € 1.550,-.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoe¬dingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 1.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

24, 36f,, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

3, 11 van de Opiumwet

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een jeugddetentie voor de duur van honderdtwintig (120) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zesenzeventig (76) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering, thans in de persoon van [naam reclasseringswerker], zolang die instelling dat nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet op een andere straf in mindering is gebracht.

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderd (200) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door honderd (100) dagen jeugddetentie. Deze werkstraf dient binnen een termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis te worden voltooid.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van duizend euro (€ 1.000,-), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig (20) dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer 7065995, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeventien (17) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Candido, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. R.E.A. Toeter en mr. J.C.M. Swinkels, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Hermans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juni 2011.