Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1893

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
19-09-2011
Zaaknummer
AWB 11 - 3980
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen verweerders afwijzing van verzoekers aanvraag om urgentieverklaring. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gronden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de beslissing van verweerder om de verzochte urgentieverklaring af te wijzen na heroverweging in bezwaar niet in stand zal blijven. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3980

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 augustus 2011

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2011, verzonden op 21 juli 2011, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de urgentiecommissie van 18 juli 2011.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 juli 2011 bezwaar gemaakt. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 augustus 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Braeken.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2007 van de gemeente Haarlem (verder: HVV) kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem een urgentieverklaring verlenen aan een woningzoekende die ingezetene is van de regio Zuid-Kennemerland en die dringend behoefte heeft aan (andere) woonruimte.

2.3 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de HVV kan de in artikel 14, eerste lid HVV bedoelde urgentie worden verleend indien er sprake is van een medische of een psychosociale klacht in relatie met de huidige woning, waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit. Deze noodzaak is alleen aanwezig als er sprake is van een levensbe¬dreigen¬de of maatschap¬pe¬lijk onaanvaardbare situatie.

2.4 Ingevolge het tweede lid van artikel 15 van de HVV vraagt het college voorafgaand aan de besluitvorming omtrent de urgentieaanvraag advies aan de urgentiecommissie, zoals bedoeld in het Reglement Regionale Urgentiecommissie 2007.

2.5 Volgens bijlage II, onder s, van de HVV wordt onder maatschappelijk onaanvaardbaar verstaan: de situatie waarin een ingezetene zich bevindt waarbij,

- het jongste kind minderjarig is;

- er zeer ernstige medische of psychische problemen zijn bij een van de gezinsleden, die door de huidige woonsituatie worden versterkt dan wel de huidige situatie onhoudbaar maken; en

- verhuizen de enige oplossing is.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie waarin verzoeker verkeert niet als levensbedreigend of maatschappelijk onaanvaardbaar kan worden aangemerkt. Daar komt bij dat verzoeker, gezien zijn inkomen dat hoger ligt dan € 33,614,-, in beginsel niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Op de particuliere woningmarkt zou verzoeker binnen een half jaar zijn woonprobleem moeten kunnen oplossen. Om deze redenen kan geen urgentieverklaring aan verzoeker worden verstrekt, aldus verweerder.

2.7 Verzoeker kan zich hiermee niet verenigen en heeft het volgende aangevoerd. Verzoeker huurt een dienstwoning van uitvaartcentrum [naam uitvaartcentrum]. In 2008 heeft [naam uitvaartcentrum] besloten het uitvaartcentrum af te stoten en heeft het pand te koop gezet. [naam uitvaartcentrum] is voornemens het huurcontract met verzoeker op korte termijn te beëindigen. De woning zit aan het uitvaartcentrum vast en sinds het uitvaartcentrum leeg staat, woont verzoeker niet meer veilig. Het uitvaartcentrum is aan vernielingen onderhevig en bij de woning van verzoeker is een hangplek voor jongeren ontstaan. Drie jaar geleden is verzoeker bedreigd door een Turkse buurman. Sinds twee jaar wordt verzoeker lastig gevallen door buitenlanders. Zij weten dat verzoeker homo is. In deze twee jaar heeft verzoeker tot driemaal toe een hakenkruis op zijn raam gehad met daarbij de vermelding homo. Ongeveer een maand geleden hebben de jongeren zijn schutting omver getrokken. Op het moment dat verzoeker daar wat van zei, hebben ze, bij het weglopen, zijn overhemd gescheurd. De politie is meerdere keren langs geweest vanwege overlast. Verder heeft verzoeker de ziekte van Besneboeck. Dat is een chronische longziekte. Volgens de arts heeft verzoeker nog 5 tot 10 jaar te leven. De tijd die hem nog rest wil hij graag op een rustige en niet stressvolle plaats wonen.

2.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen gronden aangevoerd die er toe kunnen leiden dat de beslissing van verweerder om de verzochte urgentieverklaring af te wijzen na heroverweging in bewaar niet in stand zal blijven. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat verzoeker een medische of (psycho)sociale klacht heeft in relatie met zijn huidige woning. Verweerder heeft zich reeds hierom op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat verzoeker zich in een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie bevindt als gevolg van zijn huidige woonsituatie.

2.9 Los van het feit dat verzoeker, gezien het hiervoor overwogene niet in aanmerking komt voor de door hem gewenste urgentieverklaring, staat volgens verweerder zijn inkomen, gelet op Europese regelgeving, in weg aan toewijzing van een sociale huurwoning. Verzoeker heeft dit niet betwist.

2.10 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het, overigens niet nader geconcretiseerde, verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N’Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.