Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1891

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
19-09-2011
Zaaknummer
AWB 11 - 3923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen een door verweerder aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom om zes lantaarnpalen te verwijderen en verwijderd te houden. Verzoekers betoog dat concreet zicht op legalisatie bestaat faalt. Verder zijn de door verzoeker aangevoerde bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig bijzonder dat verweerder in redelijkheid van handhaving had behoren af te zien. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening bij mondelinge uitspraak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3923

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2011

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: R. Houtkamp, juridisch adviseur,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Velsen,

verweerder,

gemachtigde: R. Lehman.

Tegenwoordig: mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en mr. J.K. N'Daw, griffier.

Zitting: 4 augustus 2011

Verschenen: Verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder vertegenwoordigd door R. Lehman, werkzaam bij de gemeente Velsen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft verweerder verzoeker onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om binnen drie weken zes lantaarnpalen (rond de paardenbak) op het perceel Groenelaantje 11 Santpoort-Noord te verwijderen en verwijderd te houden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 juli 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 22 juli 2011 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Onderhavig perceel is gelegen in het gebied waar het bestemmingsplan De Biezen geldt. De bestemming van de gronden waarop de lantaarnpalen zijn gebouwd is “Agrarische doeleinden G (graslanden)”. Niet in geschil is dat de zes lantaarnpalen in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemming.

Omdat verzoeker de zes lantaarnpalen heeft geplaatst zonder te beschikken over de daartoe vereiste vergunning kon verweerder ter zake handhavend optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan hiervan afzien. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Het perceel is niet bruikbaar is voor de vigerende bestemming. Met het inmiddels opgestarte proces om tot een nieuw bestemmingsplan te komen, is het prematuur om nu handhavend op te treden.

Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat bij besluit van 16 december 2008 vrijstelling en een aanlegvergunning is verleend voor de paardenbak zonder verlichting, waarbij in de voorwaarden expliciet is vermeld dat het aanleggen van diep ingegraven lichtmasten niet is toegestaan. Het besluit van 16 december 2008 is onherroepelijk geworden. Een nieuw verzoek van verzoeker tot ontheffing van het bestemmingsplan op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening voor het legaliseren van zes lichtmasten is op 22 september 2010 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. In de beslissing op bezwaar van 17 mei 2011 heeft verweerder het besluit van 22 september 2010 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Het besluit van 17 mei 2011 is onherroepelijk geworden. Het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan is nog in voorbereiding. Het startdocument van het bestemmingsplan dat door verweerder op 31 mei 2010 ter consultatie is aangeboden aan de gemeenteraad en op 8 juli 2010 is behandeld op het raadsplein bevat slechts een korte verwijzing naar verzoekers ingediende initiatief om lichtmasten te legaliseren. Verzoekers initiatief is geplaatst in de groep “ingediende initiatieven die geen aanleiding hebben gegeven deze op te nemen in het bestemmingsplan”.

Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volstaat in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is medewerking te verlenen aan legalisatie voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat ( zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2007, LJN: BB8935). Ook heeft de Afdeling, onder meer in haar uitspraak van 12 maart 2008, LJN: BC6438, reeds eerder overwogen dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt als slechts een voorontwerp van een nieuw bestemmingsplan ter inzage is gelegd. In onderhavig geval is, nog daargelaten dat het er naar uitziet dat het nieuwe bestemmingsplan een overwegend conserverend karakter zal hebben, het voorontwerp-bestemmingsplan nog in voorbereiding. Er ligt een onherroepelijk besluit van 17 mei 2011 waaruit naar voren komt dat verweerder de door verzoeker verzochte ontheffing van het bestemmingsplan voor de zes lantaarnpalen niet wenst te verlenen. Gelet hierop bestaat geen concreet zicht op legalisatie. Hetgeen verzoeker hieromtrent overigens heeft aangevoerd maakt dit niet anders.

Voorts betoogt verzoeker dat verweerder heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien.

Verzoeker verwijst hierbij ten eerste naar de sinds 2006 lopende besluitvorming met betrekking tot de paardenbak en de lantaarnpalen op het perceel, waarbij volgens hem het een en ander verkeerd is gegaan. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat thans ter toetsing voorligt het besluit van 5 juli 2011 en niet de eerder genomen, inmiddels onherroepelijke, besluiten over de paardenbak/lantaarnpalen.

Verder voert verzoeker in dit verband aan dat er in het verleden vertrouwen is gewekt door de wethouder dat de lantaarnpalen zouden worden toegestaan, dat verweerder (nog) geen beleid opgesteld heeft over paardenbakken en daarbij behorende voorzieningen en dat in de omgeving meerdere lichtbronnen zijn aangebracht waartegen niet handhavend wordt opgetreden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen van deze omstandigheden dusdanig bijzonder zijn dat verweerder in redelijkheid van handhaving had behoren af te zien. Daarbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van verzoeker uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan die bij verzoeker gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is geen sprake. Voorts heeft het gesprek met de wethouder waarbij de toezegging zou zijn gedaan plaatsgevonden toen de lantaarnpalen al waren geplaatst.

Verzoeker heeft niet geconcretiseerd, noch aannemelijk gemaakt dat in de omgeving sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen waarbij verweerder heeft afgezien van handhaving.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

griffier voorzieningenrechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.