Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1890

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
19-09-2011
Zaaknummer
AWB 11 - 4217
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanwijzing op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Verzoekers hebben een bezwaarschrift en een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend die zich niet richten tegen de aanwijzing als zodanig (waartegen beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) maar tegen de daarin volgens verzoekers opgenomen weigering om ontheffing te verlenen op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het voorliggende besluit geen expliciet besluit tot weigering van ontheffing besloten ligt. Artikel 6:10, eerste lid, van de Awb is niet van toepassing. Het bezwaarschrift zal door verweerder niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Geen processuele connexiteit. Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 4217

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 augustus 2011

in de zaak van:

1) het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna,

gevestigd te Anna Paulowna,

2) Par 2 Ontwikeling C.V.,

gevestigd te Scharwoude,

3) De Peyler Projectontwikkeling B.V.,

gevestigd te Scharwoude,

4) Grontmij Nederland Projecten B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

hierna te noemen: verzoekers,

gemachtigde: mr. J.F. de Groot, advocaat te Amsterdam,

tegen:

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft verweerder beslist om op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de aanwijzing te geven dat het bestemmingsplan De Hoop fase 5 en 6 en sportvelden niet in stand blijft voor wat betreft de onderdelen:

Planregels:

- artikel 3 Maatschappelijk

- artikel 10 Woongebied Uit te Werken

Verbeelding:

- Plandelen met bestemming M en WG-U.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 29 juni 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 juli 2011 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder voorafgaande behandeling ter zitting en overweegt hiertoe het volgende.

Verzoekers stellen dat het bezwaarschrift van 29 juni 2011 en het verzoekschrift van 6 juli 2011, aangevuld bij brief van 12 juli 2011, zich niet richten tegen de aanwijzing ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro van 17 mei 2011 als zodanig, maar tegen de daarin volgens verzoekers tevens opgenomen weigering om ontheffing op grond van artikel 13 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie voor het bestemmingsplan De Hoop fase 5 en 6 en sportvelden te verlenen. In de aanwijzing is een inhoudelijke onderbouwing opgenomen die grotendeels overeenstemt met verweerders concept weigering om ontheffing te verlenen van 19 april 2011. Verzoekers doen in dit verband een beroep op artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat het geenszins de bedoeling is geweest om met het Aanwijzingsbesluit tevens te beslissen op het ontheffingsverzoek. Bij de afgifte van de conceptweigering om ontheffing te verlenen is aan het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna gevraagd een reactie te geven. De op 9 mei 2011 gegeven reactie op het concept van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna zal worden betrokken in de uiteindelijke besluitvorming inzake de ontheffing. Artikel 6:10 van de Awb is niet van toepassing, aldus verweerder.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond van daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

Verzoekers hebben aangegeven dat verweerder met het geven van de aanwijzing in feite ook heeft geweigerd ontheffing te verlenen. Als verweerder immers ontheffing zou willen verlenen, is er geen reden voor het geven van een aanwijzing. Bovendien berust de aanwijzing op de toepassing van beoordelingscriteria die ook bij het beslissen over het verlenen van een ontheffing een rol spelen.

Verweerder heeft aan het geven van de aanwijzing in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan is vastgesteld zonder dat een ontheffing is verleend, aangezien verweerder nog niet heeft beslist op de aanvraag om ontheffing door verzoeker 1. De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat in het besluit van 17 mei 2011 geen expliciet besluit tot weigering van ontheffing besloten ligt.

De stelling van verzoekers dat verweerder na het geven van de aanwijzing niet anders meer kan beslissen dan de ontheffing te weigeren, is, zelfs als dit juist zou zijn, onvoldoende om te concluderen dat verweerder al een besluit op het ontheffingsverzoek heeft genomen. Daaraan staat in de weg dat verweerder zelf, zowel in het besluit van 17 mei 2011 als in het verweerschrift heeft aangegeven nog een beslissing te gaan nemen op het ontheffingsverzoek.

Voor zover verzoekers bedoeld hebben aan te voeren dat zij redelijkerwijs hebben kunnen menen dat een besluit tot weigering van ontheffing ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift reeds tot stand is gekomen kan deze grond niet slagen. Nu het concept van 19 april 2011 duidelijk kenbaar een concept beslissing betreft, de reactie hierop van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 9 mei 2011 door verweerder zal worden betrokken in de definitieve besluitvorming en dit ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift nog niet was geschied hebben verzoekers niet redelijkerwijs kunnen menen dat reeds een definitief besluit omtrent de ontheffing was genomen.

Gelet op voorgaande is de voorzieningrechter van oordeel dat het bezwaarschrift van 29 juni 2011 niet ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Nu er geen ontvankelijk bezwaar is ingediend concludeert de voorzieningenrechter dat onderhavig verzoek niet voldoet aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde vereiste van processuele connexiteit.

Gelet hierop is het verzoek om voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk.

Nu verzoekers in de brief van 12 juli 2011 uitdrukkelijk hebben aangegeven dat het bij brief van 29 juni 2011 ingediende bezwaarschrift en het hiermee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening van 6 juli 2011 niet zijn gericht tegen de aanwijzing op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek voor verdere behandeling door te sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

2. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, en op 16 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.