Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1689

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
15/801531-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; voorbereiding invoer cocaine; voorbereiding invoer verdovende middelen; voorbereidingshandelingen; medeplegen; airbagmethode; bagagelabels; koffer; koffers; onbekende reisroute van de koffer.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van de invoer en vervoer van 14.993,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801531-10

Uitspraakdatum: 10 juni 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 maart 2011 en 30 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Monterrey Nuevo Leon, Mexico,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na ter terechtzitting van 30 mei 2011 toegestane wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 25 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 14993,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2010 tot en met 25 november 2010 te Mexico en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 1.4993,8 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe) tezamen en in vereniging:

- (volgens instructie) een koffer in ontvangst genomen van de drugsorganisatie op de luchthaven te Mexico en/of

- (volgens instructie) een ticket in ontvangst genomen voor de routes Mexico City - Amsterdam op 24 november 2010, Amsterdam - Parijs op 25 november 2010, Parijs - Amsterdam op 27 november 2010 en Amsterdam - Mexico City op 1 december 2010 en/of

- (volgens instructie) (een) koffer(s) ingecheckt op de luchthaven te Mexico voor de reis naar Nederland en/of Frankrijk en/of

- (volgens instructie) zelf ingecheckt te Mexico voor de reis naar Nederland en/of Frankrijk en/of (vervolgens) is hij daadwerkelijk naar Nederland afgereisd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesenveertig (46) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en tot verbeurdverklaring van het onder verdachte in beslag genomen geld.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Niet is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die cocaïne binnen Nederland heeft gebracht, nu de reisroute van de zwarte koffer, waarin de cocaïne verborgen was, niet duidelijk is geworden.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, overweegt de rechtbank als volgt. Op 25 november 2010 zagen verbalisanten dat op bagageband 16 in terminal 3 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, bagage werd gelost van vlucht KL686 vanuit Mexico City. Zij zagen een aantal bagagestukken met daaraan een transferbagagelabel op de band liggen, terwijl er geen passagiers meer stonden te wachten op hun bagage. Daarop besloten de verbalisanten samen met collega's van het Schipholteam, deze bagagestukken te onderwerpen aan een douanecontrole.

Tijdens de controle waren op het beeldscherm van het X-ray apparaat de contouren te zien van een aantal pakketten in een bagagestuk. Dit bagagestuk - een zwarte rolkoffer - werd vervolgens van de band gehaald. Aan de zwarte rolkoffer was een bagagelabel bevestigd met daarop de volgende gegevens: 0074KL225055, 176, [verdachte], AF2041 CDG 25 nov 18:55, KL686AMS, 2/35, PNR: 7U6GR9. De verbalisant opende de koffer en trof daarin een pakket aan.2 Bij het maken van een opening met een fretboortje in dit pakket bleef, na terugtrekking van dat boortje, daaraan een witte stof kleven die qua kleur en samenstelling op cocaïne leek. De aangetroffen stof is getest. De uitslag gaf een positieve kleurreactie, zodat aangenomen mocht worden dat de aangetroffen stof vermoedelijk cocaïne bevatte. De zwarte rolkoffer werd vervolgens in beslag genomen.

Uit de gegevens op het bagagelabel bleek dat door "[verdachte]" twee bagagestukken van in totaal 35 kilogram waren ingecheckt. Daarop hebben verbalisanten de overige bagagestukken die zij op bagageband 16 hadden aangetroffen, nagekeken. Zij troffen een bruine reistas aan met daaraan een bagagelabel met gegevens die overeenkwamen met de gegevens op het label aan de zwarte rolkoffer. In dit bagagestuk werden geen bijzonderheden aangetroffen. Vervolgens is besloten om de ten naam gestelde van de bagagestukken bij de uitgaande vlucht naar Parijs (CDG) aan te houden ter zake van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.3 Tijdens het instappen van de passagiers op vlucht AF2041 is door KLM personeel een persoon overgedragen die bleek te zijn [verdachte] (hierna: verdachte). Deze overhandigde aan verbalisanten een claimtag met daarop gegevens die overeenkwamen met de gegevens op het bagagelabel dat was aangetroffen aan de zwarte koffer. Verdachte is vervolgens overgebracht naar het detentiecentrum te Oude Meer. Op de binnenplaats van het detentiecentrum verklaarde verdachte ongevraagd dat hij niet een zwarte maar een rode koffer had ingecheckt.4

In de zwarte koffer zijn twee in cadeaupapier verpakte pakketten en een broek aangetroffen. In de broek bevond zich een vijftal pakketten en in de twee in cadeaupapier verpakte pakketten bevonden zich tien pakketten. In totaal werden vijftien pakketten aangetroffen, met een nettogewicht van 14993,8 gram. Van de pakketten zijn 15 representatieve monsters genomen die zijn ingeschreven onder de volgende nummers: AACP5567NL, AACP5528NL, AACP5525NL, AACP5527NL, AACP5529NL, AACP5530NL, AACP5531NL, AACP5533NL, AACP5552NL, AACP5551NL, AACP5548NL, AACP5579NL, AACP5550NL, AACP5523NL, AACP5532NL. Deze monsters zijn ter analyse overgebracht naar het Douane Laboratorium te Amsterdam.5 Het Douane Laboratorium heeft vastgesteld dat het materiaal van al deze monsters cocaïne bevatte.6

Verdachte heeft verklaard dat hij twee stuks bagage had ingecheckt in Mexico, te weten een rode en een bruine koffer. Verdachte kreeg deze rode koffer van een persoon genaamd "[opdrachtgever]". Verdachte had gehoord dat iemand een reis had gemaakt waarvoor hij 25000 pesos had gekregen. Via een andere persoon kwam verdachte in contact met iemand die namens hem contact heeft gelegd met [opdrachtgever]. Enige tijd hierna hoorde verdachte dat er een reis voor hem was geregeld. Verdachte moest in Mexico City een koffer inchecken die hij later niet meer op hoefde te halen.7 Daarna zou verdachte door de douanecontrole gaan in Nederland, om vervolgens door te reizen naar Parijs. Van daaruit zou hij via Amsterdam terug vliegen naar Mexico. Bij terugkomst in Mexico zou verdachte 25000 pesos krijgen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat er in de rode koffer zat, maar dat hij dacht dat het om amfetamine, cocaïne of marihuana ging. De bruine koffer was van verdachte zelf.8 Verdachte heeft verklaard dat hij de zwarte koffer niet heeft ingecheckt.9

Gevoerde verweren

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van 4 maart 2011 erop gewezen dat op de luchthaven Schiphol, op bagageband 16, drie koffers zijn aangetroffen die aan verdachte te linken zijn. De rode en bruine koffer die verdachte in Mexico heeft ingecheckt en de zwarte koffer met cocaïne waaraan een bagagelabel op naam van verdachte zat. Opvallend daarbij is dat alleen de bruine en zwarte koffer op dat moment voorzien waren van een bagagelabel op naam van verdachte. Op deze bagagelabels stond dat er door verdachte in Mexico twee stuks bagage waren ingecheckt met als eindbestemming Parijs. De raadsman heeft aangevoerd dat het hoogst onaannemelijk is dat een (derde) koffer zonder bagagelabel is meegereisd in het vliegtuig. Nu verdachte de rode en bruine koffer in Mexico heeft ingecheckt en ook uit de bagagelabels blijkt dat verdachte slechts twee koffers heeft ingecheckt, laat dat de mogelijkheid open dat de zwarte koffer met cocaïne eerst op de luchthaven Schiphol, door een malafide medewerker aldaar, aan de bagage is toegevoegd en van het bagagelabel dat oorspronkelijk aan de rode koffer zat, is voorzien. Het vorengaande geldt des te meer nu de koffers waaraan een bagagelabel bevestigd zat, niet conform deze labels in transfer naar Parijs zijn gegaan, maar in Amsterdam zijn gelost, aldus de raadsman. Naar het oordeel van de raadsman is derhalve niet vast te stellen dat de zwarte koffer vanuit Mexico (of vanuit een andere bestemming) naar Nederland is gekomen en de daarin aangetroffen cocaïne aldus is ingevoerd.10

De rechtbank heeft - in een andere samenstelling - op 18 maart 2011 een tussenvonnis gewezen waarin de officier van justitie werd opgedragen een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken omtrent de reisroute van de zwarte koffer en de gang van zaken op Schiphol omtrent het lossen van koffers. De rechtbank heeft daartoe twee vragen gesteld. Ten eerste is gevraagd of de reisroute van de zwarte koffer die was voorzien van een op naam van verdachte gesteld bagagelabel, nog was vast te stellen, en zo ja wat deze route dan was. Ten tweede is gevraagd hoe het te verklaren is dat de drie aan verdachte te linken koffers op bagageband 16 in bagagehal 3 terecht zijn gekomen en - ondanks de bagagelabels met daarop de eindbestemming Parijs - niet in transfer zijn gegaan.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 30 mei 2011 aangevoerd dat de antwoorden op deze vragen11 geen duidelijkheid bieden omtrent de gestelde vragen. De raadsman is van mening dat nu niet duidelijk is geworden waar de zwarte koffer vandaan komt, er geen bewijs is voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde zodat er vrijspraak zou moeten volgen.

Beoordeling

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat uit het aanvullende proces-verbaal van 20 april 2011 niet duidelijk wordt wat de reisroute van de zwarte koffer is geweest. Hierdoor kan niet vast komen te staan dat verdachte zelf de zwarte koffer met cocaïne heeft ingevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter ook zonder dat de exacte reisroute van de zwarte koffer bekend is, van betrokkenheid van verdachte bij het voorbereiden en bevorderen van de invoer en vervoer van cocaïne. Verdachte heeft zelf mensen benaderd om tegen betaling te smokkelen. Vervolgens heeft verdachte op verzoek van zijn opdrachtgevers een rode koffer ingecheckt op het vliegveld van Mexico City. Verdachte dacht dat het ging om amfetamine, cocaïne of marihuana. Vast staat derhalve dat verdachte opzettelijk anderen de gelegenheid heeft gegeven tot de invoer van illegale middelen. Dat de opdrachtgevers van verdachte de cocaïne niet in de rode koffer binnen Nederland hebben gebracht, maar daarvoor een andere koffer hebben gebruikt, te weten de zwarte koffer waarin de cocaïne is aangetroffen, doet daaraan niet af. Door de rode koffer in te checken heeft verdachte zijn identiteit als reiziger beschikbaar gesteld waarmee hij de invoer van cocaïne heeft voorbereid en bevorderd. Immers, doordat verdachte de rode koffer heeft ingecheckt, is er een bagagelabel beschikbaar gekomen dat door de organisatie gebruikt kon worden. Dit bagagelabel is door de organisatie aan de zwarte koffer, waarin de cocaïne is aangetroffen, bevestigd.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij in de periode van 21 november 2010 tot en met 25 november 2010 te Mexico en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 14.993,8 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- anderen gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft hij, verdachte

- volgens instructie een koffer in ontvangst genomen van de drugsorganisatie op de luchthaven te Mexico en

- volgens instructie een ticket in ontvangst genomen voor de routes Mexico City - Amsterdam op 24 november 2010, Amsterdam - Parijs op 25 november 2010, Parijs - Amsterdam op 27 november 2010 en Amsterdam - Mexico City op 1 december 2010 en

- volgens instructie koffers ingecheckt op de luchthaven te Mexico voor de reis naar Nederland en/of Frankrijk en

- volgens instructie zelf ingecheckt te Mexico voor de reis naar Nederland en/of Frankrijk en vervolgens is hij daadwerkelijk naar Nederland afgereisd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- daartoe gelegenheid te verschaffen

- voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding en bevordering van de invoer en vervoer van 14.993,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

In de omstandigheid dat verdachte de zorg heeft voor zijn hulpbehoevende moeder ziet de rechtbank aanleiding enigszins af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier gaat om voorbereidingshandelingen voor de invoer en het vervoeren van cocaïne en niet de invoer zelf. Tevens speelt daarbij de proceshouding van verdachte een rol. Reeds in een vroeg stadium heeft verdachte openheid van zaken gegeven.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank gelast de teruggave van een deel van het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggeven geldbedrag van € 1.670, te weten een bedrag van € 400,-.

De rechtbank is van oordeel dat het overige geldbedrag, te weten € 1.270 dient te worden verbeurdverklaard. Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 maart 2011 verklaard dat een deel van het onder hem in beslag genomen geldbedrag, te weten € 400,- van hem was en dat de rest van de organisatie afkomstig was. Het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag van €1.270 is mitsdien met betrekking tot het bewezen verklaarde feit verkregen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

ACHTTIEN (18) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd een geldbedrag van € 1.270,-.

Gelast de teruggave aan verdachte van een geldbedrag van € 400,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.S.P. Evers-Ederveen, voorzitter,

mr. J.J. Dijk en mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Dolfing,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2011.

Mr. A.M.S.P. Evers-Ederveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De voor het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts gebezigd tot het bewijs in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal d.d. 25 november 2010, dossierparagraaf 3.1, pagina 1.

3 Proces-verbaal d.d. 25 november 2010, dossierparagraaf 3.1, pagina 2.

4 Proces-verbaal d.d. 25 november 2010, dossierparagraaf 3.1, pagina 3.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2010, dossierparagraaf 3.8, pagina 3.

6 Rapport Douane Laboratorium d.d. 3 december 2010, kenmerk 13939 X 10, losbladig.

7 Proces-verbaal van verhoor d.d. 29 november 2010, dossierparagraaf 2.3, pagina 6.

8 Proces-verbaal van verhoor d.d. 29 november 2010, dossierparagraaf 2.3, pagina 7.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte (inbewaringstelling) d.d. 30 november 2010, losbladig.

10 Tussenvonnis Rechtbank Haarlem d.d. 18 maart 2011.

11 Proces-verbaal d.d. 20 april 2011.