Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1540

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
15-700573-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; poging tot doodslag; voorwaardelijk opzet; verminderd toerekeningsvatbaar; vordering benadeelde partij.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een bekende die een televisie kwam lenen. Verdachte werd kennelijk op enig moment door het gebruik van alcohol en het snuiven van Ritalin boos, waarna hij naar eigen zeggen 'door het lint ging'. Hij heeft een broodmes gepakt, het slachtoffer bij het hoofd gepakt en vervolgens dit mes in zijn hals gestoken. Dit is een ernstig feit, waardoor het slachtoffer letsel en schade is toegebracht. Het is aan het slachtoffer zelf te danken, door het mes uit zijn nek te trekken en zo snel mogelijk te vluchten, dat het gedrag van verdachte niet tot ernstiger gevolgen dan het ondergane letsel heeft geleid. Bovendien blijkt verdachte op een haar na de aorta in de hals van het slachtoffer te hebben gemist, zodat het steken niet tot dodelijke afloop heeft geleid. Deze gelukkige omstandigheid kan niet aan verdachte worden toegeschreven. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de gebeurtenis het slachtoffer ernstig heeft aangegrepen en dat hij van het gebeuren nog steeds psychische hinder ondervindt. De rechtbank rekent verdachte het feit dan ook zwaar aan. Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, waartoe voornoemde psycholoog Turk concludeert. De rechtbank ziet het middelengebruik van verdachte dan ook als onderdeel van zijn stoornis en de afhankelijkheid van verschillende middelen en de ADHD als één complexe stoornis, in de context zoals door de psycholoog omschreven. De psycholoog concludeert ook dat de kans op recidive als verhoogd moet worden aangemerkt. Deze kans kan verlaagd worden wanneer verdachte behandeld zal worden. De psycholoog adviseert een behandeling bij een forensisch psychiatrische kliniek of afdeling.

Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van ADHD van het gecombineerde type en afhankelijkheid van verschillende middelen, ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Volgens de psycholoog moet het middelengebruik van verdachte gezien worden als onderdeel van zijn stoornis, en de afhankelijkheid van verschillende middelen en de ADHD als één complexe stoornis. Verdachte is in een vicieus proces terecht gekomen waardoor zijn impulsiviteit gevaarlijke vormen heeft aangenomen. Daar staat tegenover dat verdachte wist of had kunnen weten dat het gebruik van middelen in stressvolle situaties gevaarlijke effecten kan veroorzaken. Een en ander afwegend adviseert de psycholoog verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt deze conclusie over en zal daarmee rekening houden bij de oplegging van de straf. De verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte sluit zijn strafbaarheid echter niet uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700573-10

Uitspraakdatum: 22 februari 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 februari 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Irvine (Groot Brittannië),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem, te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) met een (brood)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de keel/hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, waarvan een (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met als bijzondere voorwaarden het zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering zoals omschreven in het rapport van Palier, ook als zulks inhoudt het zich houden aan een meldingsgebod en het meewerken aan het door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) geïndiceerde behandelaanbod; en

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- teruggave van de in beslag genomen kleding aan verdachte.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden 1

Op 16 augustus 2010 ging [slachtoffer] naar het huis van verdachte aan de [adres], te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. Hij ging bij verdachte langs om zijn oude televisie, die hij enkele maanden daarvoor aan verdachte had geschonken, tijdelijk weer terug te nemen. Hij was samen met een vriend, [getuige].2

In de woning van verdachte werd dit besproken. Verdachte vond het goed dat [slachtoffer] de televisie mee zou nemen, wel spraken zij af dat hij de televisie een week later terug zou geven aan verdachte. [slachtoffer] haalde de televisie van een kastje en probeerde vervolgens in de gang plastic zakken over de televisie te doen, omdat het buiten regende.

Op het moment dat [slachtoffer] hiermee bezig was en gehurkt op de grond zat, kwam verdachte links naast hem staan en pakte hem met één hand vast bij zijn hoofd. Direct hierop zag [slachtoffer] dat verdachte in zijn andere hand, zijn linkerhand, een mes vasthield. Verdachte stak vervolgens in de hals van [slachtoffer] met dit mes.3 Ook [getuige] zag dat verdachte met zijn rechterarm [slachtoffer] om het hoofd vast pakte en met de linkerhand met daarin het mes in zijn hals stak. Volgens [getuige] betrof het een groot mes, een mes met kartels.4 [slachtoffer] voelde enorme pijn, hij voelde het warm worden in zijn nek.5 [getuige] zag dat verdachte het mes verder de hals van [slachtoffer] in duwde en dat hij met zijn hand een soort beweging maakte zoals iemand gas geeft met een brommer: verdachte bewoog zijn hand heen en weer. [getuige] zag dat er bloed begon te spuiten uit de hals van [slachtoffer].6 Vervolgens haalde [slachtoffer] uit met de schroevendraaier die hij in zijn hand had. Het lukte hem om met zijn linkerhand het mes vast te pakken. [getuige] en [slachtoffer] zijn vervolgens weggerend.7

[getuige] en [slachtoffer] meldden zich direct bij het politiebureau aan de Hoofdweg te Hoofddorp,8 waarna een ambulance [slachtoffer] naar het Spaarne ziekenhuis te Hoofddorp vervoerde.9 Na onderzoek in het ziekenhuis bleek dat [slachtoffer] veel geluk heeft gehad en dat het mes op een haar na zijn slagader heeft gemist. De steekverwonding in de hals is gehecht.10 Twee dagen later heeft ook een forensisch geneeskundige de wond van [slachtoffer] bekeken. Deze constateerde dat sprake was van een winkelhaakverwonding links in de hals.11 De wond bevond zich ter plaatse van de grote halsslagader (arteria carotis) en indien deze geraakt was, had het slachtoffer zeer gemakkelijk dood kunnen bloeden.12

Verdachte heeft ter terechtzitting de hiervoor weergegeven loop van gebeurtenissen bevestigd. Hij heeft toegegeven onder invloed van alcohol en gesnoven Ritalin genoemd slachtoffer in de hals te hebben gestoken met een broodmes. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het slachtoffer wel pijn en letsel te hebben willen toebrengen, hij heeft het slachtoffer echter niet willen doden.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft, door met zijn ene hand het hoofd van het slachtoffer vast te houden en met zijn andere hand een broodmes in de hals van het slachtoffer te steken, om vervolgens daarbij ook nog een draaiende beweging te maken met dat mes, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor dodelijke verwondingen zou oplopen. Naar het oordeel van de rechtbank was, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte heeft gehandeld, aldus zijn opzet ten minste voorwaardelijk op dat gevolg gericht.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 16 augustus 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vervolgens met een broodmes, in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Drs. R.S. Turk, GZ psycholoog, heeft onderzoek verricht naar de persoonlijkheid van verdachte en daartoe een Pro Justitia rapport, gedateerd 17 november 2010, opgesteld. In dat rapport komt de psycholoog - kort gezegd - tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van ADHD van het gecombineerde type en afhankelijkheid van verschillende middelen, ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Volgens de psycholoog moet het middelengebruik van verdachte gezien worden als onderdeel van zijn stoornis, en de afhankelijkheid van verschillende middelen en de ADHD als één complexe stoornis. Verdachte is in een vicieus proces terecht gekomen waardoor zijn impulsiviteit gevaarlijke vormen heeft aangenomen. Daar staat tegenover dat verdachte wist of had kunnen weten dat het gebruik van middelen in stressvolle situaties gevaarlijke effecten kan veroorzaken. Een en ander afwegend adviseert de psycholoog verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt deze conclusie over en zal daarmee rekening houden bij de oplegging van de straf. De verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte sluit zijn strafbaarheid echter niet uit.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van:

- het psychologisch Pro Justitia rapport d.d. 17 november 2010, opgemaakt door GZ psycholoog drs. R.S. Turk;

- het reclasseringsadvies d.d. 23 november 2010, opgemaakt door GGZ Reclassering Palier Haarlem; en

- het aanvullend reclasseringsadvies d.d. 4 februari 2011, opgemaakt door GGZ Reclassering Palier Haarlem.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een bekende die een televisie kwam lenen. Verdachte werd kennelijk op enig moment door het gebruik van alcohol en het snuiven van Ritalin boos, waarna hij naar eigen zeggen 'door het lint ging'. Hij heeft een broodmes gepakt, het slachtoffer bij het hoofd gepakt en vervolgens dit mes in zijn hals gestoken. Dit is een ernstig feit, waardoor het slachtoffer letsel en schade is toegebracht. Het is aan het slachtoffer zelf te danken, door het mes uit zijn nek te trekken en zo snel mogelijk te vluchten, dat het gedrag van verdachte niet tot ernstiger gevolgen dan het ondergane letsel heeft geleid. Bovendien blijkt verdachte op een haar na de aorta in de hals van het slachtoffer te hebben gemist, zodat het steken niet tot dodelijke afloop heeft geleid. Deze gelukkige omstandigheid kan niet aan verdachte worden toegeschreven. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de gebeurtenis het slachtoffer ernstig heeft aangegrepen en dat hij van het gebeuren nog steeds psychische hinder ondervindt. De rechtbank rekent verdachte het feit dan ook zwaar aan.

Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, waartoe voornoemde psycholoog Turk concludeert. De rechtbank ziet het middelengebruik van verdachte dan ook als onderdeel van zijn stoornis en de afhankelijkheid van verschillende middelen en de ADHD als één complexe stoornis, in de context zoals door de psycholoog omschreven. De psycholoog concludeert ook dat de kans op recidive als verhoogd moet worden aangemerkt. Deze kans kan verlaagd worden wanneer verdachte behandeld zal worden. De psycholoog adviseert een behandeling bij een forensisch psychiatrische kliniek of afdeling.

In het aanvullend reclasseringsadvies wordt het voorgaande uit het psychologisch rapport overgenomen, met de constatering dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. De rechtbank oordeelt dat Palier het rapport van voornoemde Turk gelet op de hiervoor onder 6. weergegeven conclusies uit het rapport onjuist heeft geciteerd.

Palier geeft in het advies voorts aan dat - op grond van een advies van de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) van het NIFP - een 8 tot 10 maanden durende behandeling bij de kliniek Groot Batelaar geïndiceerd is. Er is echter nog niet duidelijk of en wanneer verdachte daar terecht zou kunnen. Palier adviseert dan ook, naast een meldingsgebod, als bijzondere voorwaarde op te nemen dat verdachte dient mee te werken aan het door het IFZ geïndiceerde behandelaanbod. De rechtbank neemt dit advies over en zal met een eventueel te volgen behandeling en de mogelijke duur daarvan - in lichte mate - rekening houden bij de oplegging van de straf.

De rechtbank oordeelt voorts - anders dan de officier van justitie - dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar en niet als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, gelet op de genoemde psychologische rapportage. Daarom dient ten voordele van verdachte te worden afgeweken van de straf zoals door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank houdt ten slotte ten voordele van verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met GGZ Reclassering Palier, gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 1.100, - ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de gevorderde immateriële schade billijk voor. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

8.2. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 1.100,-.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig (26) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twaalf (12) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens GGZ Reclassering Palier Haarlem, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt het zich houden aan een meldingsgebod en het meewerken aan het door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie geïndiceerde behandelaanbod.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.100,- (elfhonderd euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.100,- (elfhonderd euro), vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2010, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1) 1.00 STK Trainingsbroek Kl:zwart 129080 met streep op de zijkant;

2) 2.00 STK Handschoen Kl:groen klus 129081.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Stalenhoef, voorzitter,

mr. Ph. Burgers en mr. A.A.F. Donders, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Zoethout,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 februari 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De voor het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts gebezigd tot het bewijs in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 39.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 40.

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 43.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 40.

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 44.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 40.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 55.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 56.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2010, dossierpagina 56; zie tevens een geschrift, te weten medische informatie van chirurg Eijsbouts van het Spaarne Ziekenhuis locatie Hoofddorp d.d. 23 september 2010 (losbladig).

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2010 met fotobijlage, dossierpagina 103.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2010 met fotobijlage, dossierpagina 104.