Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS8954

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
10/5617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag op grond van ingezetenschap. Alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat op de peildatum een voldoende duurzame band met Nederland bestaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5617 AKW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2011

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) voor [naam] over het 4e kwartaal van 2009 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 15 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 september 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 oktober 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 februari 2011, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. de Roo, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Verweerder is verschenen bij J.Y. van den Berg.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek in deze zaak met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld nader in te gaan op een recent arrest van de Hoge Raad.

De behandeling van het beroep is daarop voortgezet ter zitting van 4 augustus 2011, alwaar eiseres is verschenen bij mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van de gemachtigde, en verweerder bij mr. G.J. Oudenes.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit. Haar zoon [naam], geboren 22 mei 1998, heeft de Nederlandse nationaliteit. [naam] verblijft vanaf 2003 in Nederland en werd oorspronkelijk in Nederland opgevoed door de moeder van eiseres. Eiseres verbleef toen in Suriname. In juni 2007 is eiseres naar Nederland gekomen en heeft zij zelf de verzorging van [naam] weer op zich genomen. Bij beschikking van 18 februari 2009 heeft de rechtbank Amsterdam eiseres belast met de uitoefening van het gezag over [naam]. Op 9 juni 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. Bij beschikking van 1 december 2009 heeft eiseres met terugwerkende kracht vanaf 2 september 2009 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier gekregen. Op 8 juni 2009 heeft eiseres ten behoeve van [naam] kinderbijslag aangevraagd. Verweerder heeft kinderbijslag geweigerd vanaf het 2e kwartaal 2008 tot en met het 3e kwartaal 2009. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juni 2010 het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

2.2 Met ingang van het eerste kwartaal 2010 is aan eiseres ten behoeve van [naam] kinderbijslag toegekend. Op 23 april 2010 is een aanvraag ontvangen om toekenning kinderbijslag over het 4e kwartaal 2009. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat op de peildatum 1 oktober 2009, alle omstandigheden beoordelend, de binding van eiseres met Nederland nog niet sterk genoeg was om haar voor de toepassing van de AKW als ingezetene aan te merken.

2.3 Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Verweerder heeft zijn hier bestreden besluit nog getoetst aan de criteria die waren ontleend aan de bestendige jurisprudentie van de CRvB met betrekking tot begrip ‘ingezetenschap’ in de volksverzekeringswetten. In zijn arrest van 21 januari 2011 (LJN: BP1466) heeft de Hoge Raad (HR) uitgesproken dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. De vraag waar iemand woont dient te worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Daarnaast heeft de HR erop gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt, dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

2.4 De rechtbank ziet zich in dit geschil gesteld voor de vraag of tussen eiseres en Nederland op de peildatum 1 oktober 2009 een duurzame band van persoonlijke aard bestond.

2.5 In beroep heeft verweerder, vooruitlopend op een nog definitief te nemen beleidsstandpunt, aangegeven er in dit geval aan vast te houden dat op de peildatum hier in geding (nog) geen sprake was van ingezetenschap, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder in dit geval het ontbreken van een objectieve intentie in Nederland te blijven (onder verwijzing naar de door eiseres in 2009 ingevulde vragenlijst), het ontbreken van duurzame bewoning en het feit dat op de peildatum nog geen verblijfsvergunning was toegekend (die is achteraf met terugwerkende kracht toegekend). Het hebben van zelfstandige woonruimte per 1 januari 2010 en de toekenning van een verblijfsvergunning bij besluit van 1 december 2009 waren het omslagpunt om vanaf 1 januari 2010 wel ingezetenschap aan te nemen en kinderbijslag toe te kennen.

2.6 Eiseres stelt in beroep recht te hebben op kinderbijslag voor het 4e kwartaal 2009. Volgens eiseres bestaat er op 1 oktober 2009 een voldoende duurzame band met Nederland. Daarbij wordt erop gewezen dat door tussenkomst van de rechtbank het ouderlijk gezag over [naam] aan haar is verleend en bijstand is toegekend. Ook is met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning toegekend ingaande 2 september 2009. Voorts wordt betoogd dat de weigering van kinderbijslag over het 4e kwartaal 2009 in strijd komt met artikel 14 jo 8 EVRM in combinatie met het kinderrechtenverdrag. Het tegenwerpen van de verblijfsstatus, door het slechts aannemen van een voldoende band met Nederland vanaf datum verstrekking verblijfsvergunning in plaats van de datum ingang verblijfsvergunning, wordt discriminatoir geacht. Er is hier sprake van een kwetsbaar gezin dat in het licht van artikel 8 EVRM een bijzondere bescherming behoeft. De verplichting die op de staat rust houdt ook in het ondersteunen van de ouder bij de opvoeding, ontwikkeling en ontplooiing van [naam] door middel van het verstrekken van kinderbijslag. In dit geval, waar het een kind betreft met een duurzame band met Nederland en een moeder die verplicht is voor het kind te zorgen, is er geen rechtvaardiging voor het hanteren van een wachttijd bij het binnenkomen van Nederland.

2.7 De rechtbank stelt vast dat in deze casus de volgende omstandigheden van belang zijn:

-[naam] heeft de Nederlandse nationaliteit en verblijft vanaf 2003 in Nederland;

-de moeder van eiseres had sinds 2003 de voogdij over [naam], heeft hem opgevoed in Nederland en heeft ten behoeve van [naam] kinderbijslag ontvangen;

-eiseres is in 2007 naar Nederland gekomen (volgens de pleitaantekeningen voor de zitting van 9 februari 2011 om de zorg voor haar Nederlandse kinderen op zich te nemen);

-in 2008 heeft eiseres verzocht om haar weer te belasten met de uitoefening van het gezag over haar kinderen;

-bij beschikking van 18 februari 2009 van de rechtbank Amsterdam, sector civiel, is eiseres belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [naam];

-in genoemde beschikking van de rechtbank Amsterdam staat onder rechtsoverweging 3.1 “zij wil met de kinderen in Nederland blijven wonen”;

-sinds maart 2009 is eiseres lid van een kerkgenootschap (Jehovah’s Getuigen);

-met ingang van 3 april 2009 is aan eiseres bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend;

-in juni 2009 heeft eiseres een aanvraag om kinderbijslag ingediend;

-in juni 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning;

-bij besluit van 1 december 2009 is aan eiseres met terugwerkende kracht per 2 september 2009 een verblijfsvergunning toegekend, met als doel verzorging kind;

2.8 Alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, mede gelet op het beoordelingskader zoals dat door de HR in eerdergenoemd arrest van 21 januari 2011 is bepaald, ziet de rechtbank voldoende ondersteuning voor het oordeel dat eiseres op de peildatum 1 oktober 2009 woonplaats had in Nederland en als ingezetene van Nederland was aan te merken.

2.9 Het beroep is gegrond. De rechtbank komt niet meer toe aan een bespreking van de op het internationale recht gebaseerde beroepsgronden. De rechtbank zal met vernietiging van het bestreden besluit van 15 september 2010 en herroeping van het primaire besluit van 16 juni 2010, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf voorzien in de zaak door te bepalen dat aan eiseres over het 4e kwartaal van 2009 kinderbijslag op grond van de AKW toekomt.

2.10 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank kent ter zake van de verrichte proceshandelingen (indienen beroepschrift; bijwonen zitting en nadere zitting) 2,5 punt toe met een waarde van € 437,- per punt en bepaalt het gewicht van de zaak op gemiddeld. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt € 1092,50,-.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 15 september 2010;

3.3 herroept het primaire besluit van 16 juni 2010;

3.4 bepaalt dat aan eiseres over het 4e kwartaal van 2009 kinderbijslag op grond van de AKW toekomt;

3.5 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1092,50, te betalen aan eiseres.

3.6 draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.