Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS8921

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
15/840046-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; onderzoek Sunjata; mensensmokkel; witwassen; wapenbezit; Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan - kort gezegd - mensensmokkel. Verdachte heeft voor de te smokkelen personen valse paspoorten geregeld. Niet gebleken is dat verdachte het feit uit humanitair oogpunt heeft gepleegd. Verdachte fungeerde als tussenpersoon bij het verkrijgen van de valse paspoorten en voor de valse paspoorten diende veel geld betaald te worden. Verdachte heeft aldus een belangrijk aandeel gehad bij de smokkel. Door mensensmokkel wordt niet alleen het internationale overheidsbeleid inzake de bestrijding van mensensmokkel doorkruist maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het beeld en de positie van de legale vreemdeling daardoor kan worden geschaad. De rechtbank acht mensensmokkel dan ook een ernstig feit. Verdachte heeft voorts meerdere pistolen, een geluidsdemper, meerdere busjes pepperspray, een stroomstootwapen en diverse soorten munitie voorhanden gehad, waarvan hij het merendeel in zijn huis bewaard heeft. Verdachte had daarvoor geen wapenvergunning. Illegaal wapenbezit, en zeker in deze omvang, brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en de maatschappij in het algemeen. Als dergelijke wapens in handen vallen van kwaadwillenden is de potentiële schade zeer groot. Het gaat dan ook om een ernstig feit waarop forse vrijheidsstraffen staan. Verdachte was eveneens in het bezit van een vervalst paspoort. Valse en vervalste identiteitsdocumenten zijn bedoeld om de met de grensbewaking belaste autoriteiten te misleiden, hetgeen een ernstige inbreuk gemaakt op de belangen die met een deugdelijke grensbewaking worden gediend. Bovendien schaden valse en vervalste identiteitsdocumenten het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben in de juistheid van dergelijke documenten. Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan witwassen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Verdachte heeft zich aldus ook hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840046-10 (onderzoek Sunjata)

Uitspraakdatum: 29 juni 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 juni 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Mashhad (Iran),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1, zaaksdossier C1,

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2008 tot en met 2 april 2008 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meerdere althans een blanco Grieks(e) paspoort(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat blanco Griekse paspoort(en) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2, zaaksdossier C2,

hij, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 30 april 2010 te Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, twee personen, te weten:

- [gesmokkelde 1] ([geboortedatum] te Teheran, Iran) en/of

- [gesmokkelde 2] ([geboortedatum] te Teheran, Iran)

althans één of meer ander(en), behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

of die [gesmokkelde 1] en/of die [gesmokkelde 2] daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),(al dan niet tegen betaling van een geldbedrag of in het vooruitzicht gestelde beloning,)

(voor/aan) voornoemd(e) perso(o)n(en) - (die niet over een verblijfstitel voor Nederland

beschikte(n)) -

- ontmoet en/of opgevangen en/of onderdak geboden en/of onderdak geregeld (in de woning aan de [adres] te Amsterdam en/of in de woning aan de [adres] te Almere) en/of

- (al dan niet telefonisch) informatie verstrekt met betrekking tot de werkwijze van de smokkel (onder meer het verstrekken van (pas)foto's ten behoeve van een te vervalsen paspoort en/of over het ondernemen van een reis onder de naam van een ander) en/of

- geld geleend en/of verstrekt (om hun onkosten in Nederland te kunnen betalen) en/of

- vliegtickets en/of treintickets geregeld en/of betaald (voor de reis van Asterdam naar Bremen en van Bremen naar Edinburgh) en/of

- stukken verstrekt voor het valselijk op (laten) maken van reisdocumenten en/of

- (een) (ver)valst(e) (Frans(e)) paspoort(en) verstrekt en/of geregeld en/of

- begeleid in hun/zijn reis en/of vervoerd (in Amsterdam en/of op het Centraal Station van Amsterdam)

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was, terwijl verdachte van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

feit 3, zaaksdossier C5,

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2010 tot en met 06 september 2010 te Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer personen, te weten:

- [gesmokkelde 3] (geboren op [geboortedatum] te Mashad, Iran) en/of

- [gesmokkelde 4] (geboren op [geboortedatum] te Mashad, Iran)

althans één of meer ander(en), behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling

van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of bovengenoemde perso(o)n(en) daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

(al dan niet tegen betaling van een geldbedrag of in het vooruitzicht gestelde beloning),

uitnodigingsbrief/brieven en/of garantverklaring(en) ten behoeve van het verkrijgen van een toeristenvisum hebben/heeft ingevuld en hierin (in strijd met de waarheid) hebben/heeft vermeld, dat de reden van het aanvragen van een visum voor Nederland familiebezoek zou betreffen ten gevolge waarvan [gesmokkelde 3] en [gesmokkelde 4] - die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikte(n) - een visum konden aanvragen voor Nederland om zo toegang te krijgen tot Nederlands grondgebied,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis wederrechtelijk was en terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

feit 4, zaaksdossier C6 en C7,

hij op of omstreeks 14 september 2010 te Amsterdam, althans in Nederland een of meer wapens voorhanden heeft gehad te weten:

A. (aangetroffen op de [adres] te Amsterdam):

- een pistool (merk Walther, model P22, kaliber .22LR) en/of

- een pistool (merk Ceska Zbrojov-Praha, kaliber 6.35) en/of

- een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9mm)

(allen wapens van categorie III, onder 1)

en/of

- 50 kogelpatronen (kaliber .22LR) en/of

- 50 kogelpatronen (kaliber 6.53mm) en/of

- 15 kogelpatronen (kaliber 9mm)

(zijnde munitie van categorie III)

en/of een geluidsdemper (van categorie I onder 3)

en/of een extra magazijn (Walther P22) en/of een extra magazijn (Glock 26), bestemd voor een wapen van categorie III, onder 1

en/of een busje pepperspray (van categorie II onder 6) en/of

B. (aangetroffen op de [adres] te Amsterdam)

- een zwaard van 50 cm lang van categorie IV onder 2 en/of

- een busje pepperspray van categorie II onder 6 en/of

- een stroomstootwapen van categorie II onder 5 en/of

- een houten wapenstok van categorie IV onder 3;

feit 5, zaaksdossier C8,

hij op of omstreeks 14 september 2010 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek (voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [alias]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;

feit 6, zaaksdossier C9,

hij op of omstreeks 14 september 2010, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 25.315,00 euro en/of 365 Britse Ponden, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat:

- verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig (26) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 6, 7, 9, 10a en 65a worden onttrokken aan het verkeer;

- de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 4, 15a, 22a, 27a, 38a, 39a, 40a, 41a, 42a, 43a, 44a, 45a, 53a, 60a, 96a en 105a worden verbeurd verklaard;

- de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 23a, 50a, 51a, 115a en 116a worden terug gegeven aan verdachte;

- de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 52a, 54a en 114a worden teruggegeven aan de rechthebbende, de Koninklijke Marechaussee.

4. Bewijs

4.1 Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C1)

Verdachte wordt onder feit 1 - kort gezegd - verweten dat hij in vereniging met een of meer anderen blanco Griekse paspoorten heeft verworven, voorhanden gehad of overgedragen terwijl hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, waardoor verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken in het strafdossier slechts kan worden afgeleid dat verdachte doende was om voor anderen een koper voor de paspoorten te zoeken, maar dat de paspoorten steeds in het bezit van deze andere personen zijn geweest. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de paspoorten (een of meer) op enig moment feitelijk onder zich heeft gehad dan wel dat hij anderszins feitelijke zeggenschap over de paspoorten heeft gehad. Verdachte informeerde slechts voor deze personen. Verdachte heeft de blanco Griekse paspoorten (een of meer) derhalve niet verworven, voorhanden gehad of overgedragen zoals bedoeld en strafbaar gesteld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier C5)

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd, waardoor verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt op grond van de stukken in het strafdossier vast dat verdachte op

24 augustus 2010 met [medeverdachte] bij de Gemeente Amsterdam, Stadsdeel Oost, een uitnodiging garantverklaring heeft ingediend. Verdachte heeft deze uitnodiging garantverklaring vervolgens ook opgestuurd naar Iran. Op deze uitnodiging garantverklaring staat echter geen reisdoel vermeld. Slechts bij de visumaanvraag zoals door [gesmokkelde 3] en [gesmokkelde 4] gedaan bij de Nederlandse ambassade te Teheran (Iran) is als verblijfsdoel 'familiebezoek' vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aldus niet worden bewezen dat verdachte in strijd met de waarheid een uitnodigingsbrief of een gerantverklaring ten behoeve van het verkrijgen van een toeristenvisum heeft ingevuld door daarop te vermelden dat de reden voor het aanvragen van een visum familiebezoek was. De reden van de reis wordt immers niet op de ten laste gelegde uitnodigingsbrief of garantverklaring vermeld. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem onder feit 3 ten laste gelegde feit.

4.2 Redengevende feiten en omstandigheden1

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier C2)

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij het zich door [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] verschaffen van toegang tot Nederland. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is immers niet duidelijk geworden hoe en wanneer [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] in Nederland zijn aangekomen.

Evenmin is komen vast te staan dat verdachte en zijn medeverdachten genoemde personen uit winstbejag dan wel uit een gerichtheid op winstbejag behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat haar op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van enige relevante inbreng van verdachte voor wat betreft het verblijf van [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] in Nederland, laat staan van enig winstbejag hieromtrent. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit enkele tapgesprekken weliswaar kan worden afgeleid dat er betaald diende te worden voor via verdachte geregelde valse paspoorten, maar dat niet is gebleken dat verdachte daar zelf ook daadwerkelijk winst mee heeft gemaakt en dat dit in relatie met het verblijf van [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] in Nederland zou moeten worden bezien.

De vraag die de rechtbank aldus heeft te beantwoorden is of verdachte al dan niet in vereniging met zijn medeverdachten [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] behulpzaam is geweest bij de doorreis door Nederland en/of de toegang tot en doorreis door een andere lidstaat van de Europese Unie, terwijl verdachte wist of moest vermoeden dat die doorreis en die toegang wederrechtelijk waren. De rechtbank heeft bij beantwoording van die vraag de volgende redengevende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.

[gesmokkelde 1], geboren op [geboortedatum] te Teheran, Iran, en [gesmokkelde 2], geboren op [geboortedatum] te Teheran, Iran, zijn op een onbekend moment in Nederland aangekomen. Nadat de asielaanvraag van [gesmokkelde1] in Nederland was afgewezen is hij in de periode van september 2009 tot en met april 2010 op uitnodiging van medeverdachte [medeverdachte 2] enige tijd bij haar thuis, aan de [adres] te Amsterdam, verbleven. Vanaf medio december 2009 heeft ook [gesmokkelde 2] bij medeverdachte [medeverdachte 2] thuis verbleven. Op enig moment hebben [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] besloten om via Duitsland door te reizen naar Engeland.2 Voor deze reis heeft verdachte, via een derde onbekend gebleven persoon, valse Franse paspoorten voor [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] geregeld.3 Hiertoe diende [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] pasfoto's van henzelf aan verdachte te geven, welke foto's verdachte weer aan die derde persoon heeft verstrekt.4

Met betrekking tot het regelen van deze valse Franse paspoorten heeft [gesmokkelde1] verklaard dat verdachte daartoe door medeverdachte [medeverdachte 2] benaderd is.5 Verdachte heeft, geconfronteerd met een tapgesprek tussen [gesmokkelde1] en zijn moeder, waarin door [gesmokkelde1] gezegd wordt: 'Meneer [naam], die door [naam] was gedingesd, heeft ons vandaag die dinges gegeven', verklaard dat dit gesprek zijns inziens over paspoorten gaat en dat [naam] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) hem benaderd heeft omdat zij weet dat hij te vertouwen is.

Vorenstaande verklaringen vinden naar het oordeel van de rechtbank steun in verschillende andere tapgesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Zo zegt medeverdachte [medeverdachte 2] op 6 april 2010 tegen verdachte: 'ik heb het geld van de jongens opzij gelegd. (...) Ik zei tegen hem dat ik zal betalen zodra we van de man te horen krijgen dat het klaar is'. Over dit gesprek heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] met betalen wilde wachten totdat de paspoorten er waren. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte 2] op 21 april 2010 tweemaal contact gehad met verdachte waarin zij met verdachte over de paspoorten spreekt en te kennen geeft dat verdachte moet doorgeven dat de paspoorten snel geregeld moeten worden.6 Op grond van vorenstaande verklaringen en tapgesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat het medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest die verdachte benaderd heeft om de valse paspoorten te regelen.

Op 29 april 2010 zijn [gesmokkelde 2] en [gesmokkelde1] met de via verdachte geregelde valse Franse paspoorten en door henzelf aangeschafte tickets7 per trein vanaf Amsterdam richting Bremen (Duitsland) gereisd. Vanuit Bremen zouden zij blijkens onder hen aangetroffen vliegtickets met het vliegtuig verder reizen naar Edinburgh (Schotland). Gedurende de treinreis zijn zij echter in Bad Bentheim te Duitsland aangehouden voor het in het bezit hebben van valse reisdocumenten.8

Gelet op vorenstaande redegevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door medeverdachte [medeverdachte 2] is benaderd om voor [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] valse Franse paspoorten te regelen. Verdachte heeft deze paspoorten vervolgens via een derde onbekend gebleven persoon geregeld en heeft daartoe (pas)foto's van [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] verstrekt. Uiteindelijk zijn [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] met deze paspoorten op reis gegaan. Verdachte is [gesmokkelde1] en [gesmokkelde 2] op die manier tezamen en in vereniging met anderen behulpzaam geweest bij de doorreis door Nederland en toegang tot en doorreis door Duitsland, zijnde een lidstaat van de Europese Unie. Onder voornoemde omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte ook wist dat deze toegang en doorreis wederrechtelijk waren.

Nu de rechtbank slechts in zaaksdossier C2 tot bewezenverklaring van mensensmokkel zal komen acht de rechtbank op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen dat verdachte van dit bewezenverklaarde feit een gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossiers C6 en C7)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2011 afgelegd;

* het proces-verbaal binnentreden en doorzoeking, d.d. 15 september 2010, dossier C6 p.8-14;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.22-25;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.26-27;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.28-29;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.30-32;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.33-34;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.35-38;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.39-40;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.41-42;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C6 p.43-44;

* het proces-verbaal, d.d. 8 november 2010, dossier C6 p.45-48;

* het proces-verbaal van doorzoeking [bedrijf], d.d. 15 september 2010, dossier C7 p.7-9;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C7 p.13-14;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C7 p.17-18;

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C7 p.19-20 en

* het proces-verbaal, d.d. 23 september 2010, dossier C7 p.21-22.

Ten aanzien van feit 5 (zaaksdossier C8)

Op 14 september 2010 is ter aanhouding en doorzoeking de woning van verdachte aan de [adres] te Amsterdam betreden. Bij deze doorzoeking is in de linnenkast van de hoofdslaapkamer een nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek aangetroffen.9

Dit paspoort was voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [alias]. Voornoemd paspoort is onderzocht en vervalst bevonden daar het was voorzien van een vals Schengenvisum.10 Bij doorzoeking van het voertuig van verdachte op diezelfde datum is een pasfoto aangetroffen welke vermoedelijk is gebruikt om in te scannen en te printen op het Schengenvisum dat is aangetroffen in voornoemd paspoort.11

Verdachte heeft verklaard dat hij onderhavig paspoort in zijn auto gevonden heeft nadat hij zijn auto had uitgeleend aan een snorder. Deze snorder zou al twee jaar een kennis van verdachte zijn, echter verdachte weet zijn naam niet te noemen. Verdachte zou er vervolgens niet meer aan gedacht hebben het paspoort terug te geven.12

De rechtbank acht vorenstaande verklaring van verdachte, mede bezien in het licht van de omstandigheden waaronder het paspoort is aangetroffen, volstrekt ongeloofwaardig en slechts bedoeld om de waarheid te verhullen, te weten dat verdachte wist dat hij een vervalst paspoort in zijn bezit had. De rechtbank komt aldus tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 6 (zaaksdossier C9)

Op 14 september 2010 is ter aanhouding en doorzoeking de woning van verdachte aan de [adres] te Amsterdam betreden. Bij deze doorzoeking is in een jaszak van een bruine colbert een contant geldbedrag van 5.165 euro aangetroffen en in een slaapkamer is onder het matras van een kinderledikant een contant geldbedrag van 20.550 euro aangetroffen.13

Het onderzoek in deze zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd van het van enig misdrijf afkomstig zijn van deze gelden. Evenwel maken de volgende feiten en omstandigheden dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Uit navraag bij de Belastingdienst is gebleken dat over de jaren 2007 tot en met 2009 geen loon- of andere inkomensgegevens over verdachte bekend zijn.14 Uit onderzoek naar de administratie van de werkgever van verdachte is gebleken dat in het jaar 2008 9.398 euro en in het jaar 2009 14.577 euro aan salaris aan verdachte is betaald.15 Verdachte heeft verklaard dat hij geen uitkering, neveninkomsten, spaargeld en investeringen heeft.16 Op basis van deze gegevens blijkt uit informatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) dat verdachte, gezien zijn inkomsten, vaste lasten en gezinssamenstelling, maandelijks ongeveer tussen de 697 en 950 euro te kort zou komen om zijn maandelijkse lasten te kunnen dragen.17 Desondanks had verdachte een bijzonder groot contant geldbedrag voorhanden.

Als overwogen rechtvaardigen vorenstaande feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van deze gelden geeft. Verdachte heeft dit niet van meet af aan gedaan. Wel heeft hij uiteindelijk een verklaring voor de herkomst van de gelden afgelegd.

In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij thuis ongeveer 2.000 euro aan contant geld zou hebben liggen. Dit geld zou aan zijn werkgever [bedrijf] toebehoren en bestemd zijn om de huur en andere vaste lasten te betalen.18 Nadat verdachte op de hoogte is gesteld van de doorzoeking van zijn woning heeft verdachte verklaard dat hij thuis ongeveer 20.000 euro contant geld zou hebben liggen, welk geld zou toebehoren aan [bedrijf] en bestemd zou zijn voor de Belastingdienst.19 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het bij hem thuis aangetroffen geld aan [bedrijf] toebehoorde en bestemd was voor de gemeente en andere instanties. Vervolgens, na door de rechtbank te zijn geconfronteerd met zijn eerdere verklaringen, heeft verdachte verklaard dat dit geld door [bedrijf] gespaard was voor de Belastingdienst omdat dit de werkwijze van zijn boekhouder was.20

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aldus geen consistente verklaring afgelegd over de hoeveelheid en de bestemming van het geld. Verdachte heeft in eerste instantie een aanmerkelijk lager geldbedrag genoemd dan hij daadwerkelijk thuis had liggen en komt, na hiermee geconfronteerd te zijn, met verschillende verklaringen. Deze verklaringen van verdachte zijn voorts vaag en niet te verifiëren en vinden ook geen steun in de administratie van [bedrijf]. Overigens heeft de boekhouder van [bedrijf], ondanks dat het onderwerp ter sprake is gekomen, ook niet verklaard dat hij [bedrijf] opdracht heeft gegeven contant geld te sparen voor de Belastingdienst.21 Ten slotte ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede een dergelijk groot geldbedrag, met alle risico's van dien, bij een werknemer thuis te bewaren terwijl het bedrijf over een bankrekening beschikte.

Nu verdachte ten aanzien van het gerechtvaardigd vermoeden dat de aangetroffen gelden afkomstig zijn van enig misdrijf geen concrete verifieerbare verklaring heeft kunnen dan wel willen geven en voorts op punten zeer onwaarschijnlijk verklaart, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen gelden afkomstig zijn van enig misdrijf. Onder die omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte dit ook wist.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 2, feit 4, feit 5 en feit 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 2, zaaksdossier C2,

hij, tezamen en in vereniging met anderen, op één of meer tijdstippen in de periode van

1 september 2009 tot en met 30 april 2010 te Amsterdam, twee personen, te weten:

- [gesmokkelde 1] ([geboortedatum] te Teheran, Iran) en

- [gesmokkelde 2] ([geboortedatum] te Teheran, Iran)

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland, en/of een andere lidstaat van de Europese Unie,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders,

(voor/aan) voornoemde personen - die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikten -

- ontmoet en

- stukken verstrekt voor het valselijk op (laten) maken van reisdocumenten en

- valse Franse paspoorten verstrekt en geregeld

terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat die toegang en die doorreis wederrechtelijk was;

feit 4, zaaksdossier C6 en C7,

hij op 14 september 2010 te Amsterdam een of meer wapens voorhanden heeft gehad te weten:

A. (aangetroffen op de [adres] te Amsterdam):

- een pistool (merk Walther, model P22, kaliber .22LR) en

- een pistool (merk Ceska Zbrojov-Praha, kaliber 6.35) en

- een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9mm)

(allen wapens van categorie III, onder 1)

en

- 50 kogelpatronen (kaliber .22LR) en

- 50 kogelpatronen (kaliber 6.53mm) en

- 15 kogelpatronen (kaliber 9mm)

(zijnde munitie van categorie III)

en een geluidsdemper (van categorie I onder 3)

en een extra magazijn (Walther P22) en een extra magazijn (Glock 26), bestemd voor een wapen van categorie III, onder 1

en een busje pepperspray (van categorie II onder 6) en

B. (aangetroffen op de [adres] te Amsterdam)

- een zwaard van 50 cm lang van categorie IV onder 2 en

- een busje pepperspray van categorie II onder 6 en

- een stroomstootwapen van categorie II onder 5 en

- een houten wapenstok van categorie IV onder 3;

feit 5, zaaksdossier C8,

hij op 14 september 2010 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van de Dominicaanse Republiek (voorzien van het nummer [nummer] en op naam gesteld van [alias]), waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was;

feit 6, zaaksdossier C9,

hij op 14 september 2010, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 25.315,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

5.1 Ontslag van alle rechtsvervolging

Voor zover de rechtbank onder rechtsoverweging 4.3 ten aanzien van feit 4 bewezen heeft verklaard dat verdachte een zwaard en een houten wapenstok, zijnde wapens van categorie IV, voorhanden heeft gehad, oordeelt de rechtbank dat dit geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient derhalve voor het voorhanden hebben van deze wapens te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2, zaaksdossier C2,

mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.

feit 4, zaaksdossier C6 en C7,

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

feit 5, zaaksdossier C8,

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is

feit 6, zaaksdossier C9,

witwassen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties en de maatregel

7.1.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan - kort gezegd - mensensmokkel. Verdachte heeft voor de te smokkelen personen valse paspoorten geregeld. Niet gebleken is dat verdachte het feit uit humanitair oogpunt heeft gepleegd. Verdachte fungeerde als tussenpersoon bij het verkrijgen van de valse paspoorten en voor de valse paspoorten diende veel geld betaald te worden. Verdachte heeft aldus een belangrijk aandeel gehad bij de smokkel. Door mensensmokkel wordt niet alleen het internationale overheidsbeleid inzake de bestrijding van mensensmokkel doorkruist maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het beeld en de positie van de legale vreemdeling daardoor kan worden geschaad. De rechtbank acht mensensmokkel dan ook een ernstig feit.

Verdachte heeft voorts meerdere pistolen, een geluidsdemper, meerdere busjes pepperspray, een stroomstootwapen en diverse soorten munitie voorhanden gehad, waarvan hij het merendeel in zijn huis bewaard heeft. Verdachte had daarvoor geen wapenvergunning. Illegaal wapenbezit, en zeker in deze omvang, brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en de maatschappij in het algemeen. Als dergelijke wapens in handen vallen van kwaadwillenden is de potentiële schade zeer groot. Het gaat dan ook om een ernstig feit waarop forse vrijheidsstraffen staan.

Verdachte was eveneens in het bezit van een vervalst paspoort. Valse en vervalste identiteitsdocumenten zijn bedoeld om de met de grensbewaking belaste autoriteiten te misleiden, hetgeen een ernstige inbreuk gemaakt op de belangen die met een deugdelijke grensbewaking worden gediend. Bovendien schaden valse en vervalste identiteitsdocumenten het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben in de juistheid van dergelijke documenten.

Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan witwassen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Verdachte heeft zich aldus ook hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

In de door en namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van soortgelijke feiten in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.1.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(4) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(15a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(27a) 4 STK Simkaart;

(41a) Geld, 500 euro;

(42a) Geld, 2400 euro;

(43a) Geld, 8400 euro;

(44a) Geld, 9250 euro;

(45a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(53a) 1 STK Gasbusje;

(60a) 1 STK Enveloppe;

(96a) 1 STK Simkaart en

(105a) 1 STK Agenda,

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7.2 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp, te weten:

(65a) 1 STK Pasfoto,

dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder feit 5 bewezenverklaarde feit met betrekking tot dit voorwerpen is begaan of voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van genoemde pasfoto is - aangezien deze vermoedelijk gebruikt is voor het vervalsen van een paspoort - eveneens in strijd met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

(6) 1 STK Kentekenplaat en

(7) 1 STK Kentekenplaat;

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen is in strijd met de wet.

7.3 Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

(52a) 2 STK Handboei;

(54a) 1 STK Vest en

(114a) 1 STK Vest,

dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen toebehoren aan de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank zal derhalve de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, te weten de Koninklijke Marechaussee, gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 197a, 231 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 2, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het bewezen verklaarde gedeelte van feit 4 als hiervoor onder 5.1 weergegeven

Bepaalt dat de overige bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5.2 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

TWINTIG (20) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

(4) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(15a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(27a) 4 STK Simkaart;

(41a) Geld, 500 euro;

(42a) Geld, 2400 euro;

(43a) Geld, 8400 euro;

(44a) Geld, 9250 euro;

(45a) 1 STK Telefoontoestel, Nokia;

(53a) 1 STK Gasbusje;

(60a) 1 STK Enveloppe;

(96a) 1 STK Simkaart en

(105a) 1 STK Agenda.

Onttrekt aan het verkeer:

(6) 1 STK Kentekenplaat;

(7) 1 STK Kentekenplaat en

(65a) 1 STK Pasfoto.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

(9) 1 STK Honkbalknuppel;

(10a) 2 STK Steekwapen;

(22a) 1 STK Computer, Acer;

(23a) 1 STK Computer, Apple;

(38a) Geld, 200 Pound;

(39a) Geld, 60 Pound;

(40a) Geld, 5 Pound Sterling;

(50a) 1 STK Printer, Farco;

(51a) 1 STK Printer, Farco;

(115a) 8 STK Zakhorloge en

(116a) 15 STK Munt.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, te weten de Koninklijke Marechaussee, van:

(52a) 2 STK Handboei;

(54a) 1 STK Vest en

(114a) 1 STK Vest.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,

mr. W.A.F. Jansen en mr. J. Candido, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Kikkert,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2011.

Mr. W.A.F. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen en behoren allen, behalve indien anders is aangegeven, tot het dossier van de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Brigade Recherche en Informatie, met dossiernummer 10-000035 en dossiernaam Sunjata.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [gesmokkelde 1], d.d. 29 september 2010, dossier C2 p.470 en 478-boven, het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], d.d. 20 september 2010, dossier C2 p.1014-boven/midden, het proces-verbaal van verhoor van getuige [gesmokkelde 2], d.d. 29 september 2010, dossier C2 p.484-midden en het proces-verbaal van verhoor van [getuige], d.d. 15 september 2010, dossier C2 p.1042-midden.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 16 september 2010, dossier C2 p.900-boven.

4 De tapgesprekken, d.d. 18 maart 2010 23.38 uur, 22 maart 2010 14.32 uur en 7 april 2010 17.55 uur, dossier C2 p.83, p.84 en p.97.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [gesmokkelde 1], d.d. 29 september 2010, dossier C2 p.478-onder.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 16 september 2010, dossier C2 p.903-onder, 904-boven, 908-midden, 909-midden en 910-midden.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [gesmokkelde 1], d.d. 29 september 2010, dossier C2 p.479-boven.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 augustus 2010, dossier C2 p.395-396 en Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 november 2010, dossier C2 p.419-420.

9 Het proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking, d.d. 15 september 2010, dossier C8 p.7-midden en 11-midden.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 28 september 2010, dossier C8 p.21.

11 Het proces-verbaal van bevindingen A7, d.d. 8 oktober 2010, dossier C8 p.34-35.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 15 oktober 2010, dossier C8 p.46-geheel en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2011.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 oktober 2010, dossier C9 p.38-midden/onder.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 maart 2010, dossier C9 p.24-boven.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 november 2010, dossier C9 p.74-midden en 77-onder.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 15 september 2010, dossier C9 p.19-midden en 20-midden.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 november 2010, dossier C9 p.278-onder.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 15 september 2010, dossier C9 p.19-midden.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], d.d. 15 oktober 2010, dossier C9 p.49-midden.

20 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2011.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], d.d. 4 oktober 2010, dossier C9 p.60-64.