Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS8704

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
15/800396-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; witwassen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk bedrag, namelijk 74.685 euro, terwijl hij wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was, en heeft geprobeerd dit geld naar het buitenland te brengen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en de maatschappij veel schade toegebracht. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder de mogelijkheid van het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezen verklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele voorhanden hebben door verdachte van het geldbedrag dat afkomstig zou zijn uit een door hemzelf begaan misdrijf, zoals door de officier van justitie is gesteld, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag (Hoge Raad 26 oktober 2010, LJN BM4440). De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. De tekst noch de geschiedenis van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht staat eraan in de weg dat een feit begaan door iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven over het misdrijf waarvan het geld afkomstig is en wanneer en door wie dit misdrijf is gepleegd. De onderhavige situatie is derhalve niet overeenkomstig de situatie zoals bedoeld in het door de verdediging aangehaalde arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800396-11

Uitspraakdatum: 12 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Curaçao,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2011, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 74.685,- euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 23 maart 2011 werd verdachte op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangesproken door een douaneambtenaar. Verdachte was op uitreis naar Curaçao. De douane deelde bij die gate flyers uit waarop was te lezen dat indien men bij het verlaten van de Europese Unie 10.000 euro of meer bij zich heeft, hiervan aangifte dient te worden gedaan bij de Douane. Verdachte deelde desgevraagd mede aan de douaneambtenaar dat hij 2.500 euro bij zich had. De verbalisant merkte op dat, nadat hij aan verdachte had medegedeeld dat hij zijn handbagage wilde controleren, de handen van verdachte trilden. In het tasje dat verdachte bij zich had, trof de verbalisant onder andere een portemonnee en een envelop met opdruk van ING aan. In de portemonnee zaten 26 biljetten van 100 euro, 41 biljetten van 50 euro, 1 biljet van 20 euro en 3 biljetten van 5 euro en in de envelop zaten 100 biljetten van 100 euro. De totale waarde van de biljetten die in de handbagage van verdachte werden aangetroffen, bedroeg 14.685 euro. Verdachte verklaarde desgevraagd dat hij het geld had gespaard en had opgenomen van de bank, maar dit nu niet kon aantonen. Op de vraag waarom verdachte in eerste instantie had gemeld dat hij slechts 2.500 euro bij zich had, antwoordde verdachte dat hij bij de securitycheck bij het mobiele aangiftepunt van de douane had gezegd dat hij niets bij zich had. Als reden hiervoor gaf verdachte op dat hij in de file stond en daardoor te weinig tijd had om in te checken. Een derde verbalisant was het echter opgevallen dat verdachte voor het inchecken geduldig aan het wachten was op het moment dat hij kon gaan boarden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij werkzaam is bij een verhuisbedrijf en dat hij hiermee 1.500 euro netto verdient.

De ruimbagage van verdachte is vervolgens aan een onderzoek onderworpen. In de koffer werd onder andere een paar bootschoenen aangetroffen. Na het verwijderen van de opgerolde sokken uit de bootschoenen zag de verbalisant een zwarte sok met daarin een rechthoekig pakket. In dit pakket zat een stapel bankbiljetten. In zowel de linker als de rechter bootschoen zat een pakket met bankbiljetten met een totale waarde van 20.000 euro (bestaande uit 171 bankbiljetten van 100 euro en 58 bankbiljetten van 50 euro). Voorts werd in de koffer een paar zwarte sportschoenen aangetroffen. Nadat de verbalisant de opgerolde sokken uit de sportschoen had gehaald, zag hij een zwarte sok met daarin een rechthoekig pakket. Ook in dit pakket zat een stapel bankbiljetten. In de rechter en linker sportschoen werden vier pakketten bankbiljetten aangetroffen met een totale waarde van 40.000 euro (bestaande uit 6 bankbiljetten van 500 euro, 5 bankbiljetten van 200 euro, 221 bankbiljetten van 100 euro en 278 bankbiljetten van 50 euro).

De waarde van de bankbiljetten die zich in de handbagage en ruimbagage bedroeg in totaal 74.685 euro.2

Het is een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld en dat de luchthaven Schiphol een doorvoerhaven is voor dat criminele geld, waarbij veelal coupures die een hoge waarde vertegenwoordigen in omloop zijn, het gangbare (bancaire) betalingsverkeer wordt vermeden en het geld fysiek wordt vervoerd.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat van verdachte - gelet op de aard, de hoogte en de wijze van vervoer van het bij hem aangetroffen bedrag, namelijk in verhullende vorm - een verklaring mag worden verlangd omtrent de herkomst van het geld, temeer nu in zijn handbagage een digitale weegschaal is aangetroffen waarop sporen van cocaïne zijn aangetroffen3 en op het adres [adres] te Utrecht, waar verdachte naar zijn zeggen regelmatig verbleef,4 een weegschaal met sporen van cocaïne en amfetamine, 3,06 gram cocaïne en vier pillen bevattende mCPP zijn aangetroffen.5 Wil een dergelijke verklaring als betrouwbaar en geloofwaardig worden aangemerkt, dan moet het gaan om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst.

Verdachte heeft op 23 maart 2011 bij de douane verklaard, zoals hiervoor vermeld, dat hij 1500 euro netto per maand verdiende en het geld dat hij bij zich had, had gespaard en opgenomen van de bank. Bij zijn verhoor bij de Koninklijke Marechaussee op 23 maart 2011 heeft verdachte verklaard dat hij tussen de 800 en 1000 euro per maand verdiende bij een verhuisbedrijf.6 Tijdens de (verdere) verhoren heeft verdachte zich op verdere vragen over de herkomst van het geld beroepen op zijn zwijgrecht.

Bij navraag bij het verhuisbedrijf waar verdachte verklaarde te werken, was hij niet bekend als vaste kracht. Bij het bedrijf waarvan het verhuisbedrijf uitzendkrachten betrok, kende men de naam van verdachte niet en kwam hij niet in het bestand voor.7 In de periode van 4 oktober 2010 tot en met 4 maart 2011 zijn ook geen telefonische contacten geweest tussen het telefoonnummer van verdachte en de hem bekende nummers van deze twee bedrijven.8 Bij de belastingdienst was met betrekking tot verdachte in 2010 geen inkomen bekend en in 2008 en 2009 had verdachte een inkomen van 2.773 euro respectievelijk 2.824 euro. Verdachte had op 31 december 2008 en 31 december 2009 geen spaartegoeden op de bij de belastingdienst bekende bankrekeningen.9 De bankrekening van verdachte bij ABN-AMRO is in de periode januari 2010 tot en met maart 2011 hoofdzakelijk gebruikt voor het betalen van kleine uitgaven en rekeningen en een aantal pinopnames variërend van 10,- tot 100,- euro, voor het laatst - behoudens een opname van 50,- euro op de dag vóór de aanhouding van verdachte - op 4 oktober 2010 (10,- euro). Het saldo op de rekening is in de periode januari 2010 tot en met maart 2011 overwegend negatief. Wel is daarop een aantal contante stortingen gedaan, waaronder - kort voor de aanhouding van verdachte - een bedrag van 1.000,- euro op 14 maart 2011 en 900,- euro op 22 maart 2011.10 Daar komt bij dat verdachte vanaf medio december 2010 gedurende anderhalve maand contante aankopen van in totaal 4.152,50 euro heeft verricht.11

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van verdachte de legale herkomst van het aangetroffen geld in zoverre niet aannemelijk is geworden en derhalve niet als betrouwbaar en geloofwaardig kan worden aangemerkt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het geld dat hij op 23 maart 2011 bij zich had, heeft gespaard van het geld dat hij vanaf 2008 heeft verdiend met zwart werken. Verdachte heeft verklaard dat hij verschillende klusjes heeft gedaan, zoals verhuizen, schilderen, vloeren verwijderen, tapijt leggen en slopen en het geld dat hij daarmee verdiende, thuis bewaarde. Deze verklaring van verdachte, waar hij voor het eerst ter terechtzitting mee is gekomen, is op geen enkele wijze onderbouwd. Verdachte kan, dan wel wil, geen namen of adressen noemen van personen/bedrijven of andere nadere gegevens geven over de klussen die hij heeft verricht, zodat het niet mogelijk is zijn verklaring over de herkomst van het geld te verifiëren.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de door verdachte ter zitting gestelde herkomst van het onder hem aangetroffen contante geld van in totaal € 74.685,- onvoldoende concreet en betrouwbaar is. De verklaring van verdachte kan derhalve ook in zoverre niet als betrouwbaar en geloofwaardig worden aangemerkt.

De wisselende verklaringen van verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld en het uitblijven van enige aannemelijke verklaring over die herkomst leiden de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf is verkregen, en dat verdachte dit - gezien de wijze waarop het geld in zijn bagage was verstopt - wist. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 23 maart 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 74.685 euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezen verklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het enkele voorhanden hebben door verdachte van het geldbedrag dat afkomstig zou zijn uit een door hemzelf begaan misdrijf, zoals door de officier van justitie is gesteld, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag (Hoge Raad 26 oktober 2010, LJN BM4440).

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. De tekst noch de geschiedenis van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht staat eraan in de weg dat een feit begaan door iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte heeft geen enkel inzicht gegeven over het misdrijf waarvan het geld afkomstig is en wanneer en door wie dit misdrijf is gepleegd. De onderhavige situatie is derhalve niet overeenkomstig de situatie zoals bedoeld in het door de verdediging aangehaalde arrest.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk bedrag, namelijk 74.685 euro, terwijl hij wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was, en heeft geprobeerd dit geld naar het buitenland te brengen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en de maatschappij veel schade toegebracht. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder de mogelijkheid van het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke vrijheidstraf.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat geld dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee weegschalen, 3,06 gram cocaïne en 4 pillen met smiley logo, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze goederen behoren de verdachte kennelijk toe. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen kunnen dienen tot het plegen van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, in beslag genomen voorwerpen is in strijd met de wet en/of het algemeen belang. Ten aanzien van de twee weegschalen is de rechtbank van oordeel dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang omdat de geur van cocaïne er mogelijk nog aan zit.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36d, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

1 Geld Nederlands, 218 x 100 en 100 x 50 ibg 28-3-2011,

2 Geld Nederlands 300 x 100 ibg 23-3-2011

3 Geld Nederlands 6 x 500, 5 x 200, 277 x 50, 1 x 20 en 3 x 5 ibg 23-3-2011.

Onttrekt aan het verkeer:

1 1.00 stk weegschaal,

2 1.00 stk weegschaal van het merk Tanita,

3 3,06 gr cocaïne, zakje wit poeder,

4 4.00 stk pil, 4 pillen met smiley logo.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. I.H. Lips en G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M.A. Richelle,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2011.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 24 maart 2011 (AH-001).

3 Het proces-verbaal insturen weegschaal naar NFI d.d. 9 mei 2011 (AH-025) en het door dr. M.A. Hoitink opgestelde deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met NFI zaaknummer 2011.04.08.001, aanvraagnummer 003 d.d. 3 mei 2011 (AH-025d).

4 De ter terechtzitting van 29 juli 2011 afgelegde verklaring van verdachte.

5 Het proces-verbaal van insturen weegschaal naar NFI d.d. 7 mei 2011 (AH-026) en het door dr. M.A. Hoitink opgestelde deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met NFI zaaknummer 2011.04.08.001, aanvraagnummer 002, d.d. 3 mei 2011 (AH-026d). Het proces-verbaal van insturen pillen en poeder naar NFI d.d. 28 april 2011 (AH-027 met bijlage AH-027a) en het deskundigenrapport Identificatie van drugs- en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut met NFI zaaknummer 2011.04.08.001, aanvraagnummer 001, d.d. 21 april 2011 (AH-027d).

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 maart 2011 (V1-01).

7 Het proces-verbaal van vordering [verhuisbedrijf] d.d. 26 mei 2011 (AH-030).

8 Het proces-verbaal uitlezen verstrekte verkeersgegevens telefoonnummer [mobiele telefoonnummer] (AH-036).

9 Het proces-verbaal van onderzoek inkomen verdachte d.d. 6 juni 2011 (AH-046) met bijlagen (D-018, D-019, D-020).

10 Het proces-verbaal opvragen rekeningafschriften [rekeningnummer] (AH-047) met bijlage (D-021).

11 Het proces-verbaal aantreffen aankoopbonnen Louis Vuitton/D&G/Gucci op naam van [verdachte] (AH-022) met bijlage (D-015).