Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS8690

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10/3368
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, derde lid, WRO voor het permanent wonen in recreatiewoningen. De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (gba) is geen zelfstandig vereiste in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bro 1985. Verweerder dient bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g ten derde, van het Bro 1985 naast de inschrijving in de gba ook andere omstandigheden, waaronder gegevens van de belastingdienst, overzichten van gebruik van gas, licht en water en verklaringen van andere betrokkenen, die aannemelijk kunnen maken dat sprake is van permanente bewoning, bij zijn oordeel te betrekken. Verweerder heeft niet gemotiveerd om welke redenen met de door eiser overgelegde stukken en het door hem gedane bewijsaanbod niet kan worden vastgesteld dat eiser op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze vanaf dat moment onafgebroken heeft bewoond. Aldus heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 – 3368

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2011

in de zaak van:

[eiseres],

wonende op chaletpark ‘[naam]’ te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland,

verweerder,

derde partij:

[naam],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M. Jue, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2009 heeft verweerder geweigerd eiseres een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor het permanent wonen in haar recreatiewoning op het chaletpark ‘[naam]’ aan de [adres], te [plaatsnaam], op nummer [nummer].

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 1 juni 2010 heeft verweerder met overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften het bestreden besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het beroep is - gelijktijdig met een aantal andere beroepen inzake de permanente bewoning van recreatiewoningen - behandeld ter zitting van 12 juli 2011, alwaar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Meyer en E. Kluijskens, beiden werkzaam bij de gemeente Wormerland.

De derde partij en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres gebruikt haar recreatiewoning gelegen aan de [adres], op chaletpark [plaatsnaam], ten behoeve van permanente bewoning. De recreatiewoning is in 2000/2001 gerealiseerd. Eiseres staat vanaf 19 februari 2004 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: gba) op het adres van haar recreatiewoning.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vrijstelling op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) geweigerd. Volgens verweerder staat eiseres sedert 19 februari 2004 ingeschreven in de gba van [gemeente]. Eiseres heeft niet aangegeven dat dit onjuist is en heeft ook geen stukken overhandigd waaruit zou blijken dat zij voor 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze onafgebroken heeft bewoond. Daarmee voldoet eiseres niet aan de vereisten genoemd in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bro 1985 en komt zij niet in aanmerking voor een persoonsgebonden vrijstelling.

2.3 Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat zij sinds 1 november 2001 de recreatiewoning als woning in gebruik heeft en deze onafgebroken bewoont. Zij heeft, in verband met haar echtscheiding, tot 19 februari 2004 in de gba ingeschreven gestaan op het adres van haar broer en schoonzus. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de recreatiewoning al sinds 2001 permanent bewoont, heeft eiseres overzichten overgelegd van verbruikte elektra, gas en licht en voorts gesteld dat de eigenaren van de chalets 28, 25, 27, 10 en 29 bereid zijn te verklaren dat zij vanaf 1 november 2001 permanent verblijf houdt op het park. Eiseres heeft ter zitting aanvullend gesteld dat zij gegevens van de belastingdienst en de ziektekostenverzekering kan overleggen waarmee zij de onafgebroken bewoning kan aantonen.

2.4 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingevoerd. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing blijft indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend. De aanvraag is ingediend op 25 april 2008. Hieruit volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding.

2.5 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Volgens het overgangsrecht – artikel 9.1.11 van de Invoeringswet Wro – blijven de bepalingen uit de WRO van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008. Hieruit volgt dat de WRO van toepassing is op dit geding.

2.6 Artikel 19, derde lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

2.7 Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bro 1985, zoals dat van 1 juni 2007 tot 1 juli 2008 luidde, komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

3e. de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen.

2.8 Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat slechts de inschrijving op een bepaald adres in de gba voldoende is om uit te gaan van permanente bewoning van de recreatiewoning, is dit standpunt onjuist. De inschrijving in de gba is geen zelfstandig vereiste in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bro 1985. Verweerder dient bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g ten derde, van het Bro 1985 naast de inschrijving in de gba ook andere omstandigheden, waaronder gegevens van de belastingdienst, overzichten van gebruik van gas, licht en water en verklaringen van andere betrokkenen, die aannemelijk kunnen maken dat sprake is van permanente bewoning, bij zijn oordeel te betrekken. Verweerder heeft niet gemotiveerd om welke redenen met de door eiseres overgelegde stukken en het door haar gedane bewijsaanbod niet kan worden vastgesteld dat eiseres op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze vanaf dat moment onafgebroken heeft bewoond. Aldus heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Het besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en komt voor vernietiging in aanmerking.

2.9 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet gebleken is dat eiseres voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 1 juni 2010;

3.3 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 150,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.