Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS1613

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
15/700438-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis; meervoudige strafkamer; oplegging gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk onder bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren wegens afpersing.

Het op bedreigende wijze zetten en houden van een mes tegens iemands keel is als geweld te kwalificeren. De rechtbank is tevens van oordeel dat - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - dat de handelingen van verdachte als een afpersing moeten worden gezien.

Beroep op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht slaag niet nu verdachte zichzelf in de toestand heeft gebracht waarin hij op de pleegdatum verkeerde en nog daargelaten dat niet is vastgesteld of verdachte ten tijde van het plegen van het delict psychotisch was en er op dat moment ook sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700438-11

Uitspraakdatum: 31 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [[geboortedatum en -plaats]]wonende te [adres],

thans gedetineerd in de [detentieplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

hij op of omstreeks 5 juni 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente],

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of twee althans een of meer biljetten van 10 euro althans een bedrag aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat, terwijl die [slachtoffer] in een (afgesloten) pin ruimte stond,

- verdachte tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "geef me al je geld" en/of

- (daarbij) een mes op de keel van die [slachtoffer] heeft gezet/gehouden in elk geval een mes in de richting (van de keel) van die [slachtoffer] heeft gehouden;

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pincode en/of zijn bankpas en/of twee althans een of meer biljetten van 10 euro althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, door

- achter die [slachtoffer] aan te lopen de afgesloten pinruimte in en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen "geef me al je geld" althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- een door hem verdachte meegebracht mes tegen de keel van die [slachtoffer] te zetten/houden en/of in de richting van die [slachtoffer] te houden en/of

- de pinpas van die [slachtoffer] in de pinautomaat te voeren en/of

- die [slachtoffer] althans zelf de pincode in te (laten) toetsen en/of

- twee biljetten van 10 euro althans een geldbedrag uit de automaat te pakken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit (modus diefstal met geweld) en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens GGZ Palier, ook indien dat inhoudt, dat verdachte zal meewerken aan een intake en behandeling binnen het Centrum Dubbele Problematiek (CDP) te Den Haag of een soortgelijke instelling, dat verdachte zich zal houden aan een door of namens de reclassering op te leggen meldingsgebod en dat verdachte zal meewerken aan begeleiding die voor het resocialisatietraject noodzakelijk wordt geacht, een en ander zoals in het reclasseringsadvies van 15 augustus 2011 is omschreven.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 augustus 2011 afgelegd;

* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 5 juni 2011 (dossierpagina 7 e.v.);

* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2011 (dossierpagina 38 e.v.);

* het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2011, met als bijlagen 17 foto's, en de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting dat op deze foto's is te zien dat een man met een wit petje (naar de rechtbank begrijpt: verdachte) de pinruimte binnenkomt, dat hij zeer dicht op een andere persoon (naar de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer]) gaat staan, dat er duw- en trekwerk tussen beide personen ontstaat, dat de man met het witte petje vervolgens iets van de grond opraapt, dat hij weer richting de andere persoon loopt en dat beide personen vervolgens voor de pinautomaat staan.

4.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel, dat het op bedreigende wijze zetten en houden van een mes tegen iemands keel als geweld is te kwalificeren. De rechtbank is voorts van oordeel dat - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit blijkt dat de grenzen tussen, kort gezegd, diefstal met geweld en afpersing vervagen en deze delicten elkaar soms kunnen overlappen - de handelingen van verdachte als een afpersing moeten worden gezien. Intentie van verdachte was immers dat het slachtoffer het geld dat op zijn rekening stond aan hem zou afgeven. Dat verdachte uiteindelijk zelf de 2 bankbiljetten uit de pinautomaat nam, nadat het slachtoffer tot afgifte van zijn bankpas en pincode was gedwongen, kan naar het oordeel van de rechtbank ook als afpersingshandeling worden aangemerkt.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 5 juni 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn bankpas en twee biljetten van 10 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], door

- achter die [slachtoffer] aan te lopen de afgesloten pinruimte in en

- tegen die [slachtoffer] te zeggen "geef me al je geld" en

- een door hem, verdachte, meegebracht mes in de richting van die [slachtoffer] te houden en tegen de keel van die [slachtoffer] te zetten/houden en

- de pinpas van die [slachtoffer] in de pinautomaat te voeren en

- die [slachtoffer] de pincode in te laten toetsen en

- twee biljetten van 10 euro uit de automaat te pakken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het delict psychotisch was. Er was op dat moment sprake van een terugval in zijn drank- en drugsgebruik, onder invloed van welke middelen het onderhavige delict is gepleegd. De raadsman en verdachte (in zijn laatste woord) hebben aangegeven dat verdachte ten tijde van het plegen van de afpersing ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank merkt deze verklaringen aan als een beroep op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht: verdachte zou het begaan van het gepleegde feit niet kunnen worden toegerekend..

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij een terugval in het gebruik van drugs en alcohol heeft gehad nadat hij, hoewel de Brijder Stichting na consultatie hem dit uitdrukkelijk had afgeraden, is gestopt met het slikken van een hem voorgeschreven 'antipsychoticum'. Gelet hierop en nu verdachte, als ieder mens, de gevolgen moet kennen van het (nota bene gecombineerde) gebruik van alcohol en drugs, heeft verdachte zich zelf in de toestand gebracht waarin hij op 5 juni 2011 verkeerde. Daargelaten dat niet is vastgesteld of verdachte ten tijde van het plegen van het delict psychotisch was en er op dat moment ook sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zich niet met succes op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen.

Er zijn overigens ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege GGZ Palier, Haarlem, uitgebrachte rapport van 15 augustus 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een afpersing. Verdachte heeft op klaarlichte dag in een afgesloten ruimte een nietsvermoedende persoon die bij een pinautomaat geld wilde pinnen, een mes getoond, dit mes op de keel gezet, en gezegd geld te pinnen en dit aan hem af te geven. Verdachte was naast het mes tevens in het bezit van een bivakmuts en heeft zich bewust laten afzetten bij de pinautomaat, waaruit blijkt dat verdachte voorbereid op pad is gaan.

Verdachte heeft zich, met het oog op snel financieel gewin, schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Een dergelijk feit wordt doorgaans door de slachtoffers als buitengewoon bedreigend en beangstigend ervaren, hetgeen aangever ook in zijn aangifte heeft aangegeven, en leidt veelal nog gedurende geruime tijd tot nadelige psychische gevolgen. Daarnaast brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat slechts een deels ook onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de brief van de aangever (die een achterneef van verdachte bleek te zijn) waarin staat dat tussen verdachte en aangever een verzoeningsgesprek heeft plaatsgevonden, waarin verdachte zijn spijt heeft betuigd en zijn excuses heeft aangeboden, welke excuses zijn aanvaard.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar (eerder) is veroordeeld voor diefstal, afpersing en mishandeling, maar dat de laatste veroordeling dateert van begin 2005. Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat verdachte vanaf 2005 gedurende een lange tijd in behandeling is geweest in het Centrum Dubbele Problematiek (CDP) te Den Haag. Verdachte heeft in december 2010 het begeleid wonen project in Den Haag verlaten en is teruggegaan naar [plaatsnaam]. De overdracht van de hulpverlening is, aldus het rapport van de reclassering, niet goed gelopen en verdachte is afgegleden naar oude gewoontes en door een terugval in excessief alcohol- en cocaïne-gebruik tot het huidige delict gekomen. De reclassering schat het recidiverisico als hoog in, gelet op de complexe problematiek van verdachte en het gebruik van cocaïne en alcohol. De reclassering adviseert, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte zal meewerken aan een intake en behandeling binnen het Centrum Dubbele Problematiek (CDP) te Den Haag of een soortgelijke instelling, dat verdachte zich zal houden aan een door of namens de reclassering op te leggen meldingsgebod en dat verdachte zal meewerken aan begeleiding die voor het resocialisatietraject noodzakelijk wordt geacht, ook als dit een (ambulant) begeleide woonvorm betreft.

Verdachte heeft aangegeven dat hij zich kan vinden in het hulpverleningsplan zoals dat door de reclassering is opgesteld en dat hij bereid is de voorwaarden van de reclassering na te komen. Wel heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij tijdens het resocialisatie-traject niet in een begeleide woonvorm terecht wil komen, hij wil zijn woning in [plaatsnaam] niet verliezen. Hij zou eventueel zelf belangstelling hebben voor een opname bij Stichting De Hoop te Dordrecht.

Op grond van het vorenoverwogene - en nu de eis van de officier van justitie de rechtbank gelet op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting ook overigens te fors voorkomt - is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur, korter dan door de officier van justitie is gevorderd, moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank intake en behandeling binnen het Centrum Dubbele Problematiek (CDP) of een soortgelijke instelling en verplicht contact met GGZ Palier gedurende de proeftijd noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal, anders dan de reclassering heeft geadviseerd, bij de bijzondere voorwaarde over het resocialisatietraject niet opnemen dat dit een (ambulant) begeleide woonvorm kan betreffen. Dat verdachte niet op andere wijze in- of nabij zijn huidige woonplek, waaraan hij gehecht is, niet adequaat zou kunnen worden begeleid, is uit de rapportage niet gebleken

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zeven (7) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de reclassering, GGZ Palier Haarlem, zolang die instelling dat nodig acht, ook indien zulks inhoudt:

- dat verdachte zal meewerken aan een intake en behandeling binnen het Centrum Dubbele Problematiek (CDP) of een soortgelijke instelling;

- dat verdachte zich zal houden aan een door of namens de reclassering op te leggen meldingsgebod;

- dat verdachte zal meewerken aan begeleiding die door de reclassering voor het resocialisatietraject noodzakelijk wordt geacht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. C.G. Beyer-Lazonder, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M.A. Richelle,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2011.

Parketnummer: 15/700438-11

Inzake: [verdachte] blad 7

vonnis