Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS1554

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
15/800294-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaine; deels voorwaardelijke gevangenisstraf; bijzondere voorwaarden; proeftijd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2.825,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De reclassering adviseert een verplicht reclasseringstoezicht door GGZ reclassering Palier ter voorkoming van recidive en het bereiken van maatschappelijk herstel. Een meldplicht is aangewezen. Voorts is de reclassering van oordeel dat verdachte voor een behandeling zal moeten worden aangemeld bij de Forensische Polikliniek van GGZ Palier gericht op het delictgedrag, het omgaan met zijn beperking en met aandacht voor zijn middelengebruik. De rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden en de gevorderde leeftijd van verdachte grond is gelegen om ten voordele van verdachte enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800294-11

Uitspraakdatum: 1 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Dinga (Pakistan),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2825,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negenentwintig (29) maanden, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens GGZ Reclassering Palier, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook indien dat inhoudt dat verdachte zich zal houden aan het meldingsgebod en verplicht wordt zich te laten behandelen bij de Forensische Polikliniek van GGZ Reclassering Palier.

4. Bewijsbeslissingen

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 1 maart 2011 is verdachte vanuit Paramaribo (Suriname) aangekomen op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Tijdens een verscherpte douanecontrole werd de ruimbagage van verdachte gecontroleerd. Bij het openen van de blauwe canvas rolkoffer van verdachte werd in die rolkoffer een bruine fruitschaal aangetroffen met daarin plastic fruit. Verdachte verklaarde desgevraagd dat hij deze fruitschaal had meegekregen van een vriend. Het viel de douaneambtenaar op dat de fruitschaal abnormaal zwaar aanvoelde, waarna deze aan een x-ray controle werd onderworpen, waarbij afwijkende contouren in de fruitschaal zichtbaar werden. Verdachte deelde ongevraagd mede dat ook hij vond dat de fruitschaal erg zwaar was. Hierop is met behulp van een fretboortje een gat in de fruitschaal gemaakt en na het terugtrekken van dat fretboortje bleef er een lichtbruine stof, die qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne, aan het boortje kleven. Dit materiaal is aan een MMC test onderworpen die een positieve kleurreactie gaf, zodat aangenomen mocht worden dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof.2 Uiteindelijk is er in de bruine fruitschaal 2.825,3 gram netto cocaïne aangetroffen.3

4.2. Bewijsoverweging

Verdachte heeft ontkend opzet te hebben gehad op de invoer van de drugs, doch de rechtbank is van oordeel dat dit opzet in voorwaardelijke zin kan worden bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ter terechtzitting heeft verdachte, overeenkomstig zijn verklaringen bij de rechter-commissaris4 en de Koninklijke Marechaussee5, verklaard dat hij in Suriname bij een supermarkt een man heeft leren kennen waarmee hij bier is gaan drinken. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij één dag voor zijn vertrek naar Nederland van deze man drie fruitschalen kreeg met de vraag of hij deze voor hem naar Nederland wilde brengen. Deze man, die hij alleen bij de naam [voornaam] kent, heeft de fruitschalen op zijn verblijfadres in Suriname afgeleverd en de schaal met daarin het plastic fruit in zijn koffer geplaatst. Verdachte heeft zijn telefoonnummer aan de man gegeven, maar heeft zelf van de man of van de persoon voor wie de fruitschalen bestemd zouden zijn geen gegevens gekregen.6

Door één dag voor zijn vertrek naar Nederland van een voor hem vrijwel onbekend persoon drie fruitschalen, waarvan de bruine in ieder geval zwaar aanvoelde, aan te nemen en op diens verzoek en zonder nadere controle van deze fruitschalen, mee naar Nederland te nemen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij cocaïne binnen Nederland zou brengen.

Het feit dat verdachte, zoals door hem is gesteld, lijdt aan een gebrekkig functionerend korte termijngeheugen en op het moment van aanname van de fruitschalen alcohol had gedronken, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. In de consultbrief van 8 maart 2011 heeft de psychiater immers aangegeven dat het bewustzijn van verdachte helder is, dat er geen hallucinaties of wanen zijn, dat zijn denken weliswaar vertraagd maar wel coherent is en dat hij goed kan vertellen wat er allemaal is gebeurd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de fruitschalen niet pas op het vliegveld maar één dag voor vertrek aan verdachte zijn afgegeven, waardoor verdachte, die bekend is met het feit dat er drugs worden gesmokkeld vanuit Suriname naar Nederland, nog voldoende tijd heeft gehad hierover in nuchtere toestand na te denken en het met zijn vrouw te bespreken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verdachte door zijn beperking of door de alcohol onvoldoende inzicht heeft gehad in de risico's die zijn handelwijze met zich brachten.

De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 1 maart 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2.825,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege GGZ Reclassering Palier uitgebracht reclasseringsadvies van 23 mei 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2.825,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De reclassering adviseert een verplicht reclasseringstoezicht door GGZ reclassering Palier ter voorkoming van recidive en het bereiken van maatschappelijk herstel. Een meldplicht is aangewezen. Voorts is de reclassering van oordeel dat verdachte voor een behandeling zal moeten worden aangemeld bij de Forensische Polikliniek van GGZ Palier gericht op het delictgedrag, het omgaan met zijn beperking en met aandacht voor zijn middelengebruik.

De rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden en de gevorderde leeftijd van verdachte grond is gelegen om ten voordele van verdachte enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met en begeleiding door GGZ Reclassering Palier noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWINTIG (20) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ACHT (8) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte zich niet zal houden aan het meldingsgebod, inhoudende dat verdachte zich na zijn vrijlating zo spoedig mogelijk zal melden bij GGZ Reclassering Palier te Den Haag en zich hierna gedurende de door de GGZ Reclassering Palier (Den Haag) te bepalen periode blijft melden zo frequent als deze dit gedurende deze periode nodig acht;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens GGZ Reclassering Palier (Den Haag), zolang die instelling dat nodig acht, ook als dat inhoudt dat verdachte zich ambulant dient te laten behandelen bij de Forensische Polikliniek van GGZ Palier.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.P.W van de Ven, voorzitter,

mr. M.E. Fortuin en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 1 augustus 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen, d.d. 1 maart 2011 (dossierparagraaf 1.1).

3 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 maart 2011 (dossierparagraaf 1.1.4) en het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 4 maart 2011, kenmerk 1986 X 11 (los opgenomen).

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] ten overstaan van de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank (inbewaringstelling) d.d. 4 maart 2011 (los opgenomen).

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 5 maart 2011 (dossierparagraaf 1.3).

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juli 2011.