Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS1446

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
15/850005-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaine; minderjarige.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 630,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting zoals deze in het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren ("LOVS") zijn overeengekomen. De rechtbank acht, nu het gaat om een bolletjesslikster die weliswaar met haar man bolletjes had geslikt, maar niet wist hoeveel het tezamen was, voor de strafmaat vooral van belang het gewicht dat verdachte zelf heeft ingevoerd, te weten 328,0 gram. Een dergelijke hoeveelheid cocaïne betekent in de regel bij een standaardkoerier een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De rechtbank vindt in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar jeugdige leeftijd en het feit dat zij door haar echtgenoot erbij is betrokken en onder zijn invloed stond, aanleiding om ten voordele van verdachte enigszins van bovengenoemde straf af te wijken, zodat aan verdachte een vrijheidsbenemende straf in de vorm van een jeugddetentie voor de duur van het voorarrest moet worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/850005-11

Uitspraakdatum: 1 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 07 april 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van honderd en negen (109) dagen, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

4. Bewijsbeslissingen

4.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juli 2011, inhoudende dat zij op 7 april 2011 te Schiphol tezamen met een ander opzettelijk cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

* Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 7 april 2011 betreffende verdachte [verdachte] (dossierparagraaf 2.1).

* Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 7 april 2011 betreffende medeverdachte [medeverdachte] (dossierparagraaf 1.1).

* Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 18 april 2011 betreffende verdachte [verdachte] (dossierparagraaf 2.1.5).

* Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 16 april 2011 betreffende medeverdachte [medeverdachte] (dossierparagraaf 1.1.4).

* Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 20 april 2011 betreffende verdachte [verdachte], kenmerk 3500 X 11 (los opgenomen).

* Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 20 april 2011 betreffende medeverdachte [medeverdachte], kenmerk 3496 X 11 (los opgenomen).

De hiervoor door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 7 april 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 630,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting zoals deze in het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren ("LOVS") zijn overeengekomen. De rechtbank acht, nu het gaat om een bolletjesslikster die weliswaar met haar man bolletjes had geslikt, maar niet wist hoeveel het tezamen was, voor de strafmaat vooral van belang het gewicht dat verdachte zelf heeft ingevoerd, te weten 328,0 gram. Een dergelijke hoeveelheid cocaïne betekent in de regel bij een standaardkoerier een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De rechtbank vindt in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar jeugdige leeftijd en het feit dat zij door haar echtgenoot erbij is betrokken en onder zijn invloed stond, aanleiding om ten voordele van verdachte enigszins van bovengenoemde straf af te wijken, zodat aan verdachte een vrijheidsbenemende straf in de vorm van een jeugddetentie voor de duur van het voorarrest moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 77a, 77g, 77h, 77i en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een jeugddetentie voor de duur van HONDERD EN TWEE (102) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Fortuin, voorzitter,

mr. E.P.W. van de Ven en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 1 augustus 2011.