Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BS1158

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
15-700499-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis; meervoudige strafkamer; veroordeling van leraar in opleiding wegens ontucht met minderjarige tot een werkstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een proeftijd van twee jaren.

De verweren van de raadsvrouw dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wijst de rechtbank af.

- Er is niet in strijd gehandeld met de Aanwijzing opsporing en vervolging seksueel misbruik omdat uit een door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegd proces-verbaal blijkt dat de gecertificeerde rechercheurs van de afdeling jeugd- en zeden in IJmond zich 100% van hun werkzaamheden bezighouden met zedenzaken.

- Uit dezelfde Aanwijzing blijkt dat slechts kinderen onder de 12 jaar in een kindvriendelijke studio dienen te worden verhoord. In casu had het slachtoffer de leeftijd van 12 jaar reeds bereikt.

- Tevens afwijzing van het verweer dat de aangifte niet volgens de voorschriften geheel is opgenomen, omdat uit het dossier blijkt dat de aangifte in zijn geheel is opgenomen op de moederband, maar dat bij het kopiëren van de moederband naar dvd het kopieerproces voortijdig lijkt te zijn gestopt door mogelijk een technisch defect.

De Aanwijzing is derhalve niet geschonden en het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Het verweer van de raadsvrouw dat tot vrijspraak van het ten laste gelegde dient te worden gekomen nu de verdenking slechts is gebaseerd op één bewijsbron, volgt de rechtbank niet omdat de rechtbank het gespreksverslag van de school als steunbewijs ziet voor de overige bewijsmiddelen zoals genoemd onder 4.1.

Tot slot wijst de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om een deskundige te benoemen teneinde een betrouwbaarheidsonderzoek naar de verklaring van het slachtoffer te gelasten, af. De rechtbank acht geen noodzakelijk belang daartoe aanwezig, welk belang overigens niet door verdachte nader is onderbouwd.

De rechtbank volgt de officier van justie niet in de eis verdachte - naaste de werkstraf van 150 uren - een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van vijf jaren op te leggen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte heeft aangegeven niet meer in het onderwijs werkzaam te willen zijn en het opleidingsinstituut ook reeds enige sancties aan verdachte heeft opgelegd waardoor de kans gering is dat verdachte in een soortgelijke (opleidings)situatie zal komen te verkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700499-10

Uitspraakdatum: 4 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 10 juni 2010 te [plaatsnaam] en/of [plaatsnaam], in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd als onderwijzer van en/of met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige[slachtoffer]chtoffer], [geboortedatum], immers heeft hij, verdachte,

- (een of meermalen) die [slachtoffer] een (tong)zoen gegeven en/of met die [slachtoffer] getongzoend en/of

- (een of meermalen) die [slachtoffer] gepijpt;

subsidiair

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 10 juni 2010 te [plaatsnaam] en/of [plaatsnaam], in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het (een of meermalen) (tong)zoenen van/met die [slachtoffer] en/of het

geven van een tongzoen aan die [slachtoffer] en/of

- het (een of meermalen) pijpen van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe gesteld dat in strijd is gehandeld met de Aanwijzing opsporing en vervolging seksueel misbruik (hierna: de Aanwijzing), omdat niet is gebleken dat de opsporing is geschied door rechercheurs die ten minste 50% van hun volledige werkweek met zedenzaken zijn belast. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de Aanwijzing ook niet in acht is genomen nu niet uit het dossier blijkt dat het [slachtoffer] is verhoord door een verhoorder die de cursus 'Horen jonge getuigen' heeft gevolgd. Ook is [slachtoffer] niet verhoord in een kindvriendelijke studio zoals de Aanwijzing voorschrijft, terwijl hij ten tijde van dat verhoor 12 jaar oud was. Verder is de aangifte van de moeder van [slachtoffer] niet in het geheel op band opgenomen.

De rechtbank overweegt aangaande het gevoerde verweer als volgt.

Uit het door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegde proces-verbaal d.d. 21 juli 2011 blijkt dat de rechercheurs van de afdeling jeugd- en zeden in IJmond zich 100% van hun werkzaamheden met zedenzaken bezighouden en dat zij gecertificeerd zijn. In zoverre faalt het verweer van de raadsvrouw. Voorts blijkt uit de Aanwijzing, onder het tweede gedachtestreepje, dat kinderen onder de 12 jaar in een kindvriendelijke studio dienen te worden verhoord. Nu het slachtoffer ten tijde van het verhoor de leeftijd van 12 jaar had bereikt, faalt ook dit verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de raadsvrouw tevens niet in haar verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de aangifte niet volgens de voorschriften in zijn geheel is opgenomen. Uit het dossier blijkt dat de aangifte in zijn geheel is opgenomen op de moederband, maar dat bij het kopiëren van de moederband naar dvd het kopieerproces voortijdig lijkt te zijn gestopt door mogelijk een technisch defect.

De rechtbank is van oordeel dat door deze gang van zaken de Aanwijzing echter niet is geschonden. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Ook overigens is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis bij het niet naar behoren verrichten ervan en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De officier van justitie heeft een proeftijd van 5 jaren gevorderd gezien de ernst van het feit en om herhaling te voorkomen.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden 1

Op 22 juni 2010 heeft de moeder van [slachtoffer], [naam moeder], namens haar 12-jarige zoon aangifte gedaan van het plegen van ontuchtige handelingen.2 Na een telefoontje op woensdag 9 juni 2010 van mevrouw [naam], leerkracht van groep 8 van de [naam school], (verder juf [voornaam]), zijn de ouders van [slachtoffer] naar school gegaan voor een gesprek. Bij dit gesprek was juf [voornaam], [naam vertrouwenspersoon], de vertrouwenspersoon van de school, de ouders en [slachtoffer] zelf aanwezig. Aan de ouders werd meegedeeld dat [slachtoffer] en verdachte gezoend hadden met elkaar. 's Avonds en de volgende dag heeft moeder met [slachtoffer] gesproken. In dat gesprek heeft [slachtoffer] gezegd dat verdachte aan zijn piemel had gezeten. Hij vertelde toen ook dat ze getongzoend hadden. Op donderdag 10 juni 2010 heeft op school een gesprek plaatsgevonden met verdachte. Na dit gesprek heeft juf [voornaam] de ouders gebeld en gezegd dat verdachte alles heeft verteld en dat er nog meer was gebeurd. Die avond zijn de ouders weer naar school gegaan voor een gesprek. Voordat zij weggingen heeft moeder nogmaals met [slachtoffer] gesproken en aan hem gevraagd echt alles te vertellen. Toen heeft [slachtoffer] haar verteld dat verdachte op de wc's op school met zijn mond aan zijn piemel heeft gezeten. Na het gesprek op school is juf [voornaam] met de ouders mee naar huis gegaan en toen heeft zij aan hen verteld dat verdachte had toegegeven dat hij [slachtoffer] in de meivakantie 2010 met de auto had opgehaald en in de auto oraal contact met [slachtoffer] had gehad. Vanaf 28 april 2010 hebben [slachtoffer] en verdachte dagelijks sms-contact met elkaar gehad. [slachtoffer] zelf is op 23 juni 2010 verhoord.3 Hij heeft verklaard verliefd te zijn geworden op verdachte, stagemeester op de [naam school] in [plaatsnaam]. Op een keer heeft verdachte hem opgehaald in de auto. Ze zijn toen ergens naartoe gereden, een parkeerplaats bij fabrieken, en daar hebben ze met elkaar getongzoend. Daarna heeft verdachte de spijkerbroek en onderbroek van [slachtoffer] een beetje omlaag gedaan en vervolgens heeft verdachte het geslachtsdeel van [slachtoffer] in zijn mond genomen en ging met zijn mond bewegen. [slachtoffer] heeft verklaard niet te weten of hij er bepaalde gevoelens bij had maar wel dat zijn geslachtsdeel stijf was. Verdachte heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij er niet met anderen over moest praten. Toen ze net van schoolkamp terug waren en [slachtoffer] op het schoolplein aan het voetballen was, was verdachte op school om spullen op te halen. [slachtoffer] is mee naar binnen gegaan en verdachte heeft toen gezegd 'we gaan even naar het plekje waar de deur op slot kan'. [slachtoffer] heeft verklaard dat daar hetzelfde is gebeurd als toen in de auto, maar dan korter. Die dag, 29 mei 2010, kwam de vader van [slachtoffer] naar school omdat hij [slachtoffer] zijn telefoon wilde geven. Hij had een bericht in de telefoon van [slachtoffer] zien staan. [slachtoffer] heeft toen tegen zijn vader gezegd dat de tekst 'Rick ik vind je leuk' of 'Rick ik hou echt van jou' niet sloeg op verdachte maar op een andere jongen met dezelfde naam.4 De vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat hij die dag naar school ging en verdachte in de gang zag lopen. Toen [slachtoffer]s vader aan hem vroeg waar [slachtoffer] was, zei hij alleen 'op de wc' zonder zich om te draaien of te stoppen. Toen de vader [slachtoffer] riep, hoorde hij hem zeggen 'ik ben hier' en dat dit antwoord kwam vanaf de toiletten.5

Juf [voornaam], tevens mentrix van verdachte op de [naam school], heeft verklaard dat verdachte als LIO bij haar in groep 8 les gaf en dat zij met verdachte in april 2010 heeft gesproken over [slachtoffer]s homoseksuele gevoelens.6 Zij heeft verdachte aangesproken op zijn gedrag toen haar ter ore was gekomen dat hij anderhalf uur met [slachtoffer] in de klas met gesloten deur had zitten praten. Zij heeft verdachte op diens verantwoordelijkheden gewezen. Later heeft zij [slachtoffer] gesproken over dit gesprek en ook met de ouders van [slachtoffer]. [slachtoffer] vertelde in dat gesprek dat hij verliefd was op verdachte. Zij heeft verdachte hierover ingelicht en hem gezegd dat hij voorzichtig moest zijn.

Op een vrijdag toen juf [voornaam] vrij was, heeft zij verdachte en [slachtoffer] bij de bushalte zien staan. Zij heeft met [slachtoffer] na schooltijd gesproken en toen heeft [slachtoffer] gezegd dat hij elke dag met verdachte sms-te. Het telefoonnummer had hij van verdachte gekregen op de dag van de schooldisco, op 28 april. Hij knikte toen juf [voornaam] hem vroeg of zij ook hadden gezoend. De dag erna heeft juf [voornaam] opnieuw met [slachtoffer] gesproken. Hij knikte toen zij hem vroeg of verdachte seksuele handelingen bij hem had gedaan. [slachtoffer] heeft toen gezegd dat hij dit niet kon vertellen en of juf dat maar aan de meester wilde vragen. Juf [voornaam] heeft vervolgens de ouders ingelicht, de directie van de school, de psycholoog en de PABO. Op donderdag heeft er een gesprek plaatsgevonden met verdachte. In dat gesprek heeft verdachte gezegd dat hij [slachtoffer] oraal heeft bevredigd.

In het dossier is het verslag gevoegd van het gesprek dat op 10 juni 2010 heeft plaatsgevonden op school waarbij aanwezig waren verdachte, [naam] (directeur), [naam] (contactpersoon) en [naam] (leerkracht groep 8). Dit verslag is ondertekend door [naam directeur] en [naam contactpersoon]. De derde handtekening zonder naamsvermelding onder het verslag is identiek aan de handtekening van [naam leerkracht groep 8] onder het proces-verbaal van verhoor d.d. 29 juni 2010 en ondertekend op 8 juli 2010. In dit gespreksverslag staat vermeld dat verdachte heeft verklaard bijna dagelijks sms-contact met [slachtoffer] te hebben en dat dit ook in de meivakantie plaatsvond. Aan het einde van de meivakantie hebben verdachte en [slachtoffer] een afspraakje gemaakt waarbij het eerste lichamelijke contact heeft plaatsgevonden in de vorm van zoenen. Twee weken na de meivakantie is er eenmalig oraal contact tussen beiden geweest.7

De printlijst van de telefoon van [slachtoffer] is bij de provider opgevraagd en hieruit is gebleken dat de gebruiker [slachtoffer] 577 berichten heeft verzonden naar verdachte en dat verdachte 288 berichten naar [slachtoffer] heeft verzonden in de periode 29 april 2010 tot en met 8 juni 2010.8

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de hoogte was van de geaardheid van [slachtoffer] en dat de ouders van [slachtoffer] daarmee moeite hadden. Verdachte heeft met [slachtoffer] daarover gesproken. Op een schoolfeest in april 2010 was [slachtoffer] erg emotioneel en toen heeft verdachte zijn telefoonnummer aan [slachtoffer] gegeven. Dit heeft hij gedaan om [slachtoffer] te helpen. [slachtoffer] kon verdachte dan bereiken als hij in de knoop zat. [slachtoffer] heeft van het telefoonnummer gebruik gemaakt door het versturen van sms-berichten en daar heeft verdachte op gereageerd.

4.2. Bewijsoverweging en beslissing op de voorwaardelijke verzoeken

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs nu de verdenking slechts is gebaseerd op één bewijsbron. Ook het in het dossier gevoegde gespreksverslag kan geen voldoende (steun) bewijs geven aan het ten laste gelegde feit.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, ziet de rechtbank het gespreksverslag van de school als steunbewijs voor de overige bewijsmiddelen, zoals hiervoor onder 4.1. opgesomd. Ook valt niet in te zien waarom de betreffende deelnemers aan dit gesprek hun handtekening onder het van dit gesprek opgemaakte verslag zouden zetten indien - in de visie van verdachte - dit verslag slechts onwaarheden zou bevatten. De rechtbank is tevens van oordeel dat - nu het gesprek in het bijzijn van de contactvertrouwenspersoon van de school heeft plaatsgevonden - het volstrekt onaannemelijk is dat het slechts een gesprek betrof over de voortijdige beëindiging van de stage van verdachte om de reden die hij heeft genoemd, namelijk dat de verstandhouding met zijn begeleidster op een gegeven moment is geëscaleerd.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht - indien niet tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie dan wel vrijspraak wordt gekomen - een deskundige te benoemen teneinde een betrouwbaarheidsonderzoek naar de verklaring van [slachtoffer] te gelasten. Tevens heeft de raadsvrouw verzocht - indien het gespreksverslag als bewijs wordt gebezigd - die gesprekspartners als getuigen te horen over de inhoud en totstandkoming van dat verslag.

Voor de beantwoording van deze onderzoekswensen, welke zien op de toetsing van de betrouwbaarheid aangaande de al dan niet bewuste beïnvloeding van het slachtoffer, die de raadsvrouw voor het eerst bij haar pleidooi naar voren heeft gebracht kunnen worden toegewezen, dient de rechtbank te beoordelen of zij deze onderzoeken noodzakelijk acht voor haar oordeelsvorming in de onderhavige zaak. Zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen, acht zij de verklaringen van de ouders van [slachtoffer] en de verklaring van [naam leerkracht groep 8] geloofwaardig en betrouwbaar en vinden deze verklaringen voldoende steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht geen noodzakelijk belang aanwezig op dit punt. Dat is door verdachte ook niet nader onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte het verzoek redelijkerwijs in een eerder stadium had kunnen doen, nu ter terechtzitting niet is gebleken van nieuwe omstandigheden die een dergelijk verzoek rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank de verzoeken dan ook af nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 28 april 2010 tot en met 10 juni 2010 te [plaatsnaam], in elk geval in Nederland, telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], [geboortedatum], immers heeft hij, verdachte,

- meermalen die [slachtoffer] een (tong)zoen gegeven en met die [slachtoffer] getongzoend en

- meermalen die [slachtoffer] gepijpt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn laatste studiejaar tijdens de stageperiode ontuchtige handelingen gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde 12-jarige leerling. Die ontuchtige handelingen bestonden uit het (tong)zoenen van [slachtoffer] en het pijpen van hem. Deze handelingen vonden plaats in de auto van verdachte en op school.

Door zijn handelwijze heeft verdachte niet alleen het vertrouwen beschaamd dat de onder zijn hoede geplaatste jonge leerling [slachtoffer] in hem mocht stellen en zijn, [slachtoffer]s, gevoelens van geborgenheid op school ernstig geschonden, maar ook een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer]. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

20 juli 2010 van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een proeftijd van twee jaren voldoende omdat verdachte heeft aangegeven niet meer in het onderwijs werkzaam te willen zijn en het opleidinginstituut ook reeds enige sancties aan verdachte heeft opgelegd waardoor de kans gering is dat verdachte in een soortgelijke (opleidings)situatie zal komen te verkeren.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten last gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 150 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uur taakstraf, subsidiair één dag vervangende hechtenis, in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.G. Beyer-Lazonder, voorzitter,

mr. M.P.J. Ruijpers en mr. A. Eichperger, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2011.

Mr. Beyer-Lazonder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 juni 2010 (dossierpagina's 54, 57, 58, 59)

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2010 (dossierpagina's 74 - 91).

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2010 (dossierpagina 87).

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 9 juli 2010 (dossierpagina's 121,122).

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam leerkracht groep 8] d.d. 29 juni 2010 en ondertekend op 8 juli 2010 (dossierpagina's 94, 95, 96, 97, 98 en p. 119).

7 Een schriftelijk stuk, inhoudende het gespreksverslag (dossierpagina 64 en 65).

8 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 augustus 2010 (dossierpagina's 148 en 149) met daarachter gevoegd een schriftelijk stuk, inhoudende de printlijst van provider Vodafone (dossierpagina's 156 t/m 180).

??

??

??

??

Parketnummer: 15/700499-10

Inzake: [verdachte] blad 8

vonnis