Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6770

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 571
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Pensioentoezegging. De kosten welke voortvloeien uit de ultimo 2005 toegezegde voorwaardelijke pensioenaanspraken dienen aan het jaar 2005 te worden toegerekend. De pensioentoezegging heeft niet het karakter van een beloning voor de in de jaren na 2005 door de desbetreffende werknemers te verrichten arbeidsprestaties en is derhalve niet aan toekomstige arbeid toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2198
PJ 2011/148
Belastingadvies 2011/24.3
FutD 2011-2116 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/571 VPB V00

Uitspraakdatum: 22 maart 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen

de naamloze vennootschap [X] N.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigden: mw. [A] en mw. [B]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (aanslagnummer [xxxx.xx.xxx.x.xx.xxxx]), berekend naar een belastbaar bedrag van € a,- (hierna: de aanslag) en bij gelijktijdig genomen beschikking een bedrag van € b,- aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2009 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 28 januari 2010, op diezelfde dag per fax ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld. Zij heeft ter zake van dit beroep een griffierecht van € 297 voldaan.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde zijn in beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten komen vast te staan.

2.1. Op 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005,115; hierna: Wet VPL) in werking getreden. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet VPL heeft geleid wordt uiteengezet dat demografische en maatschappelijke ontwikkelingen aanleiding waren om maatregelen voor te stellen tot beëindiging van de fiscale faciliëring van regelingen die het mogelijk maakten om te stoppen met werken voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Het wetsvoorstel bevat maatregelen met als doel het afschaffen van voormelde fiscale faciliëring.

2.2. Het kabinet en de werkgevers- en werknemersorganisaties hebben op 5 november 2004 overeenstemming bereikt over diverse onderwerpen, hetgeen is neergelegd in het Sociaal Akkoord 2004. Daarin is onder meer de mogelijkheid opgenomen om extra ouderdoms- of nabestaandenpensioen in te kopen vanwege niet benutte fiscale ruimte in het verleden, hetgeen werkgevers mogen vormgeven in een arbeidsvoorwaardelijke toezegging. De inkoop mag al dan niet tijdsevenredig worden afgefinancierd in een periode van maximaal vijftien jaren.

2.3. In het besluit van 16 juli 2005, houdende regels op het gebied van pensioen ter uitvoering van een aantal onderwerpen uit de Wet VPL (Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004; Staatsblad 2005,391; hierna: het Besluit) wordt de Wet VPL op een aantal onderdelen nader uitgewerkt. Het betreft hier in het bijzonder onderdelen die zijn voortgekomen uit voormeld Sociaal Akkoord 2004 tussen kabinet en sociale partners. Ter gelegenheid van het akkoord werd een mogelijkheid tot uitstel van de financiering van de toegezegde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren geïntroduceerd.

2.4. Artikel 4 van het Besluit luidt als volgt:

Artikel 4. Uitstel financiering van over het verleden in te kopen pensioenruimte

1. Aanspraken die worden toegezegd op de wijze, bedoeld in dit artikel, en die zullen worden verkregen door middel van inkoop over perioden in het verleden waarin minder pensioenaanspraken zijn opgebouwd dan op basis van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 is toegestaan, hoeven niet evenredig in de tijd te worden opgebouwd en gefinancierd. In afwijking van artikel 1 van het Besluit pensioentoezegging, is de in de eerste volzin bedoelde toezegging geen toezegging omtrent pensioen zo lang en voor zover de toegezegde aanspraak nog niet is gefinancierd.

2. De opbouw en financiering vinden plaats binnen een termijn van vijftien jaren na de datum waarop de werkgever de toezegging, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan of, indien de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het pensioen voor het verstrijken van de termijn van vijftien jaren ligt, voor die ingangsdatum.

3. Aanspraken als bedoeld in het eerste lid kunnen worden toegezegd gedurende twee jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

4. De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de aanspraken, bedoeld in het eerste lid. De in het vijfde lid vervatte tekst wordt door de pensioenuitvoerder opgenomen in:

a. de eerste schriftelijke informatieverstrekking aan de deelnemer of gewezen deelnemer dat er aanspraken over verstreken dienstjaren met uitgestelde financiering worden toegezegd;

b. de jaarlijkse opgaven, bedoeld in artikel 5;

c. de schriftelijke informatie over de in dit artikel bedoelde toezegging die op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer wordt verstrekt.

5. Het pensioen dat voor u zal worden ingekocht omdat u in het verleden gedurende uw dienstbetrekking(en) een of meer perioden hebt gehad waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Wanneer uw deelname aan de pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft u alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Indien bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor u is ingekocht en opgebouwd, heeft u dus ook geen recht op dit deel van uw toezegging.

Als aan u is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, dan moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaren nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer u binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van uw pensionering. Een eenmaal gedane toezegging tot inkoop van aanspraken over het verleden kan in beginsel niet worden ingetrokken of gewijzigd.

2.5. De inwerkingtreding van de Wet VPL betekende een arbeidsvoorwaardelijke verslechtering voor werknemers van eiseres die zijn geboren na 1 januari 1950 en die op basis van het Pensioenreglement 2001 van eiseres en/of de CAO uitzicht hadden op een van de CAO-vertrekregelingen die tot en met 31 december 2005 voor hen golden bij eiseres. De werknemers en vakorganisaties hebben hiervoor compensatie geëist, omdat deze regelingen al langere tijd bestonden en door hen als verworven rechten werden beschouwd. Ook bij eiseres bestond de intentie om, binnen de financiële en fiscale kaders, de werknemers waar mogelijk vergelijkbare rechten toe te kennen als de voor de introductie van de Wet VPL bestaande rechten.

2.6. In het najaar van 2005 zijn tussen eiseres en de vakbonden afspraken voor compenserende overgangsmaatregelen gemaakt. Deze zijn in een nieuwe CAO en een nieuw pensioenreglement vastgelegd. Een van de maatregelen betreft het zogeheten ”zacht pensioen”, een regeling die is gebaseerd op voormeld Besluit en dat een zogeheten ”zachte landing” mogelijk maakte voor werknemers die door de Wet VPL ineens hun aanspraken/rechten op diverse vroegpensioenregelingen verloren zagen gaan.

2.7. In verband met de Invoering van de Wet VPL diende de pensioenregelingen van eiseres per 1 januari 2006 te worden aangepast. Daarbij is uitgangspunt geweest dat voor de in dienst zijnde werknemers de eerdere uittredingsleeftijd dan 65 jaar zo veel mogelijk materieel moet kunnen worden benaderd. Voor de groep werknemers die is geboren voor 1950 betekende dit continuering van de oude regelingen. Voor de groep werknemers geboren na 1949 werd dit uitgangspunt geheel of gedeeltelijk gerealiseerd door de fiscale ruimte over dienstjaren tot en met 2005 te benutten voor een pensioen ingaand op 65-jarige leeftijd, waarbij – kort weergegeven deelnemers een extra ouderdoms- of nabestaandenpensioen konden verkrijgen vanwege niet benutte ruimte fiscale pensioenruimte in het verleden. Dit gebeurde in de vorm van een voorwaardelijke pensioentoezegging als bedoeld in artikel 4 van het Besluit.

2.8. Uitsluitend werknemers die aan de volgende drie vereisten voldeden verkregen een aanspraak op zacht pensioen. Zij dienden:

1) op 31 december 2005 in dienst te zijn bij eiseres; en

2) geboren te zijn in of na 1950; en

3) dienden uitzicht te hebben gehad op een tot en met 31 december 2005 bestaan hebbende CAO-vertrekregeling die gold bij eiseres.

2.9. De overgangsmaatregel van het zacht pensioen is opgenomen in artikel 25.6 van het Pensioenreglement 2006 en luidt:

Voorwaardelijk pensioen

a. Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op de deelnemers die zowel op 31 december 2005 als op 1 januari 2006 deelnemer zijn aan de pensioenregeling van het fonds en die geboren zijn op of na 1 januari 1950. Voorts moesten deze deelnemers uitzicht hebben gehad op een uitkering uit hoofde van één van de per 31 december 2005 bij [X] geldende regelingen voor eerder vertrek (VUT, PPB, Aanvulling op ouderdomspensioen).

b. De deelnemer aan deze regeling heeft een voorwaardelijke aanspraak op ouderdomspensioen conform de per 1 januari 2006 geldende pensioenregeling.

c. Deze voorwaardelijke aanspraak wordt zodanig vastgesteld dat deze aanspraak de deelnemer in aanvulling op aanspraken uit hoofde van de pensioenregeling van het fonds, in staat stelt uit te treden op de datum en met het uitkeringsniveau die hij zou kunnen bereiken indien de per 31 december 2005 geldende pensioenregeling van het fonds en de voor hem op die datum geldende vertrekregelingen van [X] ongewijzigd van kracht zouden zijn gebleven. Daarbij wordt uitgegaan van een optimale inzet van de mogelijkheden tot variabilisatie binnen de pensioenregeling.

d. De berekening van de voorwaardelijke aanspraak wordt gemaakt naar de situatie per 31 december 2005.

e. Deze voorwaardelijke aanspraak wordt gedurende de periode van 1 januari 2006 tot de ingangsdatum van het pensioen verhoogd conform artikel 19 van dit reglement.

f. De hoogte van de voorwaardelijke aanspraak wordt begrensd door de ruimte voor maximale pensioenopbouw op basis van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij het eventueel door de deelnemer tot 1 januari 2006 verworven IPS of PPS-spaarsaldo, buiten beschouwing wordt gelaten.

g. De toekenning en de financiering van deze voorwaardelijke aanspraak vindt plaats op de dag die voorafgaat aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, doch uiterlijk op 31 december 2020. Voor zover de deelnemer de hoedanigheid van werknemer verliest voor de in de vorige zin genoemde ingangsdatum, heeft de (gewezen) deelnemer geen recht op pensioen volgens deze regeling.

h. De deelnemer aan deze regeling ontvangt jaarlijks een opgave van zijn voorwaardelijke aanspraak en de mate waarin deze aanspraken gefinancierd zijn.

i. De deelnemer is voor deze regeling geen bijdrage verschuldigd.

j. Gedurende de periode dat de pensioenaanspraken volgens deze regeling niet zijn gefinancierd, vormen zij geen toezegging omtrent pensioen in de zin van het Besluit Pensioentoezegging.

2.10. Voorts is in artikel 20.1 van het Pensioenreglement 2006 vastgelegd dat eiseres ervoor zorg dient te dragen dat er te allen tijde voldoende middelen in het pensioenfonds aanwezig zijn om onder andere de rechten op pensioen krachtens het overgangsreglement, derhalve met inbegrip van het ”zacht pensioen", te dekken.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is uitsluitend de omvang van de voorziening voor de kosten van de voorwaardelijke pensioentoezegging in geschil, meer in het bijzonder de vraag of de kosten van de voorwaardelijke pensioentoezegging geheel aan het jaar 2005 toegerekend mogen worden.

3.2. Eiseres stelt zich - zakelijk weergegeven - primair op het standpunt dat de fiscale voorziening voor zacht pensioen per 31 december 2005 € c,- bedraagt. Bij de berekening van deze voorziening heeft een volledige toerekening van lasten plaatsgevonden aan verstreken dienstjaren, omdat de omvang van de aanspraak op “zacht pensioen” ook is berekend op basis van de reeds per 31 december 2005 verstreken dienstjaren. Er vindt (behoudens indexatie) geen verhoging meer plaats van deze aanspraak in de toekomst. Hieruit kan afgeleid worden dat het zacht pensioen uitsluitend is verbonden met de reeds per 31 december 2005 verstreken dienstjaren hetgeen een overeenkomstige toerekening van de last aan de reeds verstreken dienstjaren rechtvaardigt.

3.3. Eiseres wijst op de volgende omstandigheden die een dergelijke toerekening aan de verstreken dienstjaren ondersteunen:

• het extra in te kopen pensioen is berekend naar de situatie per 31 december 2005. De omvang van deze aanspraak is per werknemer gesteld op het laagste van:

(a) de voor hem/haar nog aanwezige fiscale loonruimte om pensioen op te bouwen ten aanzien van reeds voor 31 december 2005 verstreken dienstjaren, en

(b) het bedrag aan ”verloren aanspraken” onder de oude CAO vertrekregelingen waar de desbetreffende werknemer per 31 december 2005 uitzicht op had;

• de fiscale voorziening voor de aanspraak op het zacht pensioen is zodanig bepaald dat daarin geen coming service-element te onderkennen is;

• er vindt vanaf 2006 (behoudens indexatie en oprenting) geen verdere opbouw meer plaats van de aanspraak op zacht pensioen. Er is derhalve, behalve de voorwaarde dat de werknemer in dienst blijft tot de pensioeningangsdatum, geen verband tussen de hoogte van de aanspraak en de in de toekomst te verrichten diensttijd;

• in de uitspraak op bezwaar, blz 3, punt 2.3, wordt door verweerder erkend dat met zoveel woorden dat in het Museumplein Akkoord "is afgesproken dat eenmalig extra pensioen over tot 1 januari 2006 verstreken diensttijd mag worden ingekocht";

• met de voorwaardelijkheid van het in dienst blijven tot de datum van affinanciering is reeds rekening gehouden bij de waardering van de voorziening;

• de voorwaardelijkheid van het in dienst blijven tot de datum van affinanciering is niet relevant voor het bepalen van de toerekeningsperiode, maar uitsluitend van invloed op de hoogte van de voorziening per 31 december 2005. Eiseres heeft de voorwaardelijkheid tot uitdrukking gebracht door inachtneming van deelname en blijfkansen bij het bepalen van de omvang van de voorziening. Over de aldus berekende omvang van de voorziening met inachtneming van deze kansen vanwege de voorwaardelijkheid bestaat tussen partijen geen geschil.

3.4. Voor de subsidiaire en meer subsidiaire standpunten van eiseres verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.5. Verweerder stelt zich - zakelijk weergegeven – op het standpunt dat als gevolg van de voorwaarde van het in dienst blijven tot de datum van affinanciering, de kosten van de regeling “zacht pensioen” samenhangen met in de toekomst te verrichten arbeid, zodat de kosten van de voorwaardelijke pensioentoezegging moeten worden toegerekend aan de periode van 2006 tot en met 2020, en er derhalve bij de berekening van de hoogte van de voorziening ultimo 2005 een tijdsevenredige factor in aanmerking moet worden genomen.

3.6. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten overigens doen steunen verwijst de rechtbank voorts naar de gedingstukken.

3.7. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag, primair tot een naar een belastbaar bedrag van € d,-, met dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente tot nihil.

3.8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor de vorming van een fiscale voorziening is (cumulatief) vereist dat het om toekomstige uitgaven gaat die hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode voorafgaande aan de balansdatum (oorsprongsvereiste), die ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend (toerekening) en waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven zich zullen voordoen (zekerheidsvereiste).

4.2. Partijen zijn het eenparig erover eens dat is voldaan aan het oorsprongs- en het zekerheidsvereiste.

4.3. Aan het toerekeningsvereiste is voldaan indien de toekomstige uitgaven niet zijn toe te rekenen aan toekomstige voordelen en naar hun aard geen kosten van toekomstige jaren zijn. Het onderwerpelijke geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten van de pensioentoezegging gematcht kunnen worden met toekomstige voordelen. Is dit het geval, dan kunnen de kosten niet (geheel) toegerekend worden aan het jaar 2005 en is het gelijk aan verweerder. Is dit niet het geval, dan kunnen de kosten geheel aan het jaar 2005 toegerekend worden en is het gelijk aan eiseres.

4.4. De kosten welke voortvloeien uit de ultimo 2005 toegezegde voorwaardelijke pensioenaanspraken dienen aan het jaar 2005 te worden toegerekend. De hoogte van de pensioenaanspraken ultimo 2005 wordt immers (mede) bepaald door de in eerdere jaren niet benutte pensioenruimte, welke vaststaat en niet meer wordt beïnvloed door toekomstige arbeid, ondernemingsactiviteiten en/of ondernemingsresultaat. De pensioentoezegging heeft derhalve niet het karakter van een beloning voor de in de jaren na 2005 door de desbetreffende werknemers te verrichten arbeidsprestaties en is derhalve niet aan toekomstige arbeid toe te rekenen.

4.5. De pensioenaanspraken zijn slechts voorwaardelijk, in die zin dat de aanspraak slechts te gelde kan worden gemaakt indien de aanspraakgerechtigde op een bepaald, toekomstig moment nog in dienst is van eiseres. Dit element bepaalt niet de (omvang en/of hoogte van de) aanspraak zelf, maar slechts of en in welke mate de aanspraak tot een uitkering, en dus tot een affinanciering van de pensioenaanspraak, zal leiden. De voorwaardelijkheid vertaalt zich in een zekere mate van onzekerheid, te weten of de uit de aanspraken voortvloeiende uitgaven zich zullen gaan voordoen. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen en dat de contante waarde van de voorwaardelijke pensioentoezegging ultimo 2005 € c,- bedraagt.

4.6. Bij het vorenoverwogene is bovendien van belang dat eiseres onweersproken heeft gesteld dat in het Sociaal Akkoord 2004 de mogelijkheid tot uitstel van de financiering van de toegezegde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren werd geïntroduceerd, omdat bij het verlenen van een onvoorwaardelijke aanspraak aan de werknemers, door de werkgever jegens de pensioenfondsen direct een affinanciering van de aanspraak zou moeten plaatsvinden, hetgeen voor werkgevers tot enorme liquiditeitsproblemen zou leiden. De mogelijkheid tot uitstel van affinanciering werd niet in het leven geroepen, zoals verweerder kennelijk stelt, om een verband met toekomstige arbeid te leggen en/of om werknemers aan werkgevers te binden. Ware dit laatste de achtergrond van het voorwaardelijk maken van de aanspraken geweest, dan had het in de rede gelegen in de regeling op te nemen dat de aanspraken evenredig zouden worden verminderd bij het omzetten van een voltijddienstverband in een deeltijddienstverband, hetgeen niet is gebeurd. Tevens volgt uit de tussen eiseres en de desbetreffende werknemers tot stand gebrachte regeling dat de aanspraken niet worden verminderd ingeval van vrijstelling van arbeid of demotie binnen de dienstbetrekking. De (hoogte van de) aanspraak staat ultimo 2005 vast, ongeacht het toekomstig functioneren en het al dan niet arbeid verrichten binnen de dienstbetrekking.

4.7. Anders dan verweerder stelt, doet aan het vorenstaande niet af dat de Staatssecretaris van Financiën in zijn publicatie “Goed koopmansgebruik bij het voorwaardelijk toezeggen en financieren van extra pensioen in het kader van de Wet VPL (Vraag & Antwoord 05-071 d.d. 30 januari 2006)” tot een andersluidende opvatting komt.

4.8. Ook het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, nr. 10/00650, LJN: BN6391 en de aan dat arrest voorafgaande conclusie van advocaat-generaal Van Ballegooijen, waaraan verweerder refereert, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.9. Het arrest en de conclusie zien op een verlofregeling welke er in essentie op neerkomt dat werknemers kunnen kiezen voor een arbeidstijdverkorting van 20 percent vanaf 60 jaar, 30 percent vanaf 62 jaar en 40 percent vanaf 64 jaar tegen inlevering van respectievelijk 10 percent, 15 percent en 20 percent van het bruto maandsalaris. De hieruit voortvloeiende meerkosten worden opgeroepen doordat werknemers gebruik maken van de verlofregeling. De Hoge Raad overweegt dienaangaande:

“Die meerkosten worden gemaakt in de jaren waarin de desbetreffende werknemers hun dienstbetrekking onder de seniorenverlofregeling vervullen. De lasten die de werkgever uit hoofde van de seniorenverlofregeling heeft, behoren derhalve tot de door hem te betalen salarissen en de bijbehorende lasten (hierna: de salarislasten) in de jaren waarin het verlof wordt opgenomen. Deze lasten dienen, ook voor zover zij hoger zijn dan de salarislasten in andere jaren, in beginsel te worden toegerekend aan de door de werknemer in het desbetreffende jaar te verrichten arbeidsprestaties (vgl. HR 6 juni 1956, nr. 12806, BNB 1956/231). Immers, in beginsel mag ervan worden uitgegaan dat de salarislasten van een jaar betrekking hebben op de in dat jaar door de werknemer verrichte arbeidsprestaties.”

4.10. In de door de Hoge Raad beoordeelde seniorenverlofregeling worden de uitgaven direct opgeroepen door de meerkosten die worden gemaakt in de jaren waarin de desbetreffende werknemers voor toepassing van de regeling kiezen. Aldus is er een zodanig nauw verband tussen de meerkosten en de in die jaren te verrichten arbeid dat de kosten matchen met de in die jaren te verrichten arbeid en naar hun aard uitgaven van toekomstige jaren zijn.

4.11. In de thans te beoordelen regeling van eiseres worden de uitgaven van de pensioentoezegging opgeroepen door de ter zake van opgebouwd pensioen geldende fiscale ruimte over dienstjaren tot en met 2005 te benutten voor een pensioen ingaand op 65-jarige leeftijd en niet door de in toekomstige jaren te verrichten arbeid.

4.12. Gelet op al het vorenstaande is het gelijk aan eiseres, is het beroep daarom gegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.794 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor van 1,5; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1,5) en voor reiskosten op € 24,40 (2 maal treinreis tweede klasse), derhalve in totaal € 1.818,40.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € d,-;

- vermindert de beschikking heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.818,40;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 2011 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. P.J.J. Vonk, voorzitter, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Jansen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.