Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6550

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
184524 - KG ZA 11-379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding. Betekening kennisgeving omzetting taakstraf naar vervangende hechtenis rechtsgeldig gedaan. Wetgever heeft bewust afgezien van schorsende werking van het indienen van een bezwaarschrift tegen het omzettingsbesluit. Geen uitzonderlijke omstandigheden. Vorderingen tot onmiddellijke in vrijheid stelling en schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 184524 / KG ZA 11-379

Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 23 augustus 2011, houdende mondeling vonnis

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Vijfhuizen,

eiseres,

advocaat mr. L.J.L. Heukels,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. drs. R.W. Veldhuis.

De Staat der Nederlanden zal hierna de Staat genoemd worden.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. Th.S. Röell, voorzieningenrechter, en mr. M.W. Koenis, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

- mr. Heukels voornoemd

- mr. Veldhuis voornoemd.

Partijen blijven bij de eerder door hen ingenomen standpunten. De rechter wijst het volgende vonnis.

1. De feiten

1.1. [eiseres] is bij vonnis van 29 april 2009 door de politierechter te Haarlem bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis wegens verduistering in persoonlijke dienstbetrekking. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Op 17 december 2009 heeft bij Reclassering Nederland (hierna: de Reclassering) een intakegesprek met [eiseres] plaatsgevonden. Tijdens een kennismakingsgesprek met [eiseres] op 3 februari 2010 is afgesproken dat zij op 14 februari 2010 zou starten met de uitvoering van haar taakstraf.

1.3. Op 23 februari 2010 heeft [eiseres] telefonisch contact opgenomen met de Reclassering en medegedeeld dat zij in verband met een medische operatie niet met de uitvoering van de taakstraf is begonnen. Zij heeft in dit telefoongesprek voorts verzocht om post voortaan te verzenden naar haar werkadres, [adres] te IJmuiden.

1.4. De Reclassering heeft zowel op 16 maart 2010 als op 1 juni 2010 geconstateerd dat [eiseres] niet met de uitvoering van de taakstraf was begonnen. De Reclassering heeft vervolgens op 1 juni 2010 telefonisch contact met haar opgenomen. Afgesproken is dat [eiseres] op 3 juni 2010 zou langskomen voor het maken van nieuwe afspraken. De Reclassering heeft [eiseres] voorts schriftelijk bericht dat zij op 6 juli 2010 diende te starten met de uitvoering van de taakstraf.

1.5. [eiseres] heeft de Reclassering op 3 juni 2010 telefonisch bericht niet op de afspraak van die datum te zullen verschijnen in verband met haar werk. De Reclassering heeft vervolgens meermalen vergeefs telefonisch contact met haar gezocht. [eiseres] is niet gestart met de uitvoering van de taakstraf. De Reclassering heeft op 6 en 7 juli wederom vergeefs telefonisch contact met haar gezocht. De Reclassering heeft daarop besloten de uitvoering van de taakstraf stop te zetten.

1.6. De officier van justitie heeft op 4 augustus 2010 besloten de taakstraf op voet van artikel 22g lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) om te zetten naar 50 dagen vervangende hechtenis en tevens de tenuitvoerlegging daarvan bevolen. De betekening van de kennisgeving als bedoeld in artikel 22g lid 2 Sr heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 lid 1 sub b onder 3 Sr (uitreiking bij gebreke van inschrijving als ingezetene in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en van een feitelijke woon- of verblijfplaats) op 23 september 2010 plaatsgevonden door uitreiking aan de griffier van rechtbank Haarlem.

1.7. [eiseres] is op 16 augustus 2011 aangehouden op het politiebureau Koudenhorn te Haarlem. Zij is op 17 augustus 2011 overgebracht naar de penitentiaire inrichting te Zwolle voor de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

1.8. [eiseres] heeft op 22 augustus 2011 een gratieverzoek ingediend ertoe strekkende dat de vervangende hechtenis wordt omgezet naar een taakstraf van 100 uur. [eiseres] heeft op 23 augustus 2011 bij rechtbank Haarlem een bezwaarschrift ex artikel 22g lid 3 Sr ingediend.

2. De beoordeling

2.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van de Staat tot, primair, onmiddellijke in vrijheid stelling, subsidiair, schorsing van de vervangende hechtenis totdat op het gratieverzoek c.q. het bezwaarschrift is beslist. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de betekening van de kennisgeving door uitreiking aan de griffier van de rechtbank niet rechtsgeldig is geschied, aangezien deze op haar verblijfplaats in persoon aan haar betekend had behoren te worden althans een poging daartoe had moeten worden ondernomen. Weliswaar heeft zij in de periode van 30 maart 2010 tot 7 maart 2011 niet meer in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) ingeschreven gestaan, maar het was de Staat bekend dat zij verblijf hield aan [adres] te IJmuiden. Doordat zij pas op het moment van haar aanhouding op 16 augustus 2011 op de hoogte is geraakt van het bestaan van de kennisgeving, is zij niet in de gelegenheid geweest tijdig bezwaar te maken tegen het besluit de taakstraf om te zetten in vervangende hechtenis.

2.2. Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] dient het volgende voorop te worden gesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bewust afgezien van het toekennen van schorsende werking aan de behandeling van een bezwaarschrift ex artikel 22g lid 3 Sr. De behandeling van een gratieverzoek als door [eiseres] gedaan heeft evenmin schorsende werking. Gelet daarop is er voor het treffen van maatregelen als door [eiseres] verzocht slechts aanleiding indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen.

2.3. Het betoog van [eiseres] komt er in de kern op neer dat de officier van justitie gehouden was de kennisgeving nogmaals te betekenen op het door haar opgegeven postadres. Dit betoog faalt op grond van de navolgende overwegingen. Ter zitting heeft [eiseres] gesteld ook op het door haar opgegeven postadres [adres] te IJmuiden te hebben gewoond, doch zij heeft niet gesteld dat zij de Reclassering op enig moment daarvan in kennis heeft gesteld. Uit de enkele omstandigheid dat de Rapportage reclassering van 28 juli 2010 melding maakt van dit adres als adres van [eiseres] kan dit niet worden afgeleid, aangezien daarmee ook een postadres kan zijn bedoeld. Bovendien vermeldt de Rapportage reclassering tevens dat op 24 juni 2010 een melding is ontvangen dat [eiseres] zonder vaste woon- of verblijfplaats was en dat naar aanleiding daarvan een VIP check is gedaan met hetzelfde resultaat. Tussen partijen is niet in geschil dat [adres] na juni 2010 niet meer als postadres is gebruikt. Voorshands staat vast dat er na 3 juni 2010 ondanks pogingen daartoe van de zijde van de Reclassering geen contact met [eiseres] meer is geweest. Niet in geschil is dat van [eiseres] op het moment van het uitreiken van de kennisgeving op 23 september 2010 geen woon- of verblijfadres in het GBA was opgenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de officier van justitie onder deze omstandigheden kunnen volstaan met een uitreiking aan de griffier van de rechtbank zoals door hem is gedaan. Overigens heeft [eiseres] onvoldoende omstandigheden aangevoerd die tot het treffen van maatregelen nopen als gevorderd. Uit hetgeen in 2.2 is overwogen, moet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat inmiddels een bezwaarschrift en een gratieverzoek is ingediend daartoe onvoldoende is.

2.4. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht EUR 560,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.376,00

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. weigert de voorziening,

3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op EUR 1.376,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

De rechter sluit de zitting.

Waarvan proces-verbaal,