Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6549

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
183625 - KG ZA 11-329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

VORDERING IN KORT GEDING VAN TOEGELATEN INSTELLING EX ART. 70 WONINGWET TOT ONTRUIMING DOOR DE ZOON VAN DE DOOR ZIJN OVERLEDEN MOEDER GEHUURDE WONING

Zoon is voornemens een vordering ex artikel 7:268 lid 2 BW in te stellen.

Voorzieningenrechter overweegt dat in kort geding de ontruiming van het gehuurde kan worden bevolen indien evident is dat de achterblijver niet aan de criteria van genoemde bepaling voldoet. Niet evident is dat de zoon niet aan die criteria voldoet. Voor zover daarover twijfel bestaat, moet aan de zoon de gelegenheid worden geboden om zijn stellingen in de door hem aangekondigde bodemprocedure te onderbouwen. De jurisprudentie met betrekking tot jongvolwassenen van wie mag worden verwacht dat ze op korte termijn op eigen benen gaan staan en zelfstandig gaan wonen, gaat in casu niet op. De zoon is 47 jaar oud, heeft jarenlang met zijn moeder samengewoond, ook in een eerdere woning, en staat nergens als woningzoekende ingeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183625 / KG ZA 11-329

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2011

in de zaak van

de stichting

WONINGSTICHTING ROCHDALE,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. W.J. Leenders te Amsterdam,

tegen

1. [S],

wonende te Zaandam,

gedaagde,

advocaat mr. M.E. Zweers te Amsterdam,

2. DE PERSONEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, GELEGEN TE ZAANDAM AAN [adres],

gedaagden,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna Rochdale worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal worden aangeduid als [S].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de vermindering van eis

- de pleitnota van Rochdale

- de pleitnota van [S].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Rochdale is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 van de Woningwet. Met ingang van 1 juli 1996 heeft Rochdale de woning aan [adres] te Zaandam, (hierna: de woning) verhuurd aan [S], de moeder van gedaagde sub 1. [S] zal hierna worden aangeduid als moeder [S].

2.2. [S] heeft van 30 oktober 1996 tot 25 juli 1997 en van 17 maart 2005 tot 14 april 2010 ingeschreven gestaan op het adres [adres] te Zaandam en staat daar vanaf 30 juli 2010 tot heden ingeschreven. De (inmiddels ex-)echtgenote van [S] en hun twee kinderen stonden van 10 juli 1996 tot 21 februari 2002 ook op dat adres ingeschreven. Voorts hebben diverse andere familieleden en kennissen van moeder [S] op [adres] te Zaandam ingeschreven gestaan.

2.3. De gemeente Zaanstad heeft moeder [S] bij besluit van 12 januari 2011 medegedeeld dat zij per 27 december 2010 was uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie wegens vertrek naar Turkije.

2.4. Bij brief van 22 februari 2011 heeft Rochdale de bewoners van de woning medegedeeld dat was geconstateerd dat moeder [S] niet meer op het adres [adres] woonde en dat de bewoners de woning onrechtmatig in gebruik hadden. [S] en de overige bewoners werden gesommeerd de woning binnen vijf dagen te ontruimen.

2.5. Moeder [S] heeft tegen het onder 2.3 genoemde besluit een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is op 15 april 2011 gegrond verklaard.

2.6. Op 14 april 2011 is moeder [S] in de woning overleden.

2.7. Bij brief van 28 april 2011 heeft de advocaat van Rochdale [S] en overige bewoners van de woning gesommeerd deze uiterlijk op 6 mei 2011 te ontruimen.

2.8. [S] is voornemens op korte termijn bij de sector Kanton van deze rechtbank een bodemprocedure te starten waarin hij op de voet van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vordert dat de kantonrechter zal bepalen dat hij de huur van de woning na verloop van zes maanden na het overlijden van moeder [S] voor onbepaalde tijd zal voortzetten.

3. Het geschil

3.1. Rochdale heeft ter zitting de vordering ingetrokken voor zover die werd ingesteld tegen gedaagden sub 2. Ten aanzien van [S] vordert Rochdale dat de voorzieningenrechter hem bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan [adres] te Zaandam met de daarin van zijnentwege aanwezige goederen en personen te verlaten, onder afgifte van de sleutels aan Rochdale, en de woning met al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Rochdale te stellen.

3.2. [S] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Rochdale legt aan haar vordering ten grondslag dat [S] zonder recht of titel in de woning verblijft, nu hij geen hoofdhuurder is en evenmin medehuurder. Volgens Rochdale heeft de door [S] in te stellen vordering ex artikel 7:268 lid 2 BW geen kans van slagen. Rochdale wijst erop dat [S] vanaf de aanvang van de huur door moeder [S] lange periodes elders heeft gewoond waardoor niet kan worden gezegd dat [S] in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Voorts voert Rochdale aan dat moeder [S] grote delen van het jaar in Turkije verbleef, zodat in die periodes geen sprake is geweest van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Voor zover [S] met zijn moeder samenwoonde kan die situatie, volgens Rochdale, niet als duurzaam worden bestempeld, aangezien volgens vaste jurisprudentie de samenwoning van ouders met hun meerderjarige kinderen als aflopend moet worden beschouwd. Rochdale betwijfelt voorts of [S] in financieel opzicht voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst. Zij stelt dat aan de onrechtmatige bewoning van de woning door [S] zo spoedig mogelijk een einde moet komen, omdat zij de woning dient te verhuren aan degene die daar volgens het toewijzingsbeleid van sociale huurwoningen recht op heeft. Daarom kan van haar niet worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De wetgever heeft in artikel 7:268 lid 2 BW aan degene die in een huurwoning achterblijft na het overlijden van de huurder een termijn van zes maanden gegund om een procedure te starten waarin hij vordert dat hij de huur mag voortzetten. Die mogelijkheid staat uitsluitend open voor de achterblijver die in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Indien evident is dat de achterblijver niet aan die criteria voldoet, kan in kort geding de ontruiming van het gehuurde worden bevolen.

4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet op voorhand worden aangenomen dat [S], zoals Rochdale stelt, niet voldoet aan de criteria van artikel 7:268 lid 2 BW. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.4. [S] staat sinds lange tijd, in ieder geval vanaf maart 2005, ingeschreven op het adres [adres] te Zaandam, met dien verstande dat de inschrijving gedurende de periode van 14 april tot 30 juli 2010 om onverklaarbare reden onderbroken is geweest. [S] zegt dat hij daartoe geen opdracht heeft gegeven. Niet ondenkbaar is dat met de uitschrijving van een nichtje van partijen, Y. [S], [S] zelf per abuis ook is uitgeschreven. Wat er zij van die tijdelijke uitschrijving, vooralsnog is voldoende aannemelijk dat [S] al sinds geruime tijd zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde.

4.5. Voorts acht de voorzieningenrechter niet op voorhand onaannemelijk dat [S] en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. In de eerste plaats overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is dat moeder [S] geen hoofdverblijf meer had in het gehuurde. Het enkele feit dat zij regelmatig enkele maanden in Turkije verbleef kan daarvoor niet doorslaggevend zijn. In dit verband is van belang dat de uitschrijving van moeder [S] door de Gemeente uit de Gemeentelijke Basisadministratie ongedaan is gemaakt en dat zij tot aan haar overlijden ingeschreven heeft gestaan op [adres].

4.6. De voorzieningenrechter volgt Rochdale niet in haar stelling dat de samenwoning van [S] en zijn moeder als aflopend moet worden beschouwd. De door Rochdale bedoelde jurisprudentie heeft betrekking op jongvolwassenen van wie mag worden verwacht dat ze op korte termijn op eigen benen gaan staan en zelfstandig gaan wonen. Voor hen is de regeling van artikel 7:268 lid 2 BW niet geschreven. [S] behoort echter niet tot die groep. Hij is 47 jaar oud en heeft jarenlang met zijn moeder samengewoond, eerst in een woning op [adres 2] en later op het onderhavige adres. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat het de bedoeling van [S] en/of zijn moeder is geweest in die situatie verandering aan te brengen. [S] staat ook nergens als woningzoekende ingeschreven. Bij die stand van zaken is vooralsnog de conclusie gerechtvaardigd dat de gemeenschappelijke huishouding van [S] en zijn moeder duurzaam van karakter was.

4.7. Het vorenstaande voert tot de conclusie dat niet evident is dat [S] niet aan de criteria van artikel 7:268 lid 2 BW voldoet en daardoor niet in aanmerking komt om de huur van de woning voort te zetten. Voor zover daarover twijfel bestaat moet aan [S] de gelegenheid worden geboden om zijn stellingen in de door hem aangekondigde bodemprocedure met bewijs te onderbouwen.

4.8. Rochdale heeft nog gesteld dat de financiële positie van [S] verre van rooskleurig is. Voor zover zij hiermee beoogt te stellen dat verwacht mag worden dat de bodemrechter de vordering van [S] ex artikel 7:268 lid 2 BW zal afwijzen op grond van het bepaalde in lid 3 sub b van dat artikel en dat vooruitlopend daarop een bevel tot ontruiming in kort geding gerechtvaardigd is, gaat die stelling niet op. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [S] is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat hij niet in staat is de huur van de woning te betalen.

4.9. Al het voorgaande betekent dat de gevorderde ontruiming in kort geding niet voor toewijzing vatbaar is. Rochdale zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [S] worden begroot op:

- griffierecht 71,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 887,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. veroordeelt Rochdale in de proceskosten, aan de zijde van [S] tot op heden begroot op EUR 887,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2011.?