Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6548

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
183626 - KG ZA 11-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dwangsom op een veroordeling tot betaling van een geldsom; artt. 611a, lid 1, laatste zin, en 611d Rv

Gedaagde is in een eerder kort geding tussen partijen veroordeeld om ten behoeve van eiseres een geldsom te storten op de derdengeldrekening van de advocaat van eiseres onder de bepaling dat dat geld op die rekening dient te blijven berusten totdat rechtens onherroepelijk zal zijn beslist over de aanspraken van gedaagde op dat geld danwel partijen dienaangaande nadere overeenstemming bereiken. Gedaagde heeft slechts een deel van het geld betaald. Eiseres vordert in het onderhavige kort geding een dwangsom op de in het eerste kort geding gegeven veroordeling, omdat de deurwaarder zegt het eerste kort gedingvonnis op grond van het bepaalde in art. 611a lid 1, laatste zin, Rv niet te kunnen executeren. De voorzieningenrechter weigert die voorziening. Niet staat vast dat in het onderhavige geval een dwangsom toelaatbaar is. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde in de onmogelijkheid verkeert om verder aan het eerste kort gedingvonnis uitvoering te geven. Eiseres moet echter wel de mogelijkheid krijgen de haar in het eerste kort geding vonnis toegewezen bedrag volledig te incasseren, terwijl gedaagde de hem door het eerste kort gedingvonnis verleende zekerheid niet mag verliezen. Volgt het verlenen van een te executeren titel aan eiseres onder de verplichting de daarmee geïncasseerde bedragen onmiddellijk toe te voegen aan genoemd depot bij haar advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183626 / KG ZA 11-330

Vonnis in kort geding van 18 augustus 2011

in de zaak van

[A],

wonende te Wormer,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.H. Visser te Wormerveer,

tegen

[B],

wonende te Wormer,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.E. Hooijschuur te Wormerveer.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de eis in reconventie

- de vermindering van eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en tot eind maart 2010 samengewoond in hun gezamenlijke woning te Wormer. In het kader van de samenwoning hebben partijen een gezamenlijke rekening geopend bij de ING bank (hierna: de en/of-rekening), van welke rekening de gezamenlijke lasten werden betaald.

2.2. Van de en/of-rekening zijn in de periode september 2008 tot maart 2010 via een automatische incasso maandelijks twee loten in de Nationale Postcode Loterij (hierna: de Postcodeloterij) gekocht en betaald.

2.3. Eind maart 2010 is de relatie tussen partijen beëindigd. [B] heeft de gezamenlijke woning daartoe verlaten.

2.4. Bij de trekking van de Postcodeloterij van maart 2010 is op de in februari 2010 aangeschafte loten een prijs van EUR 30.869,56 per lot gevallen. Op 24 maart 2010 zijn de prijzen in twee gelijke bedragen van EUR 30.869,56 op de en/of-rekening van partijen gestort.

2.5. Op 24 maart 2010 heeft [B] een bedrag van EUR 59.000,-- van de en/of-rekening naar zijn privé-betaalrekening overgeboekt.

2.6. Vervolgens heeft [A] bij deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt waarin zij primair vorderde veroordeling van [B] tot betaling aan haar van EUR 30.869,56, vermeerderd met wettelijke rente, en subsidiair veroordeling van [B] tot storting van voornoemd bedrag op de derdenrekening van de raadsman van [A] c.q. die van een notaris, totdat onherroepelijk zal zijn beslist over de aanspraken van partijen daaromtrent.

2.7. Bij vonnis in kort geding van 8 november 2010 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering toegewezen. Het dictum van dat vonnis luidt, voor zover hier van belang,

De voorzieningenrechter

veroordeelt [B] om ten behoeve van [A] het bedrag van EUR 29.500,00 (negenentwintigduizendvijfhonderd euro), binnen een week na betekening van dit vonnis te storten op de derdenrekening nummer 54.75.10.217 ten name van de Stichting Beheer Derdengelden van Advocatenkantoor Visser onder de bepaling dat deze gelden op dit rekeningnummer dienen te blijven berusten totdat rechtens onherroepelijk zal zijn beslist over de aanspraken op deze gelden van [B] jegens [A] danwel partijen dienaangaande nadere overeenstemming bereiken.

2.8. [A] heeft het vonnis op 11 november 2010 aan [B] doen betekenen. [B] heeft nadien EUR 14.500,-- op de derdenrekening van mr. Visser gestort. Het vonnis is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat [B] een dwangsom verbeurt van EUR 500,00 voor iedere dag dat hij na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft te voldoen aan het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 8 november 2010 met zaaknummer 174037 / KG ZA 10-505 voor zover het betreft het restantbedrag van EUR 15.000,00 dat [B] ingevolge dat vonnis nog dient over te maken op de derdenrekening nummer 54.75.10.217 ten name van de Stichting Beheer Derdengelden van Advocatenkantoor Visser.

3.2. [B] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [B] vordert, na vermindering van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A] zal veroordelen om binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis aan [B] te voldoen een bedrag van EUR 15.000,-- als voorschot op de verdeling en ter compensatie voor de door [B] voor [A] betaalde kosten .

4.2. [A] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. [A] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij geen mogelijkheden heeft om het vonnis in kort geding van 8 november 2010 ten uitvoer te leggen. De deurwaarder acht zich niet bevoegd executoriaal beslag te leggen, omdat het vonnis geen veroordeling inhoudt tot betaling aan haar, maar op de derdenrekening van haar advocaat. Zij vordert daarom dat de voorzieningenrechter, als prikkel tot nakoming, een dwangsom aan de bij het vonnis gegeven veroordeling zal verbinden.

5.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Aan een veroordeling tot betaling van een geldsom aan een derde kan in beginsel een dwangsom worden verbonden. Die mogelijkheid is in het leven geroepen voor de situatie dat de schuldeiser geen directe wijze van executie ter beschikking staat. In het vonnis van 8 november 2010 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [A] en [B] in beginsel ieder gerechtigd zijn tot de helft van de gelden op de en/of-rekening en dat de vordering van [A] voor toewijzing gereed lag tot EUR 29.500,--, zijnde de helft van het door [B] van die rekening opgenomen bedrag. In verband met het feit dat [B] mogelijk een tegenvordering heeft op [A] heeft de voorzieningenrechter hem veroordeeld voornoemd bedrag in depot te storten op de derdengeldrekening van de advocaat van [A] in afwachting van de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van partijen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit het voorgaande worden afgeleid dat de veroordeling weliswaar is ingericht als betalingsverplichting aan een derde, maar dat deze niettemin strekt tot betaling aan [A] zelf. Er is immers geen sprake van een eigen aanspraak van de advocaat van [A] op het te betalen bedrag. In die situatie staat niet vast dat voldoening niet met de gewone directe executiemiddelen, met name executoriaal beslag, kan worden bereikt. Derhalve staat evenmin vast dat in dit geval oplegging van een dwangsom toelaatbaar is.

5.3. Nu [A] echter onweersproken heeft gesteld dat de deurwaarder zich niet bevoegd acht tot het treffen van executiemaatregelen omdat de veroordeling strekt tot betaling op de derdenrekening van haar advocaat, zal de voorzieningenrechter er in het navolgende van uitgaan dat zij geen mogelijkheden heeft om het vonnis zelf te executeren en dat aan de veroordeling in beginsel een dwangsom kan worden verbonden.

5.4. [B] heeft aangegeven geen geld te hebben om aan de veroordeling te voldoen. Hij voert voorts aan dat een dwangsom er slechts toe zou leiden dat zijn schuld aan [A] hoger wordt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dat niet de bedoeling zijn geweest van de toewijzing van het mindere bij het vonnis van 8 november 2010. Door [A] is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [B] in staat is de resterende EUR 15.000,-- te betalen. Het opleggen van een dwangsom in die situatie zou leiden tot een overmachtsituatie als bedoeld in artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Als die situatie zich voordoet dient de dwangsom te worden opgeheven. Dit betekent dat een dwangsom in die situatie ook niet kan worden opgelegd.

5.5. Daar staat tegenover dat bij het vonnis, dat inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, is bepaald dat [A] aanspraak heeft op het resterende bedrag van EUR 15.000,--. [A] moet daarom de mogelijkheid krijgen om proefondervindelijk te ervaren dat [B] al dan niet in staat is om dat bedrag te voldoen. Anderzijds is door de veroordeling om het bedrag te storten op de derdenrekening van de advocaat van [A] aan [B] de zekerheid verschaft dat de gelden waarop beide partijen aanspraak menen te kunnen maken, op die rekening blijven staan totdat er duidelijkheid is omtrent de gegrondheid van die aanspraken. Die zekerheid mag niet verloren gaan.

5.6. Gelet op al het voorgaande zal aan [A] zelf een titel worden verleend voor het incasseren van EUR 15.000,--, maar wel op de voorwaarde dat zij, als zij bedragen incasseert c.q. als [B] betaalt, die bedragen onmiddellijk zal toevoegen aan het depot dat reeds berust bij mr. Vissser en dat zij terstond na elke incassering c.q. betaling van enig bedrag de advocaat van [B] daarvan in kennis zal stellen.

5.7. Een degelijke constructie is ter zitting met partijen besproken en daartegen is door geen van hen bezwaar gemaakt, met dien verstande dat [B] is gebleven bij zijn standpunt dat hij een tegenvordering heeft op [A]. Van die gepretendeerde tegenvordering is in het eerste kort geding echter al vastgesteld dat die zich niet leent voor behandeling in kort geding. Als partijen niet alsnog in onderling overleg overeenstemming over de door [B] gestelde tegenvordering (en over de verkoop van de woning) bereiken, is het aan [B] om terzake een bodemprocedure te beginnen. De wens van [B] om voor de door hem gestelde tegenvordering ook zekerheid te krijgen kan door hem gevonden worden in het depot dat al onder mr. Visser berust en de aanvullingen die daarop eventueel zullen komen op basis van na te melden veroordeling.

5.8. Het vorenstaande impliceert uiteraard niet dat [B] het bedrag van EUR 15.000,-- tweemaal moet betalen (eenmaal krachtens het vonnis van 8 november 2010 en eenmaal op grond van het onderhavige vonnis), nu de voorzieningenrechter er bij het voorgaande van uit gaat dat [A] het vonnis van 8 november 2010 niet ten uitvoer kan leggen en aan haar daartoe ook geen dwangmiddel wordt toegekend.

5.9. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Hetgeen in conventie werd overwogen met betrekking tot de door [B] gepretendeerde tegenvordering brengt met zich dat de in reconventie gevraagde voorziening niet voor toewijzing vatbaar is.

6.2. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [B] om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro),

7.2. bepaalt dat [A] ieder bedrag dat door executiemaatregelen wordt geïncasseerd dan wel door [B] aan haar wordt betaald onmiddellijk dient te storten op de derdenrekening met nummer 54.75.10.217 ten name van de Stichting Beheer Derdengelden van Advocatenkantoor Visser, waar deze gelden dienen te blijven berusten totdat rechtens onherroepelijk zal zijn beslist over de aanspraken op deze gelden van [B] jegens [A], dan wel partijen dienaangaande nadere overeenstemming bereiken,

7.3. bepaalt dat [A] terstond na elke incassering c.q. betaling van enig bedrag bij c.q. door [B] de advocaat van [B] daarvan in kennis dient te stellen,

7.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.7. weigert de gevraagde voorziening,

7.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2011.?