Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6492

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
184526 HA / RK 11-130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking Kinderrechter. Naar het oordeel van de rechtbank is het wrakingsverzoek - deels - niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek. Het voorgaande betekent dat verzoeker - voor dat deel - niet in zijn wrakingsverzoek kan worden ontvangen en dat de rechtbank in zoverre niet aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek toekomt.

Het wrakingsverzoek, voor zover ontvankelijk, vloeit (naar de kern samengevat) voort uit een (afwijzende) procesbeslissing. Een procesbeslissing van een rechter, ook als deze beslissing in het nadeel van de verzoeker uitvalt en zelfs als die beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, zal in het algemeen geen grond kunnen zijn om een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aan te ontlenen. Dat is slechts anders, als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing neemt die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek om getuige E te horen een procesbeslissing betreft. Een rechter moet een tussentijds aan haar gevraagde procesbeslissing kunnen nemen en motiveren opdat het proces voortgang kan vinden. Met het nemen van een dergelijke beslissing blijkt onvermijdelijk van een standpunt van de rechter, maar dat impliceert niet zonder meer dat een vrees voor partijdigheid voor andere door de rechter te nemen beslissingen objectief gerechtvaardigd is.

Door de beslissing getuige E niet te horen, heeft de kinderrechter zich niet – ook niet impliciet – uitgelaten over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, laat staan over de schuldvraag en een eventuele bewezenverklaring. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 512
Wetboek van Strafvordering 513
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

Zaaknummer: 184526 HA / RK 11-130

Datum beslissing: 26 augustus 2011

Op verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [datum] te Haarlem,

wonende te [adres],

hierna te noemen: verzoeker,

raadsman mr. K. Kasem, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1 Op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van de Kinderrechter van 19 augustus 2011 heeft verzoeker de wraking verzocht van mr. [A], hierna te noemen: de Kinderrechter, in de bij deze rechtbank, sector Strafrecht, aanhangige zaak met parketnummer 15/750016-11, hierna te noemen: de hoofdzaak. Van het verhandelde ter terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de raadsman van verzoeker en aan de officier van justitie is uitgereikt.

1.2 De Kinderrechter heeft niet in de wraking berust.

1.3 De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking van mr. [A] op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van 23 augustus 2011 behandeld. Verzoeker en zijn raadsman, de officier van justitie mr. C.J.V. van Venrooij en de Kinderrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker, zijn raadsman en de Kinderrechter zijn ter terechtzitting verschenen en hebben hun zienswijze op het verzoek gegeven. De officier van justitie is, overeenkomstig zijn bericht, niet ter terechtzitting verschenen.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1 Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 augustus 2011 ter onderbouwing van het verzoek tot wraking - zakelijk weergegeven - als gronden aangevoerd dat de Kinderrechter het verzoek tot het horen van de getuigen [B], [C], [D] en [E] heeft afgewezen, terwijl deze getuigen op grond van het noodzaakcriterium wel gehoord zouden moeten worden. De raadsman van verzoeker is hierdoor niet in de gelegenheid gesteld om deze getuigen vragen te stellen terwijl de Kinderrechter stelt dat de verklaringen van deze getuigen op hoofdlijnen hetzelfde zijn.

2.2 De raadsman heeft ter terechtzitting van 23 augustus 2011 de in het proces-verbaal van de terechtzitting in de hoofdzaak van 19 augustus 2011 opgenomen wrakingsgronden nader toegelicht. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de Kinderrechter op de eerdere terechtzitting van 30 juni 2011 het verzoek tot het horen van de getuigen [B], [C] en [D] op grond van het noodzaakcriterium heeft afgewezen onder de motivering dat [B] en [C] al drie- respectievelijk tweemaal gehoord waren, waarbij zij steeds gedetailleerd, hetzelfde en eensluidend verklaard hebben.

Ter terechtzitting van 19 augustus 2011 heeft de raadsman het verzoek genoemde getuigen te horen herhaald en aangevuld met getuige [D]. De Kinderrechter heeft vervolgens ook dit verzoek op grond van het noodzaakcriterium afgewezen. De Kinderrechter heeft daarbij verwezen naar haar eerdere afwijzende beslissing van 30 juni 2011 en (wederom) overwogen dat de getuigen [B], [C] en [E] op hoofdlijnen hetzelfde en eensluidend verklaard hebben.

Door uitdrukkelijk te overwegen dat de getuigen ieder gedetailleerd, hetzelfde en eensluidend verklaard hebben heeft de Kinderrechter een inhoudelijk oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. De verdediging is door de Kinderrechter daarentegen niet in de gelegenheid gesteld deze getuigen nadere vragen te stellen. Het vorenstaande rechtvaardigt de objectieve vrees dat de Kinderrechter vooringenomen is, aldus de raadsman.

2.3 De Kinderrechter heeft ter terechtzitting van 23 augustus 2011 aangegeven dat de wraking haars inziens ten onrechte is voorgesteld. De Kinderrechter heeft toegelicht dat zij ter terechtzitting van 30 juni 2011 geconstateerd heeft dat de eerder door de getuigen afgelegde verklaringen qua inhoud op hoofdlijnen met elkaar overeenkwamen. Om die reden bestond er voor haar geen noodzaak deze getuigen nogmaals te horen en heeft zij het verzoek van de raadsman afgewezen. De Kinderrechter bestrijdt dat zij zich met deze beslissing heeft uitgelaten over de betrouwbaarheid van de getuigen. Ter terechtzitting van 19 augustus 2011 heeft de raadsman het verzoek herhaald en aangevuld met een vierde getuige. Dit verzoek heeft zij (wederom) afgewezen onder dezelfde motivering als ter terechtzitting van 30 juni 2011. De Kinderrechter heeft benadrukt op grond van de stukken van het strafdossier een beslissing te hebben genomen, die geenszins was ingegeven door een vooringenomenheid jegens verzoeker.

3. Beoordeling

3.1 Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2 Op grond van het bepaalde in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.3 De wrakingskamer stelt vast dat de Kinderrechter reeds ter terechtzitting van 30 juni 2011 op grond van de thans gewraakte motivering het verzoek tot het horen van de getuigen [B], [C] en [D] heeft afgewezen. Ter terechtzitting van 30 juni 2011 was mr. Kneepkens - een voor mr. Kasem waarnemend kantoorgenoot - aanwezig, die na de afwijzing van het getuigenverzoek geen verzoek tot wraking heeft ingediend. Het wrakingsverzoek is eerst ingediend ter terechtzitting van 19 augustus 2011 na een herhaald verzoek tot het horen van de genoemde getuigen, welk verzoek wederom op grond van dezelfde motivering werd afgewezen.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank is het wrakingsverzoek, voor zover dat voortvloeit uit de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [B], [C] en [D], dan ook niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek. De feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek berust waren niet alleen verzoeker, maar ook de waarnemend raadsman immers reeds ter terechtzitting van 30 juni 2011 bekend. Het wrakingsverzoek had conform het bepaalde in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dan ook direct ter terechtzitting van 30 juni 2011 gedaan moeten worden. De omstandigheid dat de raadman ter terechtzitting van 19 augustus 2011 nogmaals (op dezelfde gronden) heeft verzocht de reeds afgewezen getuigen te horen, waarna dit verzoek wederom met de gewraakte motivering is afgewezen, maakt dit, nu het een herhaling van zetten betreft, niet anders.

3.5 Het voorgaande betekent dat verzoeker, voor zover het wrakingsverzoek voortvloeit uit de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [B], [C] en [D], niet in zijn wrakingsverzoek kan worden ontvangen en dat de rechtbank in zoverre niet aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek toekomt.

3.6 Het verzoek tot het horen van getuige [E] is eerst ter terechtzitting van 19 augustus 2011 gedaan en afgewezen. De raadsman heeft direct daarna de wraking van de Kinderrechter verzocht. Het wrakingsverzoek, voor zover dat voortvloeit uit de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige [E] is aldus tijdig ingediend. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit wrakingsverzoek het volgende.

3.7 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets).

3.8 Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend.

3.9 Gesteld noch gebleken is dat de Kinderrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.10 Een procesbeslissing van een rechter, ook als deze beslissing in het nadeel van de verzoeker uitvalt en zelfs als die beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, zal in het algemeen geen grond kunnen zijn om een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aan te ontlenen. Dat is slechts anders, als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing neemt die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.11 De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek om getuige [E] te horen een procesbeslissing betreft. Een rechter moet een tussentijds aan haar gevraagde procesbeslissing kunnen nemen en motiveren opdat het proces voortgang kan vinden. Met het nemen van een dergelijke beslissing blijkt onvermijdelijk van een standpunt van de rechter, maar dat impliceert niet zonder meer dat een vrees voor partijdigheid voor andere door de rechter te nemen beslissingen objectief gerechtvaardigd is.

3.12 De raadsman van verzoeker heeft betoogd dat de Kinderrechter met de afwijzing van het verzoek om getuige [E] te horen (impliciet) heeft aangegeven dat haar betrouwbaarheidsoordeel omtrent de verklaringen van die getuige reeds vaststond en dat zij daarmee de objectieve vrees voor partijdigheid heeft gewekt. De wrakingskamer deelt deze mening niet. Als motivering voor de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige heeft de Kinderrechter immers (naar de kern samengevat) slechts overwogen dat de getuige qua inhoud reeds meermalen gedetailleerd, gelijkluidend en op hoofdlijnen hetzelfde als andere getuigen verklaard heeft en dat zij derhalve geen noodzaak zag de getuige andermaal te horen. Het vorenstaande betreft slechts een feitelijke constatering omtrent de inhoud en strekking van de eerder door de getuige afgelegde verklaringen. Door de beslissing getuige [E] niet te horen, heeft de kinderrechter zich dan ook niet – ook niet impliciet – uitgelaten over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, laat staan over de schuldvraag en een eventuele bewezenverklaring.

3.13 De feiten en omstandigheden die namens verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren zijn gebracht, leveren aldus geen grond op voor het oordeel dat het fungeren van de Kinderrechter in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen lijden. De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.

3.14 De rechtbank zal het verzoek, voor zover ontvankelijk, dan ook afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 verklaart het verzoek partieel niet-ontvankelijk zoals overwogen in rechtsoverweging 3.5;

4.2 wijst het verzoek om wraking van mr. [A] voor het overige af;

4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de Kinderrechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.4 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. H.M. van Dam en mr. M. Flipse, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2011 in tegenwoordigheid van mr. M.S. Kikkert als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.