Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6210

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-04-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10/6016
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft zich binnen 5 jaar na beeindiging van haar WAO-uitkering met toegenomen klachten vanuit de WW ziek gemeld. Het Uwv besliste dat geen recht op heropening van de WAO-uitkering bestaat, omdat vier weken na ziekmelding geen sprake is van een arbeidsongeschiktheid van meer dan 15%. Volgens het Uw bestaat evenmin recht op een Wia-uitkering omdat na twee jaar de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op dat moment wel meer dan 15% bedraagt en ook overigens is voldaan aan de wettelijke voorwaarden kent de rechtbank betrokkene een WAO-uitkering toe naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

(er is hoger beroep is aangetekend)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 6016 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2011

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder geweigerd eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen en eveneens geweigerd eiseres met ingang van 10 november 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 oktober 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 november 2010, aangevuld bij brief van 13 december 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 maart 2011, alwaar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is in 1997 uitgevallen van haar werkzaamheden als medewerker stomerij als gevolg van bekkeninstabiliteit en psychische klachten. Aan haar is met ingang van 10 augustus 1998 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 29 september 2005 is haar WAO-uitkering ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

2.2 In haar uitspraak van 3 november 2008 (registratienummer 07-2997) heeft de rechtbank ten aanzien van de medische situatie van eiseres ten tijde van belang (september 2005) in rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 overwogen dat met de functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 14 juni 2005 voldoende rekening gehouden is met het medisch beeld van eiseres. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat geen sprake is van een depressieve stoornis of ADHD, maar wel van een stoornis in de impulsbeheersing, en dat de aanwezigheid van borderlinetrekken dan wel borderline persoonlijkheidsstoornis aannemelijk is. De rechtbank achtte hetgeen eiseres in beroep had aangevoerd ter staving dat wel sprake is van een depressieve stoornis dan wel van een concentratie- en/of aandachtsstoornis onvoldoende onderbouwd om haar op deze punten zwaarder beperkt te achten. De rechtbank heeft ten aanzien van het standpunt van verweerder dat geen urenbeperking dient te worden aangenomen overwogen dat eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt had dat een urenbeperking diende te worden aangenomen.

2.3 Eiseres heeft zich op 13 november 2007 ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW) met toegenomen psychische klachten.

2.4 Op 20 augustus 2009 heeft onderzoek door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Deze heeft geconcludeerd dat de FML uit 2005 van kracht is gebleven. De arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat – dus – geen sprake is van toename van beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft een expertise laten verrichten door W.M.J. Hassing, psychiater. In haar rapportage van 21 mei 2010 heeft Hassing geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van lang bestaande angstproblematiek met hypochondere en posttraumatische kenmerken naar aanleiding van een doorgemaakt ovariumcarcinoom en gezondheidsproblemen van haar zoontje. Er zijn volgens Hassing geen continue depressieve klachten, maar wel gevoelens van verdriet. Diagnostisch voldoet eiseres aan de diagnose angststoornis en posttraumatisch stresssyndroom (PTSS). Verder zijn er sterke aanwijzingen voor een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling met veel instabiliteit in het zelfgevoel en in relaties, suïcidale gedragingen en uitingen, automutilatie, affectlabiliteit met een snel wisselende stemming en gevoelens van leegte en woedeaanvallen, passend bij borderline persoonlijkheidsproblematiek. Voorts heeft Hassing geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat het beeld de afgelopen jaren in psychiatrische zin is gewijzigd. Het beeld ontstaat van chronische en wat betreft de persoonlijkheidsproblematiek ook structurele psychische problematiek. Verder heeft Hassing geconcludeerd dat sprake is van concentratieproblemen, angstige, hypochondere gedachten, angstige en verdrietige stemming met angst- en stemmingsequivalenten en er zijn woede-uitbarstingen met een rusteloze, geagiteerde psychomotoriek.

2.5 De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangepast, door een beperking ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen aan te nemen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat de functies (271070) vleeswarenmaker / slachter / visverwerker, (111180) productiemedewerker industrie, (111160) textielproductenmaker per 11 december 2007 nog steeds, evenals in 2005, geschikt zijn voor eiseres. Dit leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Verweerder heeft op basis hiervan geweigerd de WAO-uitkering van eiseres ingang van 11 december 2007 te heropenen.

2.6 Per 10 november 2009 wordt eiseres in staat geacht de functies (111172) productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, (111180) productiemedewerker industrie, (271093) machinebediende inpak-verpakkingsmachine, (111160) textielproductenmaker en (271130) samensteller kunststof en rubberindustrie te verrichten. Dit leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% (15,37%). Verweerder heeft op die grond geweigerd eiseres met ingang van 10 november 2009 een WIA-uitkering te verstrekken.

2.7 Eiseres heeft aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Eiseres heeft er daarbij op gewezen dat zowel vanuit energetisch (onder andere door depressieve klachten) als vanuit preventief (onder andere door ongezonde coping) oogpunt een urenbeperking aangewezen lijkt. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de borderline persoonlijkheidsstoornis eerst behandeld moet worden alvorens tot geschiktheid voor werk geconcludeerd kan worden. Eiseres heeft er verder op gewezen dat uit de beslissing op bezwaar van 3 februari 2009 (in het kader van de ZW) blijkt dat eiseres niet geschikt was voor de in 2005 aan haar voorgehouden functies. Dat maakt dat de conclusie dat zij niet in aanmerking komt voor heropening van haar WAO-uitkering, niet consistent is. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte geen beperking is gesteld op het punt concentreren van de aandacht. In ieder geval had aan psychiater Hassing de vraag moeten worden voorgelegd of op dat punt een beperking zou moeten gelden. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat ten onrechte geen melding is gemaakt van de depressieve stoornis die zij heeft gehad.

Eiseres heeft ook nog de vraag opgeworpen of de omstandigheid dat eiseres per 10 november 2009 wel meer dan 15% arbeidsongeschikt is, niet tot gevolg zou moeten hebben dat alsnog haar WAO-uitkering zou moeten worden heropend.

2.8 De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, WAO, voor zover hier van belang, kan toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet plaatsvinden, indien degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken en zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

2.10 Ingevolge artikel 4 WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

2.11 Artikel 5 WIA bepaalt dat gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij is die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

2.12 Artikel 6, eerste lid, WIA bepaalt dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd wordt op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt bij het vaststellen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, zo mogelijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid , en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, zo bepaalt het derde lid van artikel 6 WIA.

2.13 Het bestreden besluit berust op de rapportages die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiseres betwist de juistheid van deze rapportages. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of deze rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen, of de rapportages in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.14 Er is onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts alvorens een FML op te stellen, eiseres op het spreekuur heeft gezien en dossierstudie heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek, de psychiatrische expertise en informatie uit de behandelend sector geconcludeerd dat het (psychisch) beeld van eiseres inmiddels nauwkeuriger beschreven is, maar dat de aard van de klachten en problematiek nauwelijks gewijzigd is.

2.15 Evenmin bestaan er aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het uitgangspunt is dat de FML in 2005 de beperkingen van eiseres op dat moment juist weergaf. De rapportages van verzekeringsartsen van na die datum bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de beperkingen van eiseres sindsdien aanzienlijk zijn toegenomen. In de expertise van Hassing zijn die aanknopingspunten evenmin te vinden.

Met betrekking tot het standpunt van eiseres dat de bezwaarverzekeringsarts aan Hassing had moeten voorleggen of zij op het aspect concentratie beperkt moet worden geacht, overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts daarvan heeft afgezien omdat de concentratieproblemen weliswaar worden genoemd bij de conclusies, maar in de rapportage van Hassing geen aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat er daadwerkelijk beperkingen op dat punt zijn.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat ten onrechte de diagnose depressieve stoornis niet is opgenomen, heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat deze diagnose terecht niet is opgenomen, omdat deze diagnose niet meer aan de orde is. Nu ook Hassing deze diagnose niet heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding hieraan te twijfelen. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat een doorgemaakte depressie geen reden is voor een urenbeperking.

De bezwaarverzekeringsarts heeft verder toegelicht dat een borderline persoonlijkheids¬stoornis niet onverenigbaar is met arbeid.

Ten aanzien van de omstandigheid dat aan eiseres twee jaar ziekengeld is verstrekt, heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat eiseres het voordeel van de twijfel is gegund. Dit geeft een voldoende verklaring voor het verschil in beoordeling in de ziektewetperiode en het arbeidsongeschiktheidstraject. Er zijn geen aanknopings-punten dat de beoordeling door verzekeringsartsen inconsistent is.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de FML de beperkingen van eiseres in de periode vanaf oktober 2007 juist weergeeft.

2.16 Eiseres heeft met betrekking tot het arbeidsdeskundige deel van de beoordeling aangevoerd dat de functie in de kippenslachterij gezien haar hypochondrie niet geschikt is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toegelicht dat het een theoretische schatting is en er geen beperkingen bij eiseres zijn vastgesteld die het werken in deze functie onmogelijk zouden maken. De rechtbank ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te achten. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige toereikend toegelicht, dat de gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van eiseres in de geduide functies geen werkelijke overschrijdingen betreffen.

2.17 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit deugdelijk zijn.

2.18 De beroepsgrond van eiseres dat – kort samengevat - niet valt in te zien dat geen recht op heropening van haar WAO-uitkering per 10 november 2009 bestaat, treft echter doel. Vaststaat dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum meer dan 15% bedraagt. Eveneens staat vast dat deze toename van de arbeidsongeschiktheid vier weken heeft aangehouden en dat deze toename heeft plaatsgevonden binnen de door artikel 43a WAO bedoelde termijn van vijf jaar.

2.19 De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding op voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat eiseres met ingang van 10 november 2009 in aanmerking komt voor heropening van haar WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.20 Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als hierna bepaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 5 oktober 2010 voor zover daarin het besluit tot weigering van heropening van de WAO-uitkering van eiseres is gehandhaafd;

3.3 bepaalt dat eiseres met ingang van 10 november 2009 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% toekomt;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 5 oktober 2010;

3.5 veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.6 gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.