Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6164

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 6222
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkenen hebben bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van kinderopvang. Omdat sprake is van een werkende ouder en een zieke ouder kan, ofschoon de zieke ouder de kinderen niet kan opvangen, geen beroep worden gedaan op een tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang (Wko). Bijzondere bijstand is toegekend voor zover de kosten van kinderopvang de draagkracht van in dit geval 120% van het sociaal minimum te boven gaan. Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat bijzondere bijstand zou moeten worden verleend ter hoogte van het bedrag dat als tegemoetkoming Wko zou zijn verstrekt. De rechtbank oordeelt dat de gemeente beleid heeft ontwikkeld juist voor de groep waartoe betrokkenen behoren en dat niet gezegd kan worden dat dat beleid onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 6222 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 april 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

eiser

en

[naam eiseres],

eiseres,

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. J. Cortet, advocaat te Landsmeer,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2010, verzonden 7 april 2010, heeft verweerder de aanvraag van eisers om bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 17 mei 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat bijzondere bijstand zal worden verleend, uitgaande van een draagkracht in het jaar 2010 van € 8.799,36 en een overgangsregeling in acht zal worden genomen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 24 november 2010, aangevuld bij brief van 27 december 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2011, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door K. Mol, J.M. Dekker – Koenders en D. Schoen – Lattmann.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is werkzaam. Eiser is arbeidsongeschikt als gevolg van ernstige rugklachten. Zij hebben 3 kinderen. Het oudste kind bezoekt de basisschool. De jongsten (een tweeling) zijn geboren in 2009.

2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in staat is voor zijn kinderen te zorgen als gevolg van zijn ernstige rugklachten. Ook is niet in geschil dat er geen aanspraak bestaat op een toeslag op grond van de Wet kinderopvang (Wko). Evenmin is in geschil dat de kosten van kinderopvang noodzakelijk zijn.

2.3 De rechtbank stelt voorop dat aan de omstandigheid dat eisers niet in aanmerking komen voor een toeslag op grond van de Wko een welbewuste keuze van de wetgever ten grondslag ligt. Het is echter niet aan de rechtbank daarover een oordeel te vormen. Wel is duidelijk dat eisers door de keuze van de wetgever in een moeilijke situatie zijn komen te verkeren.

2.4 Verweerder heeft specifiek voor de groep waartoe eisers behoren beleid ontwikkeld. Het beleid van verweerder houdt in dat de opvangkosten worden vergoed voor zover deze niet uit de inkomsten boven 120% van de bijstandsnorm kunnen worden gedragen. Verweerder heeft in het geval van eisers voor het eerste jaar bovendien een gewenningsperiode ingebouwd, door van een lagere draagkracht uit te gaan dan het inkomen van eisers dat meer dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt.

2.5 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat afgeweken zou dienen te worden van de draagkrachtberekening en voor de te vergoeden kosten aangesloten zou dienen te worden bij de tegemoetkoming die in soortgelijke gevallen door de belastingdienst zou worden verstrekt. Verder hebben eisers aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met alle bijkomende kosten. Volgens eisers heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen komen tot het bestreden besluit.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor geschetste beleid van verweerder ten aanzien van de berekening van de draagkracht niet kennelijk onredelijk te achten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat voor de berekening van bijzondere bijstand in het algemeen wordt uitgegaan van het bestaan van draagkracht vanaf 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Juist voor de groep waartoe eisers behoren is daarvoor een uitzondering gemaakt in het beleid van verweerder.

2.7 De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende rekening zou hebben gehouden met bijzondere kosten van eisers treft geen doel, nu eisers niet hebben onderbouwd dat daarvan sprake is. Ook ter zitting hebben eisers niet kunnen aangeven dat zij buiten de kosten die algemeen gebruikelijk zijn, bijzondere kosten moeten maken waarmee verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden. De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerder wel rekening heeft gehouden met de (hogere) woonlasten van eisers.

2.8 Uit het voorgaande vloeit voort dat voor verweerder geen aanleiding bestond af te wijken van het beleid in die zin dat hij moest aansluiten bij de vergoeding die op grond van de Wko aan eisers zou worden toegekend, indien zij daar aanspraak op hadden gehad.

2.9 Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het besluit op goede gronden berust. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. AC. Terwiel - Kuneman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.