Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6122

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
176301 - FA RK 10-4127
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontzetting/ontheffing. De rechtbank is van oordeel dat thans aan de in de wet genoemde gronden die kunnen leiden tot ontzetting niet is voldaan. De vader ontkent de in de strafprocedure door de rechtbank en het hof vastgestelde feiten en heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. Nu de vader niet onherroepelijk is veroordeeld, kan ook niet zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van misbruik van het gezag, grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van de minderjarige dan wel slecht levensgedrag. Verzoek tot ontheffing toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ontzetting/ontheffing

zaak-/rekestnr.: 176301 / FA RK 10-4127

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 2 augustus 2011

in de zaak van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, vestiging Haarlem,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

tegen

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [plaats], P.I. [naam],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.J. Avis, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 24 mei 2011.

2 Verdere beoordeling

2.1 Bij beschikking van 24 mei 2011 heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden tot 19 juli 2011 in afwachting van het arrest van het gerechtshof Amsterdam en de beslissing van de vader en het Parket van de Procureur-Generaal aldaar om van het arrest al dan niet in cassatie te gaan.

2.2 Ambtshalve is de rechtbank bekend geworden met het feit dat de vader ook in hoger beroep is veroordeeld door het gerechtshof in Amsterdam tot veertien jaar gevangenisstraf voor poging tot moord en met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. Het slachtoffer in deze strafzaak is zijn dochter [naam minderjarige]. De vader heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

ontzetting

2.3 Op grond van artikel 1:269 BW, kan de rechtbank, indien zij dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen ontzetten (onder meer) op grond van:

a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van één of meer kinderen;

b. slecht levensgedrag;

c. onherroepelijke veroordeling:

1* wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;

2* wegens het plegen tegen de minderjarige van één van de misdrijven, omschreven in de titels XIII-XV en XVII-XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht;

3* tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat thans aan de in de wet genoemde gronden die kunnen leiden tot ontzetting niet is voldaan. De vader ontkent de in de strafprocedure door de rechtbank en het hof vastgestelde feiten en heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. Nu de vader niet onherroepelijk is veroordeeld, kan ook niet zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van misbruik van het gezag, grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van de minderjarige dan wel slecht levensgedrag.

2.5 Aangezien [naam minderjarige] op [datum] 2012 de achttienjarige leeftijd bereikt, acht de rechtbank het in haar belang dat thans door middel van een gezagsontnemende maatregel een signaal aan de minderjarige en de belanghebbenden wordt gegeven dat haar vader niets meer over haar te zeggen heeft. Gelet op de leeftijd van [naam minderjarige] kan de cassatieprocedure van de vader niet worden afgewacht en is zij het meest gebaat bij een beslissing in de onderhavige procedure.

Ontheffing

2.6 Art. 1:266 BW bepaalt dat de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan ontheffen op de grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daartegen niet verzet.

2.7 Art. 1:268 BW schrijft vervolgens in het eerste lid voor dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. In het tweede lid van dat artikel worden de uitzonderingen op die regel opgesomd.

2.8 De vader heeft zich gerefereerd aan het subsidiaire verzoek tot ontheffing van het gezag. De moeder heeft op de zitting ingestemd met het verzochte. De minderjarige is in de gelegenheid gesteld in raadkamer te worden gehoord, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de vader ongeschikt is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen en dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen de verzochte ontheffing van het gezag. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek tot ontheffing van de vader van het gezag toewijzen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Ontheft:

- [naam vader],

wonende te [plaats],

verblijvende te [plaats], P.I. [naam],

van het gezag over de minderjarige [naam],

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1994 in [plaats]

3.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, mr. W.J. van Andel en mr. R.A. Otter, allen tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lurvink-Betlem, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dien het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of adat deze hun op andere wijze bekend is geworden.