Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR5727

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
AWB 09 / 1473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane

Door een utb zonder vooraankondiging uit te reiken heeft verweerder het tot de grondbeginselen van het Unierecht behorende recht van verdediging van eiseres geschonden.

Eiseres is door deze gang van zaken benadeeld. De utb kan niet in stand blijven.

Tevens volgt (deels) een veroordeling in de integrale proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Zaaknummer: AWB 09/1473

Uitspraakdatum: 28 juni 2011

Uitspraak in het geding tussen

[X]., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: [A]

en

de inspecteur van de Belastingdienst[P] , verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft op 11 februari 2008 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) (utb-nummer [#]) ten bedrage van € 501.779,68 aan douanerechten opgelegd.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2009 de utb verminderd tot een bedrag van € 119.444,66 en een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend van

€ 483.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Gemachtigde van eiseres is daar verschenen, bijgestaan door [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D] en [E]. Partijen hebben ieder een pleitnota overhandigd aan elkaar en aan de rechtbank, en deze voorgelezen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen haar verzoek om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding te motiveren.

1.6. Bij brief van 13 april 2011 heeft eiseres de gevraagde motivering verstrekt. Bij brief van 21 april 2011 heeft verweerder hierop gereageerd.

1.7. Bij brief van 13 mei 2011 heeft eiseres gereageerd op de brief van verweerder.

1.8. Nadat partijen hiervoor toestemming hebben verleend, heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft in de periode van 11 januari 2005 tot en met 9 maart 2006, 66 aangiften ten invoer gedaan. De aangiften zijn zogenaamd “wit gevallen” en door verweerder niet gecontroleerd. Met betrekking tot deze aangiften heeft verweerder een controle na de invoer (cni) ingesteld op de voet van artikel 78 van het Communautair Douanewetboek (CDW). Daartoe heeft verweerder op 28 november 2005 van de aangiften met de hieronder vermelde volgnummers 1 tot en met 28 goederen fysiek opgenomen en monsters meegenomen. In de maand juni 2006 heeft verweerder bij eiseres bescheiden opgevraagd met betrekking tot de “wit gevallen” aangiften. Eiseres heeft de bescheiden in de periode juli 2006 tot en met oktober 2006 aangeleverd. Naar aanleiding van deze cni heeft verweerder bedragen aan douanerechten achteraf geboekt en de onder 1.1 genoemde utb aan eiseres uitgereikt, zonder haar vooraf op de hoogte stellen van de uitkomst van de cni en haar in de gelegenheid te stellen haar zienswijze daarop te geven.

2.2. De onder 2.1. genoemde 66 aangiften hebben betrekking op de volgende groepen van aangiften (volgnummers genoemd in de utb):

1. met de volgnummers 1 tot en met 28

Met betrekking tot deze aangiften heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar teruggaaf verleend van de achteraf geboekte bedragen.

2. met de volgnummers 29 tot en met 34

Aangiftenummer: [#] van 16 februari 2005 (volgnummer 29).

Aangiftenummer: [#] van 16 februari 2005 (volgnummer 30).

Aangiftenummer: [#] van 21 februari 2005 (volgnummer 31).

Aangiftenummer: [#] van 17 mei 2005 (volgnummer 32).

Aangiftenummer: [#] van 27 mei 2005 (volgnummer 33).

Aangiftenummer: [#] van 5 januari 2006 (volgnummer 34).

Met deze aangiften heeft eiseres goederen aangegeven met de goederencode 8471 3000 00, die in de aangiften zijn omschreven als “digitale gegevensverwerkende machines, wegende niet meer dan 10KG, die ten minste bestaan uit een centrale verwerkingseenheid, een toetsenbord en een beeldscherm”. Uit de facturen bij de aangiften met volgnummers 29 tot en met 33 blijkt dat MIO 168, PDA’s zijn aangegeven en bij volgnummer 34, PDA’s NC05.

3. met volgnummer 35

Aangiftenummer: [#] van 4 februari 2005 (volgnummer 35).

Met betrekking tot deze aangifte heeft verweerder in bezwaar teruggaaf verleend van het achteraf geboekte bedrag, omdat hij meende dat de boeking buiten de termijn van 3 jaar was gedaan.

4. met de volgnummers 36 tot en met 51

Aangiftenummer: [#] van 15 maart 2005 (volgnummer 36).

Aangiftenummer: [#] van 2 april 2005 (volgnummer 37).

Aangiftenummer: [#] van 5 april 2005 (volgnummer 38).

Aangiftenummer: [#] van 12 april 2005 (volgnummer 39).

Aangiftenummer: [#] van 26 mei 2005 (volgnummer 40).

Aangiftenummer: [#] van 20 juli 2005 (volgnummer 41).

Aangiftenummer: [#] van 1 augustus 2005 (volgnummer 42).

Aangiftenummer: [#] van 20 september 2005 (volgnummer 43).

Aangiftenummer: [#] van 4 oktober 2005 (volgnummer 44).

Aangiftenummer: [#] van 19 oktober 2005 (volgnummer 45).

Aangiftenummer: [#] van 26 oktober 2005 (volgnummer 46).

Aangiftenummer: [#] van 31 oktober 2005 (volgnummer 47).

Aangiftenummer: [#] van 4 november 2005 (volgnummer 48).

Aangiftenummer: [#] van 22 november 2005 (volgnummer 49).

Aangiftenummer: [#] van 28 november 2005 (volgnummer 50).

Aangiftenummer: [#] van 19 december 2005 (volgnummer 51).

Alleen van de aangiften met volgnummer 35 en 36 zijn de onderliggende gegevens overgelegd. Met deze twee aangiften heeft eiseres goederen aangegeven onder de goederencode 8473 3010 90 welke op de aangiften zijn omschreven als “delen en toebehoren voor gegevensverwerkende machines zijnde onderdelen voor PC” (volgnummer 35), respectievelijk “delen en toebehoren voor gegevensverwerkende machines zijnde videocards” (volgnummer 36). Wat betreft de aangiften 35 en 36 heeft verweerder de utb opgelegd omdat de volgende goederen onder een onjuiste goederencode zijn aangegeven:

AMUTV en LCD TV Box (volgnummer 35) en AMUTV, LCD TV Box en UTV2 (volgnummer 36).

Voor de overige aangiften is - naar de rechtbank uit de utb opmaakt - de utb opgelegd omdat daarin een of meer van de navolgende goederen onder een onjuiste goederencode is c.q. zijn aangegeven: UTV2, AMUTV, LCD tv box, DTV USB-ter box, DTV Starbox, IT020 Much TV USB Bravo+PAL SECAM+R/C FM.

5. met de volgnummers 52 tot en 54

Met betrekking tot deze aangiften heeft verweerder in bezwaar teruggaaf verleend van de achteraf geboekte bedragen.

6. met de volgnummers 55 en 56

Aangiftenummer: [#] van 24 februari 2005 (volgnummer 55).

Aangiftenummer: [#] van 3 maart 2005 (volgnummer 56).

Met deze aangiften zijn goederen aangegeven onder de goederencode 8520 9090 90, welke op de aangiften zijn omschreven als “mp3 spelers opnemen en weergeven van geluid”. Blijkens bij de aangiften behorende facturen betreft het hier MP3 spelers van de types N816, N817 en N818.

7. met de volgnummer 57 tot en met 59 en 63

Met betrekking tot deze aangifte heeft verweerder in bezwaar teruggaaf verleend van de achteraf geboekte bedragen, omdat hij meende dat de boeking buiten de termijn van 3 jaar was gedaan.

8. met de volgnummers 60 en 61

Aangiftenummer: [#] van 20 juli 2005 (volgnummer 60).

Aangiftenummer: [#] van 22 december 2005 (volgnummer 61).

Met de aangifte volgnummer 60 zijn goederen aangegeven onder de goederencode 8543 8920, welke op de aangiften zijn omschreven als “antenneversterkers”. Volgens de bij de aangifte behorende factuur betreft het “MMCX antenna with 3 meter cable model ANT-033” en “1% free spare parts model ANT-033”. Met de aangifte volgnummer 61 zijn “mp3 spelers opnemen en weergeven van geluid” aangegeven met de goederencode 8520 9090 90. Volgens de bij de aangifte behorende factuur betreft het hier MP3 spelers model N973 MP3 without radio. De utb is opgelegd omdat een te lage douanewaarde is opgegeven.

9. met volgnummer 62

Aangiftenummer: [#] van 22 november 2005 (volgnummer 62).

Met deze aangifte zijn met de goederencode 8473 3010 90 “moederborden voor computers” aangegeven. Volgens de bij de aangifte behorende factuur betreft het Uninterruptible power supplies, type UQH5170003P CI-175 Car Inverter 220V.

10. met volgnummer 64

Aangiftenummer: [#] van 2 april 2005 (volgnummer 64).

Met de aangifte volgnummer 64 zijn onder de goederencode 8473 3090 00 “delen en toebehoren voor monitoren zijnde: behuizingen” aangegeven. Volgens de bij de aangifte behorende factuur betreft het hier Panels for 20” LCD TV en Panels for 30” LCD TV.

11. met volgnummer 65

Met betrekking tot deze aangifte heeft verweerder in bezwaar teruggaaf verleend van het achteraf geboekte bedrag.

12. met volgnummer 66

Aangiftenummer: [#] van13 april 2005 (volgnummer 66).

Met deze aangifte zijn onder de goederencode 8538 1000 90 “LCD Panelen zonder behuizing” aangegeven. Volgens de bij de aangifte behorende facturen betreft het hier Panels for 30”LCD TV.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Eiseres stelt dat zij in haar verdedigingsbelang is geschaad, doordat verweerder haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de voorgenomen utb, alvorens deze aan haar op te leggen. Zij beroept zich op de arresten van het Hof van Justitie van de EU (hierna: Hof van Justitie) van 18 december 2008, zaak C-349/07 (Sopropé) en het arrest C-32/95P (Commissie-Lisrestal) van 24 oktober 1996. Voorts is eiseres van mening dat de utb niet meer anderhalf jaar na het verrichten van de controle kan worden opgelegd. Bovendien meent eiseres dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van de aangiften afwijkt. Hij gebruikt daarvoor uitsluitend internetgegevens waarvan de afkomst niet duidelijk is en de betrouwbaarheid niet vaststaat. Tenslotte meent eiseres recht te hebben op een integrale proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep in plaats van een forfaitaire. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb.

3.2. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 18 december 2008 in zaak C-349/07 (Sopropé) volgt dat de ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van Unierecht vormt dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend en onder het Unierecht vallend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.

4.2. Ook uit eerdere jurisprudentie van het HvJ blijkt dat het recht van verdediging vereist dat een ieder tegen wie een bezwarend besluit dreigt te worden genomen naar behoren de gelegenheid krijgt zijn standpunt kenbaar te maken (arrest van 24 oktober 1996, Commissie-Lisrestal), C-32/95, arrest van 21 september 2000, Mediocurso/Commissie, C-462/98, en het arrest van 12 december 2002, Cipriani, C-395/00). Het recht om te worden gehoord voordat een nadelige individuele maatregel wordt genomen is daarenboven vastgelegd in artikel 41 van het op 7 december 2000 geproclameerde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb C 364/1 van 18 december 2000), evenals in het op 1 december 2009 in werking getreden nieuwe Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb. C 303/1 van 14 december 2007).

4.3. Het bestreden besluit betreft een boeking achteraf van douanerechten, gebaseerd op artikel 220 van het CDW. Het besluit is aan eiseres meegedeeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221 van het CDW en valt daarom binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie. Tussen partijen is niet in geschil dat de utb de belangen van eiseres aanmerkelijk raakt.

4.4. Door eiseres de onder 1.1. genoemde utb zonder vooraankondiging uit te reiken en - bijvoorbeeld - niet eerst de uitkomst van het onder 2.1 genoemde onderzoek aan eiseres voor te leggen of op andere wijze het voornemen tot opleggen van de utb kenbaar te maken en eiseres aldus in de gelegenheid te stellen haar zienswijze kenbaar te maken, heeft verweerder het tot de grondbeginselen van het Unierecht behorende recht van verdediging van eiseres geschonden.

4.5. Procedurele fouten bij de totstandkoming van een besluit leiden echter, gelet op zowel het nationale als het communautaire recht, niet zonder meer tot vernietiging van het desbetreffende besluit. In dit verband zij wat het recht van de Europese unie betreft verwezen naar het arrest HvJ 10 juli 1080. Distillers Company/Commissie, 30/78. Jurispr. blz. 2229. waarin in punt 26 het volgende wordt overwogen:

“26. Gelet op het vorenoverwogene is een onderzoek van de door verzoekster gestelde procedurefouten niet nodig. Dit ware slechts anders indien de administratieve procedure, waren deze fouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden (…).”

Wat het nationale recht betreft zij onder meer verwezen naar de arresten Hoge Raad, 18 april

2003, nr. 37 790, BNB 2003/267 en 15 mei 2009, nr. 08/00437, BNB 2009/169, waaruit volgt dat de schending van procedureregels geen gevolgen heeft indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld.

4.6.1. Eiseres stelt dat zij, doordat zij niet is uitgenodigd om haar standpunt over de voorgenomen boeking achteraf kenbaar te maken, wezenlijk in haar verdedigingsbelangen is geschaad. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, indien zij wel was uitgenodigd om vooraf haar standpunt kenbaar te maken, zij verweerder had kunnen wijzen op wezenlijke fouten in de utb en bij de tot standkoming daarvan en opheldering had kunnen vragen en geven over de feiten waarop de utb is gebasseerd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uitgangspunt hierbij is dat nu verweerder wil afwijken van de aangiften op hem de bewijslast rust.

4.6.2. Het bewijs voor het afwijken van de aangiften met volgnummers 1 tot en met 28 is ontleend aan een fysieke opname en monsteronderzoek op 25 november 2005 van een andere aangifte, waarvan de aangever (eiseres) niet op de hoogte was gesteld. De utb hiervoor is op 30 november 2007 aan eiseres uitgereikt. Het tijdig hiertegen ingediende bezwaarschrift moet verweerder ruim voor het uitreiken van de onder 1.1 genoemde utb hebben bereikt. In de onderhavige bezwaarprocedure concludeert verweerder dat hij het bewijs uit het monsteronderzoek niet meer voor de aangiften 1 tot en 28 kan gebruiken. Indien verweerder voorafgaand aan het opleggen van de utb eiseres had geïnformeerd over het bewijs waarop de afwijking van deze aangiften was gebaseerd had het resultaat (de utb) anders kunnen luiden, immers eiseres had verweerder kunnen wijzen op zijn ingediende bezwaarschrift met betrekking tot de aangifte waarbij een monster was genomen en op de procedurefout die daarbij is gemaakt.

4.6.3. Het bewijs voor het afwijken van de aangiften met volgnummers 29 tot en met 34 ontleent verweerder aan de goederenomschrijving op de aangiften en de facturen evenals aan informatie over deze goederen van de PDA-shop op het internet. Nu het indelingsgeschil juridisch van aard is, zou het voorafgaand aan het opleggen van de utb informeren van eiseres over het bewijs niet tot een ander resultaat hebben geleid.

4.6.4. De utb met betrekking tot de aangiften met volgnummers 35, 57, 58, 59 en 63 is opgelegd buiten de verjaringstermijn. Indien verweerder voorafgaand aan het opleggen van de utb eiseres had geïnformeerd over de voorgenomen beslissing, had dit tot een ander resultaat kunnen leiden.

4.6.5. Het bewijs voor het afwijken van de aangiften met volgnummers 36 tot en met 51 ontleent verweerder aan de bescheiden bij aangifte 35 en de airwaybill en een invoice bij aangifte 36 en voorts uit gegevens van diverse sites van het internet. Van de aangiften met volgnummers 37 tot en met 51 heeft verweerder geen nadere bewijzen overgelegd. Eiseres bestrijdt de feiten (de objectieve kenmerken en eigenschappen) van de ingevoerde goederen. Eiseres heeft niet danwel onvoldoende weersproken gesteld dat bij een groot aantal producten blijkt dat deze uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn om te worden gebruikt in een gegevensverwerkende machine, in verband met de aanwezige USB2.0-aansluiting, PCI-card of PCMCIA-card, bestemd om in het daarvoor bestemde slot van de computer te worden gestoken. Indien verweerder voorafgaand aan het opleggen van de utb eiseres over zijn bevindingen had geïnformeerd, had eiseres hierover nadere informatie kunnen verschaffen en had dit tot een ander resultaat kunnen leiden.

4.6.6. De utb met betrekking tot de aangiften met volgnummers 52 tot en met 54 is opgelegd, terwijl verweerder al een uitspraak op bezwaar had gedaan waarin de door eiseres aangegeven goederencode als juist werd aangemerkt. Indien verweerder voorafgaand aan het opleggen van de utb eiseres had geïnformeerd over het bewijs ten grondslag liggend aan het afwijken van de aangiften, had dit tot een ander resultaat kunnen leiden.

4.6.7. Het bewijs voor de afwijking van de aangiften met volgnummers 55, 56 en 60 tot en met 62 ontleent verweerder aan informatie verkregen van het internet. Eiseres bestrijdt de juistheid van die informatie. Nu het geschil gaat over de vraag of deze internetinformatie voldoende bewijs oplevert is het geschil juridisch van aard. Het voorafgaand aan het opleggen van de utb informeren van eiseres over dit bewijs zou niet tot een ander resultaat hebben geleid.

4.6.8. Over de feiten met betrekking tot de aangiften met volgnummers 64 en 65 bestaat tussen partijen uitsluitend een juridisch geschil over de indeling. Het voorafgaand aan het opleggen van de utb informeren van eiseres over dit bewijs zou niet tot een ander resultaat hebben geleid.

4.7. Gelet op bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de administratieve procedure leidende tot de utb, waren de procedurefouten niet gemaakt, eventueel tot een ander resultaat had kunnen leiden en eiseres door de gang van zaken is benadeeld. Het gevolg moet dan ook zijn dat de utb niet in stand kan blijven.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bestaat er grond voor integrale proceskostenvergoeding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen gestelde procedure geen stand zal houden. Gelet op wat de rechtbank onder 4.6.4. en 4.6.6. heeft overwogen, is er grond voor een integrale proceskostenvergoeding. Indien verweerder voorafgaand aan het betrekken van deze aangiften in de utb zorgvuldig naar de van belang zijnde gegevens had gekeken, had hij tot een andere beslissing moeten komen dan hij heeft gedaan. De rechtbank acht het toch betrekken van deze aangiften in de utb derhalve in strijd met de zorgvuldige handelwijze die van verweerder als bestuursorgaan mag worden verlangd. Gelet op het grote bedrag van de utb en het groot aantal aangiften met verschillende navorderingsgronden acht de rechtbank het redelijk dat eiseres beroepsmatige bijstand heeft gezocht en de kosten in verband daarmee ook redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op het feit dat de utb bestaat uit een groot aantal deelbeslissingen die niet alle voor een integrale proceskostenvergoeding in aanmerking komen, zal daarnaast ook een forfaitaire proceskostenvergoeding worden toegekend.

5.2. De rechtbank zal de kosten in verband met de beroepsmatige bijstand die in de bezwaarfase is verleend in verband met de aangiften genoemd onder 4.6.4. en 4.6.6. (8 van de 66 in de bezwaarfase in geding zijnde aangiften) integraal voor vergoeding in aanmerking laten komen. Voor de kosten in verband met de beroepsmatige bijstand in de beroepsfase wordt een forfaitaire proceskostenvergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend. De rechtbank zal de integrale proceskostenvergoeding toekennen naar rato van de voormelde gegevens. De kosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de klachtprocedure laat de rechtbank buiten de vergoeding. Voor integrale proceskostenvergoeding in de bezwaarfase komen in aanmerking:

58,9 uren à € 199,5 = € 11.750,55 x 8/66 = € 1.424,31.

Voor forfaitaire proceskostenvergoeding in de bezwaarfase komt in aanmerking het door verweerder daarvoor toegekende bedrag van € 483.

5.3. Wat betreft de forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5).

5.4. De rechtbank stelt het totaal door verweerder aan eiseres in verband met de proceskostenveroordeling te vergoeden bedrag vast op € 2.873,31.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de utb;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.873,31;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Roke, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.