Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR5361

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
485763/ CV EXPL 10-13528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Vordering medehuurderschap. Nadat eiser 12 jaar geleden met zijn gezin bij zijn ouders is ingetrokken, vordert hij thans als medehuurder te worden aangemerkt van de woning, waar zijn moeder na het overlijden van haar echtgenoot is blijven wonen. Verhuurder stelt zich op het standpunt dat huurster niet haar hoofdverblijf in de woning heeft en dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen huurster en eiser. De kantonrechter is van oordeel dat –vooralsnog- voldoende aannemelijk is geworden dat huurster haar hoofdverblijf in de woning heeft. De kantonrechter is voorts van oordeel dat, tot op tegenbewijs, voldoende aannemelijk is dat eiser en huurster een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Verhuurder wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/122
JHV 2011/177 met annotatie van Cor Goudriaan/Jeroen Groenewoud
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 485763/ CV EXPL 10-13528

datum uitspraak: 28 juli 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

1. [eiseres]

2. [eiser]

beiden te [woonplaats]

eisers

hierna afzonderlijk te noemen [eiser] en [eiseres]

hierna gezamenlijk te noemen [eiser] c.s.

gemachtigde mr. M.B. Meindersma

tegen

de stichting STICHTING WOONOPMAAT

te Heemskerk

gedaagde

hierna te noemen Woonopmaat

gemachtigde mr. G.P. Poiesz

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, welke als hier ingelast worden beschouwd:

- de dagvaarding van 12 oktober 2010;

- de conclusie van antwoord van Woonopmaat;

- het tussenvonnis van 6 januari 2011, waarin een comparitie wordt bevolen;

- het proces-verbaal van de op 25 maart 2011 gehouden comparitie;

- de akte houdende overlegging producties van [eiser] c.s. van 16 juni 2011;

- de aantekeningen van de griffier van de op 27 juni 2011 gehouden comparitie;

- het proces-verbaal van het op 27 juni 2011 gehouden getuigenverhoor van [XXX].

Vonnis is bepaald op heden.

De feiten

1. [eiseres], moeder van [eiser], huurt sinds 21 juni 1984 van Woonopmaat een woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Haar echtgenoot, vader van [eiser], is twee jaar geleden overleden.

2. [eiser] is sinds 17 juni 1998 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. [eiser] is op die datum met zijn gezin (echtgenote en twee minderjarige kinderen) in de woning bij zijn ouders gaan wonen.

3. [eiser] heeft omstreeks juni 1998 de huur van een 5-kamer appartement dat hij huurde van Woonopmaat, opgezegd.

4. [eiser] c.s. hebben eind 2009/begin 2010 aan Woonopmaat verzocht om [eiser] de positie van medehuurder te verschaffen.

5. Bij brief van 14 januari 2010 heeft Woonopmaat het verzoek afgewezen. Daarbij heeft zij aan [eiseres] geschreven:

“(…) Bij een huisbezoek door één van onze medewerksters heeft de heer [eiser] aangegeven geen zorgplicht voor u te hebben. Het verzoek is gedaan om bij uw overlijden te kunnen blijven wonen op bovengenoemd adres. Dit verzoek om medehuurderschap heeft ons inziens slechts de strekking om de heer [eiser] op termijn de positie van huurder te verschaffen. (…)”

6. Bij brief van 18 februari 2010 heeft (de gemachtigde van) [eiser] c.s. Woonopmaat nogmaals verzocht [eiser] de positie van medehuurder te verschaffen.

7. Bij brief van 12 mei 2010 heeft Woonopmaat dit verzoek wederom afgewezen.

8. Woonopmaat heeft bij brief van 19 november 2010, geadresseerd aan mevrouw A.

[XXX] aan de [adres] te [woonplaats], geschreven:

“(…) Op 25 oktober 2010 heeft mijn collega mevrouw Rijs met u gesproken over de familie [eiser] aan de [adres] te [woonplaats]. (…) U heeft in het gesprek met mevrouw Rijs aangegeven dat de zoon van mevrouw [eiseres] met zijn gezin in de woning woont. Dat mevrouw [eiseres] zelf zeker 9 maanden per jaar in Turkije verblijft. Dat zij zelfstandig naar Turkijke reist. Dat ze goed ter been is en naar uw mening een goede gezondheid heeft. (…)”

9. Een schriftelijke verklaring d.d. 11 juni 2011 van [YYY], een kleindochter van [eiseres], luidt als volgt:

“(…) Ik schrijf deze brief vanuit Ankara Keciören. [eiseres] is mijn oma en zij verblijft hier in de zomervakantie in haar eigen huis. Mijn familie en ik verzorgen haar dan. Wij zorgen er dan voor dat haar huishouding, boodschappen en haar medicijnen regelmatig in de gaten gehouden worden. Omdat mijn oma oud is, kan zij de bovenstaande dingen zelf niet meer uitvoeren en daarom proberen wij haar zo goed mogelijk te helpen. (…)”

10. Op 27 juni 2011 heeft [voornaam] [XXX] (hierna: [XXX]), als getuige het volgende verklaard.

“(…) Ik woonde tot 9 jaar geleden bij mijn ouders op het adres [adres] in [woonplaats]. Sindsdien woon ik op mijzelf in Beverwijk. Ik ken de heer en mevrouw [eiser], omdat ik daar destijds woonde. (…) Ik heb begrepen dat gesteld wordt dat de moeder het grootste deel van het jaar in Turkije zou verblijven en dat dat zou zijn bevestigd door mevrouw A. [XXX] blijkens een brief ter bevestiging daarvan gedateerd 19 november 2010. A. [XXX] is mijn vader, geboren in 1954. Mijn moeder heet S. [XXX] en zij is geboren in 1958.

Naar aanleiding hiervan zeg ik dat mijn ouders de Nederlandse taal niet goed beheersen. In verband daarmee lees ik alle post. Deze brief heb ik destijds echter niet gezien, maar pas in het kader van deze procedure. Ik heb vervolgens daarover wel met mijn ouders gesproken en hun commentaar was dat dit hen niets zei.

Uit eigen wetenschap kan ik over de kwestie van de gemeenschappelijke huishouding het volgende verklaren. Voor zover ik weet verblijft de moeder alleen in de zomervakantie in Turkije en is zij de rest van het jaar in Nederland. Zij is alleen een langere periode achtereen in Turkije geweest toen haar echtgenoot was overleden.

Ik ben zo’n drie keer per week bij mijn ouders op de Verdistraat, omdat mijn ouders op mijn kind passen. Bij die gelegenheid zie ik dan ook vaak de familie [eiser], inclusief de moeder. (…)”

De vordering

[eiser] c.s. vordert (samengevat) te bepalen dat [eiser] met ingang van de dag waarop het vonnis wordt gewezen, medehuurder zal zijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats], met veroordeling van Woonopmaat in de kosten van deze procedure.

[eiser] c.s. stelt daartoe het volgende. [eiser] heeft 12 jaar geleden –met zijn gezin- zijn intrek genomen in de huurwoning van zijn ouders, omdat zij enige verzorging nodig hadden. De vader van [eiser] is twee jaar geleden overleden. [eiser] voldoet aan de voorwaarden voor het medehuurderschap ex artikel 6:267 lid 1 BW. Hij is financieel in staat de huur van de woning op te brengen. Het medehuurderschap zou een legalisering zijn van een reeds lang bestaande situatie.

Het verweer

Woonopmaat betwist de vordering. Zij voert aan dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. [eiser] c.s. voldoet op dit punt niet aan haar stelplicht. [eiser] c.s. onderbouwt niet dat de ouders van [eiser] enige verzorging nodig hadden toen [eiser] met zijn gezin bij zijn ouders introk. Voor zover daarvan al sprake was, kan hieruit worden afgeleid dat de bedoeling van [eiser] geen andere is geweest dan dat [eiser] hen op dat moment deze zorg zou geven. Nu de vader van [eiser] is overleden en de moeder van [eiser] niet hulpbehoevend is, is thans geen sprake meer van een verzorgingsbehoefte.

[eiser] c.s. voeren geen gemeenschappelijke huishouding. [eiseres] heeft niet haar hoofdverblijf in de woning. Zij verblijft tenminste negen maanden per jaar in Turkije. Dat blijkt uit een verklaring van een buurvrouw woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 4 november 2009 heeft [eiseres] zelf ook tegenover Woonopmaat verklaard dat zij regelmatig langere tijd naar het buitenland gaat. Daarnaast is gebleken dat [eiseres] haar verblijfspas niet ophaalt bij de gemeente [woonplaats], hetgeen eveneens een aanwijzing is voor het feit dat zij niet in Nederland verblijft.

De beoordeling

1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] sinds juni 1998 met zijn echtgenote en hun twee kinderen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] verblijft. Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of [eiser] daar een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [eiseres] heeft gevoerd. Ter beantwoording van deze vraag dienen alle omstandigheden van het geval in onderling verband te worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn de duur van de samenwoning, de bedoelingen die partijen bij de aanvang van de samenwoning hadden, de mate waarin deze bedoelingen zijn gerealiseerd, de mate waarin [eiser] en [eiseres] elk hebben bijgedragen aan de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, en het sociaal verkeer tussen [eiser] en [eiseres].

2. Het verweer van Woonopmaat komt erop neer dat [eiseres] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft, omdat zij 9 maanden per jaar in Turkije verblijft en dat om die reden geen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Voor zover [eiseres] niet grotendeels in Turkije verblijft, betekent dat nog niet dat er een gemeenschappelijke huishouding is omdat zij ook bij haar zoon in Valkenburg kan verblijven, aldus Woonopmaat.

[eiser] c.s. erkent dat [eiseres] regelmatig naar Turkije gaat, maar zij betwist dat [eiseres] voornamelijk in Turkije is. [eiseres] is alleen in het jaar dat haar echtgenoot is overleden langer dan de gebruikelijke 3 maanden per jaar in Turkije geweest. Als [eiseres] vorig jaar al 9 maanden niet in de woning verbleef, doet dat niets af aan de gemeenschappelijkheid van de huishouding vóór die tijd, aldus nog steeds [eiser] c.s..

3. De kantonrechter is van oordeel dat –vooralsnog- voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] haar hoofdverblijf in de woning heeft. Gelet op hetgeen [XXX] onder ede als getuige heeft verklaard, kan de kantonrechter zonder nadere bewijslevering niet uitgaan van de juistheid van de stelling van Woonopmaat, gegrond op de brief van 19 november 2010, dat [eiseres] tenminste 9 maanden per jaar in Turkije verblijft. Verder heeft [eiseres] volgens Woonopmaat tegenover een van de medewerkers van Woonopmaat verklaard dat zij regelmatig langere tijd naar het buitenland gaat, doch ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd verklaard dat zij elke zomer naar Turkije gaat en daar maximaal 3 maanden verblijft. Daarbij heeft [eiser] c.s. erop gewezen dat het niet verwonderlijk is dat [eiseres] regelmatig naar Turkije gaat, mede gelet op het feit dat haar overleden echtgenoot in Turkije is begraven. Volgens Woonopmaat is nog gebleken dat [eiseres] haar verblijfspas niet ophaalt bij de gemeente Heemskerk. Daarover heeft [eiser] c.s. ter zitting verklaard dat tijdens een verblijf in Turkije bleek dat de verblijfsvergunning van [eiseres] was verlopen, en dat zij via het consulaat een en ander in orde heeft gemaakt. De kantonrechter kan uit deze omstandigheid niet afleiden dat dit meebrengt dat [eiseres] 9 maanden per jaar in Turkije verblijft. Immers, ook bij een verblijf van 3 maanden per jaar -zoals [eiser] c.s. stelt- kan zich een dergelijke situatie met een verblijfsvergunning voordoen. De feiten en omstandigheden waarop Woonopmaat zich beroept ter onderbouwing van haar stelling dat [eiseres] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft, zijn derhalve niet afdoende. Daar tegenover staat dat zowel [XXX] als een kleindochter van [eiseres] hebben verklaard dat [eiseres] in de zomerperiode in Turkije verblijft. Dat zij 9 maanden per jaar in Turkije verblijft -zoals Woonopmaat stelt- is dan ook niet gebleken. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat [eiseres] haar hoofdverblijf in de woning heeft. Dat zij een zoon heeft die in Valkenburg woont, doet hier niet aan af.

4. Vervolgens is de vraag aan de orde of het verblijf in de woning van [eiseres] enerzijds en [eiser] en zijn gezin anderzijds zodanig is dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. De kantonrechter is van oordeel dat, tot op tegenbewijs, voldoende aannemelijk is dat dat het geval is. Daartoe is het volgende redengevend.

5. Dat partijen de bedoeling hadden om hun samenwoning van duurzame aard te laten zijn, blijkt reeds uit het feit dat [eiser] zijn huurwoning, een 5-kamer appartement dat hij van Woonopmaat huurde, heeft opgezegd toen hij met zijn gezin 13 jaar geleden bij zijn ouders introk. Dat [eiser] met zijn gezin bij zijn ouders is ingetrokken met als argument zij daarmee over meer woonruimte kwamen te beschikken, is dan ook niet gebleken. Partijen hebben vervolgens hun bedoelingen ook daadwerkelijk gerealiseerd, mede gelet op het feit dat [eiser] na het overlijden van zijn vader bij zijn moeder is blijven wonen en dat hij thans reeds 13 jaar met zijn gezin en zijn moeder in dezelfde woning verblijft.

6. Verder is van bijzondere betekenis dat zich hier geen situatie voordoet waarbij [eiser] zich met voorrang een positie probeert te verwerven ten opzichte van andere (potentiële) huurders. Ter zitting is immers gebleken dat er een wachttijd van circa 10 jaar bestaat voor een woning zoals de [adres] te [woonplaats]. Dat betekent dat [eiser] al drie jaar geleden in aanmerking zou zijn gekomen voor een huurwoning zoals de [adres] te [woonplaats], indien hij zich 13 jaar geleden had ingeschreven als woningzoekende voor een dergelijke woning. Woonopmaat kan bij deze stand van zaken dan ook niet staande houden dat het woonverdeelsysteem op oneigenlijke wijze wordt doorkruist.

7. Uit de door [eiser] c.s. overgelegde bankafschriften blijkt dat [eiser] de huur,

de energiekosten, het waterleidingbedrijf en de kabel betaalt. Aldus betaalt [eiser] maandelijks een bedrag ter grootte van de vaste lasten. Verder stelt [eiser] c.s. dat [eiseres] een bedrag in contanten (‘ze geeft wat ze kan missen’) bijdraagt aan boodschappen en de overige kosten van het huishouden. Woonopmaat heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, en evenmin zijn deze gebleken, waaruit het tegendeel kan volgen. Zij heeft slechts bij gebrek aan wetenschap de financiële bijdrage van [eiseres] betwist. [eiser] c.s. kan de door [eiseres] gestelde financiële bijdrage aan het huishouden niet met stukken onderbouwen, zodat de kantonrechter de juistheid van deze stelling niet kan beoordelen. Dat doet er echter niet aan af dat vast staat dat [eiser] een aanzienlijk deel van de kosten van de huishouding voor zijn rekening neemt, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter wijst in de richting van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Hierbij is van belang dat [eiser] weliswaar de huurbetalingen voor zijn rekening neemt, doch dat de huurbetalingsplicht rust op [eiseres] als huurster. Dat betekent dat, indien [eiser] de huurbetalingen niet volledig en stipt verricht, [eiseres] door Woonopmaat zal worden aangesproken op een huurbetalingsachterstand. In die zin zijn de financiële huishouding van [eiseres] enerzijds en van [eiser] anderzijds onderling met elkaar verbonden en niet volledig van elkaar gescheiden.

8. Onweersproken is dat [eiser] c.s. –op een eigen slaapkamer na- alle kamers en voorzieningen in de woning met elkaar delen. Zij maken gezamenlijk gebruik van de keuken, de badkamer, het toilet en de woonkamer.

9. Verder stelt [eiser] c.s. dat zij veel dingen samen doen: er worden gezamenlijk boodschappen gekocht, er wordt gezamenlijk gegeten en [eiseres] wordt geholpen bij dagelijkse zaken als wassen en aankleden. Woonopmaat heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist, en voorts gesteld ‘dat het niet voldoende is dat men samen aan tafel zit’. De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat [eiser] c.s. samen eet -zoals Woonopmaat lijkt te erkennen met haar stelling dat het niet voldoende is dat men samen aan tafel is- in samenhang met de overige feiten en omstandigheden, waaronder het gezamenlijk gebruik van de woning zoals onder punt 5 genoemd, bijdraagt aan het oordeel dat [eiser] c.s. een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

10. Woonopmaat heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij, indien er enige bewijslast op haar rust, nog getuigen naar voren wil brengen. De kantonrechter zal Woonopmaat in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen de stelling van [eiser] c.s. dat [eiseres] haar hoofdverblijf in de woning heeft en dat zij met [eiser] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Indien Woonopmaat slaagt in het tegenbewijs, zal de vordering van [eiser] c.s. worden afgewezen. Indien Woonopmaat niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, zal de vordering van [eiser] c.s. worden toegewezen.

11. De kantonrechter zal de zaak naar de rolzitting verwijzen voor het nemen van een akte door Woonopmaat waarbij zij bewijsstukken kan overleggen en waarbij Woonopmaat - indien zij getuigen wenst voor te brengen - de naam/namen van de getuige(n) en de verhinderdata van haarzelf en de getuige(n) dient op te geven op dagen in de maanden september, oktober, november en december 2011.

[eiser] c.s. dient op diezelfde rolzitting zijn verhinderdata en de verhinderdata van zijn gemachtigde voor dezelfde maanden op te geven.

12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

- laat Woonopmaat toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van [eiser] c.s. dat [eiseres] haar hoofdverblijf in de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft en dat [eiser] met [eiseres] een duurzame gemeenschappelijke huishouding in die woning voert;

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 25 augustus 2011 te 10.00 uur voor het nemen van een akte door partijen als hiervoor bedoeld;

- bepaalt dat, indien Woonopmaat aangeeft getuigen voor te willen brengen, op diezelfde rolzitting een datum voor een buitengewone zitting voor de bewijslevering zal worden vastgesteld;

- bepaalt dat geen uitstel zal worden verleend;

- bepaalt dat, nadat de dag en tijdstip van de zitting voor de bewijslevering is vastgesteld, een verzoek om uitstel van de terechtzitting alleen in behandeling wordt genomen, als de verzoeker ook het standpunt van de wederpartij kenbaar maakt en de verhinderdata van beide partijen, hun eventuele gemachtigden en de getuigen opgeeft. Dit verzoek dient uiterlijk een week voor de vastgestelde zittingsdatum op de griffie te zijn ingediend;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.S. de Groot en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.