Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR4782

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
15/710282-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna zeven jaar schuldig gemaakt aan bijstandsfraude. Enerzijds door formulieren opzettelijk onjuist in te vullen (te weten door gebruik te maken van een valse naam en geboortedatum). Anderzijds door voor de gemeente, de uitkeringsinstantie, te verzwijgen dat hij nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710282-10

Uitspraakdatum: 8 augustus 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juli 2011 in de zaak tegen:

[verdachtechte naam 1],

geboren op [adresgeboortedatu[geboortejaar 1] te [geboorteplaats 1] (Colombia),

althans zich noemende [verdachtete naam 2],

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (Colombia),

wonende te [adres],

thans uit anderen hoofde (onder de naam [verdachte naam 2]) gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, locatie Norgerhaven.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd, dat:

1. hij, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode(n) van 27 februari 2003 tot en met 14 april 2009, te Haarlem, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer geschrift(en), te weten

- een formulier persoonsgegevens van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) (d.d. 27-02-2003), en/of

- een formulier verkorte aanvraag en inlichtingen Abw-IOAW van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) (d.d. 24-03-2003), en/of

- een inlichtingenformulier aanvraag WWB (van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid) van de Gemeente Haarlem (d.d. 23-07-2005), en/of

- een beperkt formulier bijstand onderzoek rechtmatigheid (van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid) van de Gemeente Haarlem (d.d. 11-03-2007), en/of

- twee, althans een of meer statusformulier(en) (van de (Hoofd)afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid) van de Gemeente Haarlem (d.d. 2-09-2008 en/of 14-04-2009), en/of

- elf, althans een of meer formulier(en) inkomstenverklaring(en) (Algemene bijstandswet) van de Gemeente Haarlem (d.d. 29-10-2003, en/of 30-03-2004, en/of 09-09-2004, en/of 31-12-2004, en/of 01-07-2005, en/of 01-12-2005, en/of

29-01-2006, en/of 29-06-2006, en/of 09-12-2006, en/of 01-02-2007, en/of

10-04-2007)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid - in/op voornoemd(e) formulier(en) vermeld en/of doen vermelden - zakelijk weergegeven -, dat

- zijn naam [verdachte naam 2] is, niet zijnde verdachtes werkelijke naam (te weten [verdachte naam 1] of [verdachte naam 3]), en/of

- zijn geboortedatum [geboortedatum 2] is, niet zijnde verdachtes werkelijke geboortedatum (te weten [geboortedatum 1] of in elk geval een afwijkende of onbekend gebleven geboortedatum),

en/of heeft hij, verdachte, (telkens) dat/die formulier(en) met zijn naam en/of handtekening ondertekend, zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

2. hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode(n) van 18 februari 2003 tot en met 24 april 2005 en/of van 21 juli 2005 tot en met 17 januari 2010 te Haarlem, in elk geval in Nederland,

(telkens) in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk(e) voorschrift(en), te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) te verstrekken, immers heeft hij, verdachte (telkens) opzettelijk nagelaten aan de (Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de) Gemeente Haarlem (volledig) te melden dat hij, verdachte, (op een of meer tijdstip(pen) in voornoemde periode(n))

- vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en derhalve niet in het bezit was van de Nederlandse Nationaliteit,

zulks terwijl dit feit kon strekken en/of heeft gestrekt tot bevoordeling van hemzelf, terwijl hij, verdachte (telkens) wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking en/of tegemoetkoming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

4. Bewijs

4.1. Bewijsmiddelenverweer

De raadsman van verdachte heeft, zo begrijpt de rechtbank, betoogd dat thans (ruim tien jaar later) de resultaten van het in 1999/2000 ingestelde onderzoek naar de identiteit van verdachte, niet meer voor het bewijs mogen worden gebruikt. Immers, nu er toen kennelijk niets met die resultaten is gedaan, heeft verdachte er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat deze resultaten in de toekomst verder buiten beschouwing zouden worden gelaten, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit betoog, omdat het geen enkele steun vindt in het recht.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft in de periode van 18 februari 2003 tot en met 24 april 2005 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen en in de periode van 21 juli 2005 tot en met 17 januari 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Verdachte kreeg deze uitkeringen – naar de norm voor een alleenstaande – van de gemeente Haarlem. Om in aanmerking te kunnen komen voor deze uitkeringen diende verdachte formulieren in te vullen, te ondertekenen en in te leveren, aan de hand van welke formulieren de bijstandsuitkering werd verstrekt. Het betreft hier onder andere de volgende formulieren:

- een formulier persoonsgegevens van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) d.d. 27-02-2003;

- een formulier verkorte aanvraag en inlichtingen Abw-IOAW van het CWI d.d. 24-03-2003;

- een inlichtingenformulier aanvraag WWB van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 23-07-2005;

- een beperkt formulier bijstand onderzoek rechtmatigheid van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 11-03-2007;

- een statusformulier van de Hoofdafdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 02-09-2008;

- een statusformulier van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 14-04-2009;

- een inkomstenverklaring Algemene bijstandswet van de Gemeente Haarlem d.d. 29-10-2003;

- tien inkomstenverklaringen Wet werk en bijstand van de Gemeente Haarlem d.d. 30-03-2004, 09-09-2004, 31-12-2004, 01-07-2005, 01-12-2005, 29-01-2006, 29-06-2006, 09-12-2006, 01-02-2007 en 10-04-2007.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij – naar ook op de formulieren zelf is vermeld – alle formulieren in Haarlem heeft ingevuld en ondertekend en naar de uitkeringsinstantie heeft opgestuurd. Verdachte wist dat deze formulieren van belang waren voor het vaststellen van zijn mogelijke recht op een bijstandsuitkering en/of de duur en/of de hoogte van die uitkering.

Bij of krachtens artikel 65 van de Abw respectievelijk artikel 17 van de Wwb was verdachte voorts verplicht om onverwijld, uit eigen beweging, mededeling aan de uitkeringsinstantie te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bekend te zijn geweest met deze inlichtingenplicht.

Verdachte heeft in/op de hiervoor genoemde formulieren telkens vermeld dat zijn personalia zijn: [verdachte naam 2], geboren op [geboortedatum 2]. Ook in zijn andere contacten met de gemeente Haarlem heeft verdachte van deze personalia gebruik gemaakt en medegedeeld, dat hij de Nederlandse nationaliteit zou bezitten. Verdachte heeft nooit aan de gemeente medegedeeld dat hij in werkelijkheid andere personalia zou hebben en niet de Nederlandse personalia zou bezitten.

Verdachte is in Colombia geboren , en is in 1997 vanuit Colombia naar Nederland gekomen.

[naam A] – de man van wie verdachte zegt dat hij zijn biologische vader is – heeft verklaard dat verdachte, die hij kent onder de naam “Chalo”, niet zijn zoon is. Chalo heette volgens hem [verdachte naam 3]. Chalo heeft een tijd bij mevrouw [naam B] in huis gew[naam C] – de vrouw van wie verdachte zegt dat zij zijn moeder is – heeft verklaard dat zij met [naam A] geen kinderen heeft. Op de vraag of zij dan een buitenechtelijk kind heeft met de naam [verdachte voornaam], antwoordde zij: “Nee dat heb ik niet. (…) U bedoelt zeker een kind van de zuster van (…)vrouw [naam B]. Die jongen heet [verdachte naam 3].”

[naam B] – de vrouw over wie [naam A] en [naam C], beiden hiervoor genoemd, hebben verklaard en bij wie verdachte na zijn komst naar Nederland enige tijd in huis heeft gewoond – heeft op 14 oktober 1999 verklaard dat de jongen met de bijnaam “Chalo”, [verdachte naam 3] heet, leeftijd ongeveer 19 jaar. Chalo is de zoon van haar zuster, [naam D], en [naam E], beiden woonachtig in Colombia.

Ook [nam F], een mogelijke neef van verdachte, en diens moeder, [naam G], hebben verklaard dat de werkelijke naam van Chalo is: [verdachte naam 3].

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat verdachte niet het (biologische) kind is van [naam A] en [naam C], maar dat van [naam E] en [naam D], en dat hij is geboren onder de naam [verdachte naam 3]. Gelet op de verklaring van de getuige [naam B], een direct familielid, gaat de rechtbank er voorts van uit dat verdachte in het jaar [geboortejaar 1] is geboren.

Op 28 januari 1999 heeft [naam A], voornoemd, die de Nederlandse nationaliteit bezit, verdachte in Colombia als (juridisch) kind erkend. [naam A] heeft verklaard dat hij dit indertijd heeft gedaan om verdachte, niet zijnde zijn biologische kind, te helpen. Door deze erkenning – de rechtsgeldigheid waarvan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in twijfel kan worden getrokken – zijn familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen verdachte en [naam A]. Nu verdachte echter [verdachte naam 3], geboren in [geboortejaar 1], is, was hij ten tijde van de erkenning 19 jaar, meerderjarig, en heeft hij door de erkenning niet – van rechtswege – de Nederlandse nationaliteit gekregen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte in de ten laste gelegde perioden in Nederland vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet. Verdachte had en heeft niet de Nederlandse nationaliteit.

De ware personalia van de verdachte zijn: [verdachte voornamen 3] (al dan niet te vervangen door [verdachte achternaam ]) [verdachte achternaam], geboren in [geboortejaar 1].

Verdachte heeft, zoals gezegd, de uitkeringsinstantie nimmer van het bovenstaande in kennis gesteld.

4.3. Bewijsoverwegingen

Door en namens verdachte is in de kern aangevoerd dat hij wel degelijk het (biologische) kind is van [naam A] en [naam C] en dat zijn personalia de volgende zijn: [verdachte naam 2], geboren op [geboortedatum 2]. De verdediging heeft hierbij ook aandacht gevraagd voor de geboorteakte van verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De geboorteakte waar de verdediging op doelt, is als bijlage 4 gevoegd bij de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 8 maart 2010. Onderzoek aan die geboorteakte – verricht door het zogeheten paspoortkantoor van het Colombiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken – heeft de volgende resultaten opgeleverd:

- de geboorteakte is opgemaakt op 9 januari 1987, terwijl het betreffende kind zou zijn geboren op [geboortedatum 2];

- als achternaam van de vermeende moeder van het kind is op de akte vermeld [naam B (andere spelling)] (in plaats van [naam B]) [naam ];

- de geboorteakte vertoont doorhalingen bij de naam van de ingeschrevene;

- de geboorteakte vertoont doorhalingen bij de naam, het identificatienummer en de handtekening van de aangever van de geboorte;

- in de onderzijde van het formulier is met een schaar geknipt.

Deze aangifte van geboorte zou zijn gedaan door [naam C (andere spelling)] en zij zou ook een handtekening op de akte hebben gezet. Tijdens haar politieverhoor op 13 september 2000 is de getuige [naam C] een kopie van de geboorteakte getoond. Desgevraagd antwoordde zij, dat zij die akte niet heeft ondertekend. “Dat is mijn handtekening niet”, aldus de getuige.

Gelet op het bovenstaande, afgezet tegen de inhoud van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, kent de rechtbank geen betekenis toe aan de onderhavige geboorteakte, in elk geval niet de betekenis die de verdediging aan dit stuk toekent.

Voorts heeft de raadsman van verdachte nog betoogd dat zijn cliënt geen wetenschap zou hebben gehad van zijn (veronderstelde) ware identiteit en dat bij hem mitsdien het ten laste gelegde opzet niet kan worden bewezen.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Gezien het dossier en verhandelde ter terechtzitting kan het redelijkerwijs niet anders zijn dan dat verdachte precieze wetenschap had van zijn ware identiteit, zoals die hiervoor onder 4.2. is vermeld. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in Colombia door zijn oma is opgevoed. Verdachte weigert echter bij herhaling, ook nadat is toegelicht wat de reden van de vraag is, antwoord te geven op de vraag, hoe zijn oma heet. De reden die verdachte hiervoor geeft, dat hij zijn oma niet in de procedure wil betrekken, is niet aannemelijk, nu verdachte zelf heeft verklaard dat zijn oma is overleden.

Verdachte heeft tijdens zijn komst naar Nederland in 1997 gebruik gemaakt van een op frauduleuze wijze verkregen paspoort van Colombia, op naam van [verdachte naam 1], maar met verdachtes vingerafdrukken. Verdachte heeft voorts tijdens zijn verblijf in Nederland gebruik gemaakt van een vervalste identiteitskaart van Italië, op naam van [naam 4]. Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor op 13 oktober 1999 verklaard dat hij dit paspoort en deze identiteitskaart heeft verbrand respectievelijk verscheurd. Op de terechtzitting is verdachte bij die verklaring gebleven. Wanneer hem vervolgens echter wordt voorgehouden dat tijdens een doorzoeking in zijn woning op 5 april 2000 de beide documenten zijn aangetroffen – samen met ook nog eens drie identiteitsbewijzen op naam van [verdachte naam 2] – verklaart verdachte, dat hij het zich niet meer kan herinneren, dat hij niet meer weet hoe het is gegaan en wat er is gebeurd. De rechtbank acht deze verklaring bepaald ongeloofwaardig.

Het kan kort gezegd niet anders dan dat verdachte, net als de andere onder 4.2. genoemde personen, op de hoogte was van zijn ware identiteit en dat hij als vreemdeling in Nederland verbleef.

4.4. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. hij op tijdstippen in de periode van 27 februari 2003 tot en met 14 april 2009 te Haarlem telkens een geschrift, te weten

- een formulier persoonsgegevens van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) d.d. 27-02-2003 en

- een formulier verkorte aanvraag en inlichtingen Abw-IOAW van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) d.d. 24-03-2003 en

- een inlichtingenformulier aanvraag WWB van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 23-07-2005 en

- een beperkt formulier bijstand onderzoek rechtmatigheid van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 11-03-2007 en

- twee statusformulieren van de (Hoofd)afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente Haarlem d.d. 02-09-2008 en 14-04-2009 en

- elf formulieren inkomstenverklaring (Algemene bijstandswet) van de Gemeente Haarlem d.d. 29-10-2003, 30-03-2004, 09-09-2004, 31-12-2004, 01-07-2005,

01-12-2005, 29-01-2006, 29-06-2006, 09-12-2006, 01-02-2007 en 10-04-2007,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, in/op voornoemde formulieren vermeld - zakelijk weergegeven - dat

- zijn naam [verdachte naam 2] is, niet zijnde verdachtes werkelijke naam en

- zijn geboortedatum [geboortedatum 2] is, niet zijnde verdachtes werkelijke geboortedatum,

en heeft hij, verdachte, telkens die formulieren met zijn naam en handtekening ondertekend, zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

2. hij in de perioden van 18 februari 2003 tot en met 24 april 2005 en 21 juli 2005 tot en met 17 januari 2010 te Haarlem telkens in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk nagelaten aan de (Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de) Gemeente Haarlem te melden dat hij, verdachte, in voornoemde perioden

- vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit,

zulks terwijl dit feit kon strekken en heeft gestrekt tot bevoordeling van hemzelf, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking krachtens de Algemene bijstandswet of de Wet werk en bijstand en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

2. In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De bijstandsuitkering is een sociale voorziening die rechthebbenden een bestaansminimum moet verschaffen, waarmee in de kosten voor direct levensonderhoud kan worden voorzien. De bijstand moet worden aangemerkt als laatste voorziening in het thans vigerende stelsel van sociale zekerheid en dient slechts te worden toegekend aan diegenen die niet in staat zijn om zelfstandig voor de minimumkosten van het bestaan zorg te dragen en die overigens ook voldoen aan de door de wetgever bepaalde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een bijstandsuitkering.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna zeven jaar schuldig gemaakt aan (kort gezegd) bijstandsfraude. Enerzijds door formulieren die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand opzettelijk onjuist in te vullen. Anderzijds door voor de gemeente, de uitkeringsinstantie, te verzwijgen dat hij nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet was. Hierdoor heeft verdachte (telkens) ten onrechte een bijstandsuitkering ontvangen en heeft hij de gemeente, en daarmee de gemeenschap, opzettelijk voor een aanzienlijk geldbedrag, te weten ruim € 86.000,00, benadeeld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Verdachte heeft door zijn handelen het stelsel van sociale zekerheid ernstig gefrustreerd.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde als ook het feit dat verdachte, sinds zijn komst naar Nederland in 1997, reeds vele malen met politie en justitie in aanraking is gekomen en ook tot vrijheidsstraffen is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel, dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

57, 63, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. F.F.W. Brouwer en mr. J.G. Tielenius Kruythoff, rechters,

in tegenwoordigheid van A.B. van Velzen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 augustus 2011.