Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR4053

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
512691 VV EXPL 11-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schending van een (gedeeltelijk geschorst) concurrentiebeding. In een eerder door de werknemer jegens werkgever aangespannen procedure is het concurrentiebeding gedeeltelijk geschorst voor wat betreft het geografisch bereik. Voormalig werkgever vordert thans in kort geding veroordeling van de voormalige werknemer tot betaling van een voorschot op de contractuele boetes en hem te verbieden om bij de concurrerent werkzaam te zijn, omdat de werknemer toch werkzaamheden blijkt te verrichten in het gebied waarop het concurrentiebeding, na de gedeeltelijke schorsing, van toepassing is.

De vordering betreffende het verbod tot het verrichten van concurrerende werkzaamheden wordt toegewezen. De vorderingen tot betaling van een voorschot op de contractuele boetes wordt afgewezen, omdat het boeteding in strijd is met het bepaalde in artikel 6:94 lid 3 BW, welk artikel van dwingendrechtelijke aard is, nu matiging van de boetes in artikel 7.8 van de arbeidsovereenkomst is uitgesloten. Het beding is dan ook nietig, zodat de boetes naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet verschuldigd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Zaandam

zaak/rolnr.: 512691 VV EXPL 11-76

datum uitspraak: 4 juli 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

de besloten vennootschap BVCM B.V.

te Amsterdam

eisende partij

hierna te noemen: BVCM

gemachtigde: mrs J.K. den Haan en J. Brakke

tegen

[g[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr H.P. Wellenberg

Het verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 10 juni 2011heeft BVCM tegen [gedaagde] een voorlopige voorziening gevorderd.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 juni 2011.

[gedaagde] is in de procedure verschenen om verweer te voeren.

Beide partijen hebben pleitnota’s overgelegd.

De griffier heeft aantekening gehouden van het verhandelde ter zitting.

Vonnis werd bepaald op heden.

De feiten:

Op grond van wat partijen over en weer aan de orde hebben gesteld en niet of onvoldoende hebben betwist staan in deze procedure de volgende feiten vast:

- [gedaagde] is op 1 maart 2009 in dienst getreden van BVCM in de functie van accountmanager sales in het rayon Noord-Holland, laatstelijk tegen een salaris van € 3.100,-- bruto per maand;

- Aanvankelijk gold de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar per 1 september 2010 is deze omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

- De werkzaamheden van [gedaagde] bestonden uit het werven van- en contact onderhouden met klanten van BVCM.

- BVCM verleent diensten op het gebied van detachering, incasso, consultancy en werving en selectie.

- Bij de omzetting van het tijdelijk dienstverband in een dienstverband voor onbepaalde tijd per 1 september 2010 is een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten. Die overeenkomst kent naast een relatiebeding het navolgende concurrentiebeding, opgenomen onder artikel 7.4 van de overeenkomst:

1. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever, is het werknemer verboden om tijdens en gedurende een periode van 12 maanden ná beëindiging van de arbeidsovereenkomst, op welke wijze dan ook te concurreren met werkgever(of daaraan gelieerd), in enigerlei vorm een met het bedrijf van werkgever (of daaraan gelieerd bedrijf) concurrerend bedrijf te vestigen, of bij een dergelijk bedrijf enig belang te hebben of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen een vergoeding, hetzij om niet.

2. Het geografische gebied waarop dit beding ziet, beslaat het gebied waar door werknemer gedurende de drie jaren direct voorafgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden in het kader van de arbeidsovereenkomst zijn verricht, alsmede het geografische gebied alwaar werkgever of een daaraan gelieerd bedrijf zijn diensten/producten aanbiedt.

3. De verboden werkzaamheden bestaan in elk geval uit de werkzaamheden die werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij werkgever heeft verricht, alsmede de werkzaamheden die werknemer kan uitoefenen vanwege de bij de werkgever opgedane specifieke kennis en ervaring aangaande het bedrijf van werkgever. In dit verband erkent werknemer dat het concurrentiebeding de rechtmatige bescherming van de bedrijfsbelangen van werkgever dient en dat werknemer vanwege diens bijzondere positie kennis draagt (of zal dragen) van vitale informatie aangaande de bedrijfsbelangen van werkgever.

4. Voor het geval op enig moment de wettelijke vereisten aangaande het concurrentiebeding worden gewijzigd, dan zal werknemer – mede gelet op het onder punt 3 beschreven belang van werkgever – op uitsluitende instigatie van werkgever, met werkgever tijdig een nieuw concurrentiebeding overeenkomen, waarvan de eventuele wijzigingen in vergelijking met bovenstaand beding zo beperkt mogelijk zijn .

- In artikel 7.8 is als sanctie op overtreding van ondermeer het concurrentiebeding opgenomen: Bij overtreding van een der bepalingen van artikel 7.1 tot en met 7.7 zal de werknemer jegens de werkgever een onmiddellijke opeisbare en niet voor matiging vatbare boete verbeuren van € 2.500,00 per overtreding, vermeerderd met € 250,00 voor elke dag waarop een overtreding eventueel voortdurend onverminderd het recht om een verbod en/of volledige schadevergoeding te vorderen alsmede om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, mocht deze nog bestaan.

- [gedaagde] heeft het dienstverband tegen 1 april 2011 opgezegd omdat hij per die datum in dienst van GGN (Groep Gerechtsdeurwaarders Nederland), een samenwerkingsverband van zelfstandige deurwaarderskantoren, in dienst kon treden in een vergelijkbare functie als die hij bekleedde bij BVCM. Zijn salaris zou daarbij € 3.500,00 bruto per maand, exclusief emolumenten, bedragen.

- BVCM heeft [gedaagde] dadelijk na de opzegging op non-actief gesteld.

- Bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 15 april 2011 in kort geding gewezen is, op vordering van [gedaagde] het concurrentiebeding gedeeltelijk geschorst, met dien verstande dat het geacht wordt gedurende 12 maanden na 1 april 2011 geen werking te hebben op het gebied buiten Noord-Holland.

- Tijdens een schorsing was aan [gedaagde] van de zijde van GGN telefonisch medegedeeld dat hij in dienst zou kunnen treden van GGN Almere. Partijen gingen er van uit dat dit een aparte rechtspersoon binnen GGN is, doch gebleken is dat dit een handelsnaam betreft en dat GGN Almere en GGN Amsterdam beide deel uitmaken van GGN Noord-West Nederland BV, gevestigd te Amsterdam aan het Koningin Wilhelminaplein 30.

- BVCM heeft een bedrijfsrecherchebureau opdracht gegeven te onderzoeken waar [gedaagde] werkzaam is. Geconstateerd is dat hij op 10, 11, 18, 23 en 26 mei 2011 kortere of langere tijd aanwezig was op het kantooradres van GGN Noord-West Nederland BV.

- BVCM heeft tegen het vonnis spoedappel ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Arrest is nog niet gewezen.

De vordering

BVCM vordert de veroordeling van [gedaagde]:

primair: tot betaling van een voorschot op de door hem verbeurde contractuele boetes ter grootte van € 10.000,00;

subsidiair: tot betaling van een voorschot op de door hem verbeurde contractuele boetes van € 3.500,00;

Zowel primair als subsidiair: [gedaagde] te verbieden om bij, voor of namens GGN Noord-West Nederland BV werkzaam te zijn dan wel werkzaam te zijn bij, voor of namens een andere onderneming die valt onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding dat op [gedaagde] van toepassing is, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat hij bedoeld verbod overtreedt.

alles uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Daartoe stelt BVCM ondermeer, kort samengevat, dat uit het onderzoek door het bedrijfsrecherchebureau is gebleken dat [gedaagde] tenminste gedeeltelijk werkzaamheden verricht binnen Noord-Holland. Bovendien maakt GGN Almere deel uit van GGN Noord-West Nederland, welk bedrijf ondermeer in Noord-Holland actief is, zodat hij bij of voor een onderneming werkzaam is die onder het concurrentiebeding valt.

BVCM heeft groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding, omdat [gedaagde] niet alleen geheel op de hoogte is van haar klantenbestand in Noord-Holland, maar meer nog omdat hij bekend is met de door BVCM ontwikkelde werkwijze met haar klanten.

Het verweer

[gedaagde] erkent dat hij voor wekelijks werkoverleg met de andere accountmanagers van GGN Noord-West Nederland en voor bijscholing tenminste wekelijks op het kantoor in Amsterdam aanwezig is. Hij betwist echter concurrerende werkzaamheden te verrichten, nu hij zijn werkgebied uitdrukkelijk beperkt tot het werkgebied van GGN Almere. Dat werkgebied is geheel buiten Noord-Holland gelegen. Bovendien heeft hij ook nog een relatiebeding waaraan hij zich heeft te houden.

BVCM heeft dan ook geen enkele schade geleden of te verwachten van zijn dienstverband bij GGN.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter is van oordeel dat BVCM bij de gevraagde voorlopige voorziening voldoende spoedeisend belang heeft.

De gevorderde voorlopige voorziening komt slechts voor toewijzing in aanmerking als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van BVCM tot een toewijzing daarvan zal leiden. De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat dit voor een deel van de vorderingen en voor een ander deel niet het geval is op grond van de volgende vaststellingen en overwegingen.

Het gaat in dit geding om de vraag of [gedaagde] in strijd met het concurrentiebeding, zoals dit geldt na de gedeeltelijke schorsing, heeft gehandeld.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit het geval is. Het werkingsgebied geldt immers na die schorsing voor Noord-Holland. Niet alleen is [gedaagde] werkzaam bij en voor een rechtspersoon die in Noord-Holland gevestigd is, hetgeen het concurrentiebeding uitdrukkelijk verbiedt, maar bovendien is hij met regelmaat werkzaam in Amsterdam.

De stelling van [gedaagde] dat hij zijn feitelijke werkzaamheden alleen in het rayon van GGN Almere uitoefent doet daaraan niet toe of af. Niet alleen is dat voor BVCM niet te controleren, maar bovendien heeft [gedaagde] zelf verteld dat hij aan het overleg deelneemt van de accountmanagers van GGN Noord-West Nederland BV die wel in Noord-Holland actief zijn. Ook een dergelijk overleg kan immers een uitwisseling van de gegevens met zich mee brengen, welke BVCM nu juist door middel van het concurrentiebeding heeft willen beschermen. Dat hij daarbij wellicht oprecht gemeend heeft zich aan het gedeeltelijk geschorste concurrentiebeding te hebben gehouden, zoals de kantonrechter gezien zijn uitlatingen ter zitting wil aannemen, doet daaraan al evenmin af.

BVCM heeft dan ook recht en belang bij een verder verbod, zij het wel met inachtneming van de gedeeltelijke schorsing van het beding en met een matiging en maximalisering van de dwangsommen.

Voor wat betreft de contractuele boetes overweegt de kantonrechter dat het boeteding in strijd is met het bepaalde in artikel 6:94 lid 3 BW, welk artikel van dwingendrechtelijke aard is, nu matiging van de boetes in artikel 7.8 van de arbeidsovereenkomst is uitgesloten. Het beding is dan ook nietig, zodat de boetes naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet verschuldigd zijn.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden de primaire en subsidiaire vorderingen onder I en II van het petitum afgewezen. De vordering onder III wordt toegewezen als hierna volgt.

[gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht kan niet tot een andere beslissing leiden en behoeft dan ook geen nadere behandeling.

De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

verbiedt [gedaagde] om bij, voor of namens GGN Noord-West Nederland BV werkzaam te zijn dan wel werkzaam te zijn bij, voor of namens een andere onderneming die valt onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding zoals dat geldt na de gedeeltelijke schorsing van dat beding door de kantonrechter te Amsterdam bij vonnis van 15 april 2011, gedurende de resterende looptijd van het beding op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of een gedeelte van een dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in strijd met dat verbod handelt, waarbij voor het totaal aan te verbeuren dwangsommen een maximum geldt van € 50.000,00;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van BVCM tot op heden begroot op de navolgende bedragen:

explootkosten € 82,19

griffierecht € 106,00

salaris gemachtigde € 400,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr C.J. Baas en ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum uitgesproken.