Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3952

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
183062 - KG ZA 11-290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KORT GEDING; NAKOMING OMGANGSREGELING; ARTIKEL 21 RV (WAARHEIDSPLICHT)

SMS van de vader aan de moeder dat hij suïcide zal plegen, kan in de omstandigheden van het onderhavige geval geen grond opleveren voor een staken door de moeder van de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling tussen minderjarige en de vader.

Door een tweetal door de school van de minderjarige afgegeven verklaringen niet in het geding te brengen, waardoor een onjuist beeld van de opvattingen van de school ontstaat, wordt van de kant van de moeder gehandeld in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183062 / KG ZA 11-290

Vonnis in kort geding van 13 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te Zaandam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.G. Hendriks te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te Zaandam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.E. van Zijll te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van de man;

- de pleitnota van de vrouw;

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn van 7 mei 2004 tot 5 september 2006 met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk is op 13 mei 2004 te Zaandam geboren [A] (hierna: de minderjarige).

2.2. Bij beschikking van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangs- en informatierecht vastgesteld (hierna: de omgangsregeling):

6.13 De minderjarige [A], geboren op [datum] 2004 in de gemeente Zaandam, en de vader zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben:

reguliere omgangsregeling

- in de even weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend, waarbij de vader [A] op vrijdagmiddag van school haalt en haar op maandagochtend naar school brengt;

- indien de maandag na het omgangsweekeinde geen schooldag is en ook niet valt in de vakantieregeling dan haalt de moeder [A] op zondag tussen 17.00 uur en 18.00 uur bij de vader op. Indien de vrijdag voor het omgangsweekeinde geen schooldag is, dan haalt de vader [A] tussen 17.00 uur en 18.00 uur bij de moeder op;

vakanties en feestdagen

- in de eerste helft van de zomer-, herfst-, kerst-, en voorjaarsvakantie;

- in de onevenjaren de tweede paasdag en de tweede pinksterdag na weekenden waarin er geen reguliere omgang heeft plaatsgevonden en er geen vakantie is;

- in de even jaren op Sinterklaasavond, Koninginnedag en Hemelvaartsdag indien deze feestdagen buiten de reguliere omgangsregeling vallen en er geen vakantie is;

- op de verjaardag van [A] in de even jaren, te beginnen in 2010.

6.1.2 De ouders van [A] nemen de volgende informatieregeling in acht:

- de ouders houden elkaar van het wel en wee van [A] op de hoogte;

- de ouder bij wie [A] tijdens de vakantie verblijft, informeert de andere ouder over het vakantieadres.

6.1.3 De vader en [A] hebben als volgt telefonisch contact:

- de vader mag [A] bellen op dinsdag en donderdag tussen 17.30 uur en 18.30 uur en op zondag in het weekend waarin geen omgang plaatsvindt tussen 10.00 uur en 11.00 uur;

- wanneer [A] op die tijden niet telefonisch bereikbaar is wordt zij door de moeder in de gelegenheid gesteld terug te bellen.

2.3. In de nacht van 20 op 21 juni 2011 heeft de man last gehad van suïcidale gedachten. De man heeft zijn voornemen tot suïcide geuit in een sms-bericht dat hij aan – onder meer – de vrouw heeft gezonden.

2.4. De man heeft geen uitvoering gegeven aan zijn voornemen tot suïcide en heeft psychologische hulp ingeschakeld.

2.5. Op 23 juni 2011 heeft de man voor het laatst telefonisch contact met de minderjarige gehad. Het omgangsweekend van 2 en 3 juli 2011 heeft geen doorgang gevonden.

2.6. [B], klinisch psycholoog / psychotherapeut en behandelaar van de man, heeft bij brief d.d. 28 juni 2011 de advocaat van de man – voor zover van belang – als volgt geschreven:

Op verzoek van [de man] doe ik u hierbij enige informatie toekomen.

[de man] is bij ons in behandeling.

Er is medisch/psychiatrisch geen reden om client geen contact te laten hebben met zijn dochter, [A].

Hij toont zich een verantwoordelijk en betrokken vader.

2.7. [C], systeemtherapeut en behandelaar van de man, heeft bij brief d.d. 5 juli 2011 de advocaat van de man – voor zover van belang – als volgt geschreven:

Op verzoek van [de man] laat ik u hierbij weten dat mijnheer hier in behandeling is en dat er geen medisch/psychiatrische redenen zijn om cliënt geen contact te laten hebben met zijn dochter.

Uit gesprekken komt een betrokken en verantwoordelijke vader naar voren.

Mijn collega heeft eenzelfde soort verklaring gegeven en sindsdien hebben zich geen zodanige veranderingen voorgedaan die om een andere verklaring zouden vragen.

2.8. [D], orthopedagoog, heeft bij brief van 6 juli 2011 de volgende verklaring aan de vrouw verstrekt:

Hierbij verklaar ik dat [de vrouw] bij Lucertis komt voor ouderbegeleidingsgesprekken in verband met het volgen van een gezonde ontwikkeling van haar dochter, die, gezien de verstoorde omstandigheden tussen beide ouders van [A], bedreigd lijkt.

2.9. In een van de kant van de vrouw overgelegde “verklaring schooljuf [E] d.d. 6 juli 2011” staat het volgende:

In het schooljaar 2009-2010 heeft [A] een aantal keren na bezoek aan haar vader aangegeven dat zij niet naar haar vader wilde gaan.

Zij vertelde dat zij werd geknepen en geslagen en dat zij niet vrij uit kon praten als zij bij haar vader was. Zij vertelde ook dat zij moe was en niet goed had geslapen bij haar vader.

Ik heb geen blauwe plekken bij [A] gezien.

In deze periode is een paar keer voorgekomen dat vader haar op de afgesproken tijden niet kwam ophalen en haar moeder haar ophaalde, nadat zij gebeld was.

3. Het geschil in conventie

3.1. De man vordert – samengevat – dat de vrouw zich houdt aan de omgangsregeling, en dat de vrouw het reisdocument van de minderjarige uiterlijk 26 juli 2011 om 12.00 uur, ten behoeve van de vakantie van de man met de minderjarige in Frankrijk, aan de man zal overhandigen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 250,- voor elke dag dat de vrouw in gebreke blijft.

3.2. De vrouw voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. De vrouw vordert – samengevat – opschorting van de omgangsregeling, zulks in de zin dat de omgang wordt beperkt wordt tot één zondag per 14 dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, voor onbepaalde tijd, althans totdat door de Raad voor de Kinderbescherming of Bureau Jeugdzorg deugdelijk advies zal zijn gegeven over de mogelijkheid tot hervatting van de regeling.

4.2. De man voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en reconventie

5.1. Gelet op de samenhang tussen het verweer in conventie en de vorderingen in reconventie, zal de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie en reconventie gelijktijdig behandelen.

5.2. De man heeft ter onderbouwing van zijn vordering en ten verwere tegen de reconventionele vordering – samengevat – het volgende aangevoerd.

De vrouw geeft ten onrechte geen uitvoering aan de bestaande omgangsregeling. De man heeft weliswaar een erg verontrustend sms-bericht gezonden, maar hij heeft direct adequate hulp ingeschakeld en een geruststellende verklaring van zijn psycholoog aan de vrouw doen toekomen. De man heeft de minderjarige niet belast met zijn problemen en de minderjarige heeft niets gemerkt van de noodkreet van de man. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die gedeeltelijke of gewijzigde nakoming van de omgangsregeling rechtvaardigen.

De belregeling verloopt evenmin naar behoren. De telefoon wordt vaak niet beantwoord. Sinds 23 juni 2011 heeft de man getracht telefonisch contact te krijgen met de minderjarige, maar het telefoonnummer is niet meer in gebruik.

De man is van plan op 28 juli 2011 met diverse familieleden op vakantie te gaan naar Frankrijk. De vrouw beheert het reisdocument van de minderjarige en de man is bevreesd dat de vrouw het reisdocument niet zonder dwangmiddel tijdig aan de man zal willen overhandigen, aldus nog steeds de man.

5.3. De vrouw heeft ten verwere tegen de vordering van de man en ter onderbouwing van haar reconventionele vordering – samengevat – het volgende aangevoerd.

Het moeizame evenwicht tussen de ouders is verstoord door de geestelijke crisis bij de man. Een dergelijke crisis heeft zich enkele jaren geleden ook al eens voorgedaan. Er is voldoende reden tot zorg om aan te kunnen nemen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die het in reconventie gedaan verzoek van de vrouw rechtvaardigt. De vrouw maakt zich zorgen over de omgang tussen de man en de minderjarige en wenst interventie van de Raad voor de Kinderbescherming. De zorgen van de vrouw omtrent de omgang vinden hun bevestiging in door de vrouw overgelegde verklaringen van vrienden, buren, “de kleuterjuf van de minderjarige” (de hiervoor onder 2.9 geciteerde verklaring) en “de jeugdspychiatrie, [D]” (de hiervoor onder 2.8 geciteerde verklaring). Daarnaast heeft de minderjarige fysieke klachten en is er waarschijnlijk sprake van post traumatische stressklachten, waarvoor de minderjarige inmiddels is verwezen naar een kinderpsycholoog.

Indien blijkt dat de man naar het oordeel van de Raad voor de Kinderbescherming alles op orde heeft, kan de omgang worden hervat. Tot die tijd dient de man pas op de plaats te maken en moet de omgang worden opgeschort in die zin dat de omgang wordt beperkt tot één dag in de twee weken.

De belregeling is inderdaad enkele keren niet goed uitgevoerd. De telefoon van de minderjarige bleek niet goed te werken, aldus nog steeds de vrouw.

5.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.5. Bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige, die strekt tot nakoming van een eerder door de bodemrechter vastgestelde omgangsregeling heeft als uitgangspunt te gelden dat deze uitspraak, zolang deze haar kracht niet heeft verloren, dient te worden nagekomen, tenzij de beschikking waarvan nakoming wordt gevraagd klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust dan wel anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming dan wel de gedeeltelijke of gewijzigde nakoming rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zich met name voordoen wanneer ofwel op grond van na die beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten nakoming van de vastgestelde omgang voor de ouder die de omgangsregeling dient na te komen klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan, dan wel aannemelijk is dat sedert de uitspraak waarvan nakoming wordt gevorderd sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat deze opleveren één van de gronden als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW ofwel anderszins onverkorte nakoming kennelijk niet langer in het belang van de minderjarige moet worden geoordeeld en een beslissing van de bodemrechter niet kan worden afgewacht.

5.6. In het onderhavige geval heeft de man een zeer verontrustend sms-bericht aan de vrouw gezonden, waarin hij uiting geeft aan zijn voornemen tot suïcide. Het is goed voorstelbaar dat de vrouw erg geschrokken is van dit bericht en zich zorgen is gaan maken over de veiligheid van de minderjarige gedurende de omgang met de man. Van een bijzondere omstandigheid in bovenomschreven zin is evenwel geen sprake. Daartoe is allereerst van belang dat de man geen (begin van) uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen. Bovendien heeft hij ook jegens de vrouw uitgebreid spijt betuigd voor het verzenden van het bericht en heeft hij meteen professionele hulp gezocht. Uit de hiervoor onder 2.6 en 2.7 geciteerde verklaringen van de behandelaars van de man blijkt dat er geen medisch/psychiatrische redenen zijn om de omgang van de man met de minderjarige te beletten. De verklaringen van [E], die een voormalige schooljuffrouw van de minderjarige blijkt te zijn, en van de orthopedagoog (en dus geen jeugdpsychiater) [D] geven aan die verklaringen onvoldoende tegenwicht.

De verklaringen van vrienden en buren die de vrouw in het geding heeft gebracht, zijn door de man betwist. De voorzieningenrechter hecht voorts minder waarde aan deze verklaringen, nu ter zitting door het betoog van de advocaat van de man is gebleken dat twee door de vrouw verkregen en door haar aan haar advocaat overhandigde verklaringen uit objectieve bron, te weten van de huidige leerkracht van de minderjarige en van de intern begeleider van de school ([F]) door haar advocaat niet in het geding zijn gebracht. Daarnaar ter zitting door de voorzieningenrechter gevraagd heeft de advocaat van de vrouw een van die twee verklaringen alsnog getoond. Uit die verklaring blijkt juist dat de school van de minderjarige thans geen zorgen over haar heeft. Van de andere door de vrouw aan haar advocaat overhandigde verklaring (van [F]) heeft haar advocaat ter zitting laten weten die niet meer in zijn dossier te kunnen vinden. Van de kant van de vrouw is onweersproken de stelling van de man dat ook die verklaring de strekking heeft dat het op school goed gaat met de minderjarige.

Geheel terzijde merkt de voorzieningenrechter dat het van de kant van de vrouw niet eigener beweging in het geding brengen van de onderhavige twee verklaringen – die, anders dan de wel in het geding gebrachte verklaringen van vrienden en buren wel uit objectieve bron afkomstig zijn – schending oplevert van de in artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen waarheidsplicht. Door uitsluitend de verklaring van [E] in het geding te brengen – en dat nog met de suggestie dat die de huidige schooljuffrouw van de minderjarige zou zijn; wat zij niet is – is van de kant van de vrouw – naar moet worden aangenomen bewust – een ander beeld van de bevindingen van de school omtrent de minderjarige gepresenteerd dan er blijkens de achtergehouden verklaringen bij de school blijkt te bestaan.

5.7. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vordering van de man tot nakoming van de omgangsregeling dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding voor het opleggen van een dwangsom. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum vermeld.

5.8. De vrouw heeft, indien de eerste vordering van de man zou worden toegewezen, ingestemd met de vordering van de man om het reisdocument van de minderjarige aan de man te overhandigen ten behoeve van de vakantie van de man met de minderjarige in Frankrijk, onder de voorwaarde dat het reisdocument na de vakantie aan de vrouw wordt teruggegeven. De man heeft toegezegd aan deze voorwaarde te voldoen. De vordering zal daarom worden toegewezen. Gelet ook op omstandigheid dat de vrouw er met het staken van de omgangsregeling blijk van heeft gegeven zich niet altijd zonder meer te houden aan rechterlijke uitspraken, zal de voorzieningenrechter ook aan de onderhavige veroordeling een dwangsom verbinden. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum vermeld.

5.9. De voorzieningenrechter is bij bovenstaande oordelen ervan uit gegaan dat de man zijn ter zitting gedane toezeggingen zal nakomen. Deze toezeggingen zijn voor alle duidelijkheid de volgende:

- de man zal de vrouw zo spoedig mogelijk informeren over het vakantieadres in Frankrijk en de contactgegevens gedurende deze vakantie;

- de man zal de minderjarige op 13 augustus 2011 om 17.00 uur bij de vrouw brengen en zal daarbij het reisdocument van de minderjarige aan de vrouw terugegeven.

5.10. In het voorgaande ligt besloten dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.

5.11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. gebiedt de vrouw haar medewerking te verlenen aan de omgangs- en contactregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 augustus 2009;

6.2. veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van EUR 250,- voor iedere dag, waarbij een gedeelte van een dag voor een gehele dag wordt gerekend, en voor iedere keer dat zij niet aan de in 6.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,- is bereikt,

6.3. gebiedt de vrouw uiterlijk op dinsdag 26 juli 2011 om 12.00 uur het reisdocument van de minderjarige aan de man te overhandigen ten behoeve van de vakantie van de man met de minderjarige in Frankrijk,

6.4. veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van EUR 250,- voor iedere dag, waarbij een gedeelte van een dag voor een gehele dag wordt gerekend, dat zij niet aan de in 6.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,- is bereikt,

6.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7. weigert de gevraagde voorziening,

in conventie en reconventie

6.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.?