Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3560

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-05-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
15/800135-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; Salduz; Salduz-verweer; consultatierecht; afstand consultatierecht; bewijsuitsluiting; strafvermindering; verbeurdverklaring; beslag; geld.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de verdediging kan verdachte geen afstand doen van zijn consultatierecht. Omdat verdachte geen advocaat heeft geraadpleegd voor hij zijn eerste verklaring bij de Koninklijke Marechaussee aflegde, moet deze verklaring van het bewijs worden uitgesloten (subsidiair dient strafvermindering te volgen). Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat van medeplegen geen sprake is, omdat verdachte niet wist hoe de smokkel zou plaatsvinden. Ook de lage beloning in relatie tot de grote hoeveelheid gesmokkelde stof duidt op een zodanig ongelijke rolverdeling dat medeplegen niet kan worden bewezen verklaard. Ten slotte moet vrijspraak volgen omdat het gewicht van verdachtes koffer volgens dossierparagraaf 1.1.4. 28,775 kilogram bedroeg, terwijl verdachte volgens dossierparagraaf 1.1.6. op 24 januari 2011 in de Dominicaanse Republiek een koffer van 20 kilogram heeft ingecheckt. Wat betreft het gevoerde Salduz-verweer, overweegt de rechtbank dat het standpunt van de verdediging dat verdachte geen afstand kon doen van zijn consultatierecht, geen steun vindt in het recht. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer. Wat betreft het medeplegen overweegt de rechtbank dat verdachte op verzoek van een of meer derde(n) met een hoeveelheid cocaïne Nederland is ingereisd. Er is hiertoe door iemand anders voor hem een ticket gekocht bij een reisbureau in Amsterdam en verdachte heeft zijn gegevens moeten verstrekken teneinde het ticket te kunnen boeken. Aldus is er sprake geweest van nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de opzettelijke invoer van een hoeveelheid cocaïne in Nederland. Dat verdachte daarvoor een relatief kleine beloning in het vooruitzicht gesteld kreeg, verandert daaraan niets. Ten slotte doet het verweer over het gewicht van de koffer, gelet op de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, niet af aan de conclusie dat verdachte een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800135-11

Uitspraakdatum: 23 mei 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 09 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd van een geldbedrag van 340 euro.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Verdachte is op 25 januari 2011 vanuit de Dominicaanse Republiek via de luchthaven Schiphol Nederland ingereisd. Hij voerde een koffer met zich mee waarin een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen2. Verdachte heeft bij zijn verhoor3 en ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er cocaïne in de koffer zat en dat hij voor het vervoer van de koffer vanuit de Dominicaanse Republiek naar Nederland een beloning zou krijgen. Het ticket van verdachte is gekocht in Amsterdam.4

4.2. Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de verdediging kan verdachte geen afstand doen van zijn consultatierecht. Omdat verdachte geen advocaat heeft geraadpleegd voor hij zijn eerste verklaring bij de Koninklijke Marechaussee aflegde, moet deze verklaring van het bewijs worden uitgesloten (subsidiair dient strafvermindering te volgen). Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat van medeplegen geen sprake is, omdat verdachte niet wist hoe de smokkel zou plaatsvinden. Ook de lage beloning in relatie tot de grote hoeveelheid gesmokkelde stof duidt op een zodanig ongelijke rolverdeling dat medeplegen niet kan worden bewezen verklaard. Ten slotte moet vrijspraak volgen omdat het gewicht van verdachtes koffer volgens dossierparagraaf 1.1.4. 28,775 kilogram bedroeg, terwijl verdachte volgens dossierparagraaf 1.1.6. op 24 januari 2011 in de Dominicaanse Republiek een koffer van 20 kilogram heeft ingecheckt.

Wat betreft het gevoerde Salduz-verweer, overweegt de rechtbank dat het standpunt van de verdediging dat verdachte geen afstand kon doen van zijn consultatierecht, geen steun vindt in het recht. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer. Wat betreft het medeplegen overweegt de rechtbank dat verdachte op verzoek van een of meer derde(n) met een hoeveelheid cocaïne Nederland is ingereisd. Er is hiertoe door iemand anders voor hem een ticket gekocht bij een reisbureau in Amsterdam en verdachte heeft zijn gegevens moeten verstrekken teneinde het ticket te kunnen boeken. Aldus is er sprake geweest van nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de opzettelijke invoer van een hoeveelheid cocaïne in Nederland. Dat verdachte daarvoor een relatief kleine beloning in het vooruitzicht gesteld kreeg, verandert daaraan niets. Ten slotte doet het verweer over het gewicht van de koffer, gelet op de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, niet af aan de conclusie dat verdachte een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 25 januari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander/anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 20 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ten voordele van verdachte rekening gehouden met zijn jeugdige leeftijd en met de omstandigheid dat hij in Nederland niet eerder ter zake van enig misdrijf is veroordeeld. De rechtbank kent aan deze omstandigheden een groter gewicht toe dan de officier van justitie heeft gedaan bij het formuleren van haar eis.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van 340,00 euro, dient te worden verbeurd verklaard. Verdachte heeft over dit geldbedrag verklaard dat hij dit heeft gekregen van de persoon voor wie hij de cocaïne heeft vervoerd. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (zegge: dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag van 340,00 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.N.A. Jolink, voorzitter,

mr A.C.M. Rutten en mr. J. Snitker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier S.V. Ramdharie,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2011.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van 25 januari 2011 (dossierparagraaf 1.1), het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen van 25 januari 2011 (dossierparagraaf 1.1) en het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 18 februari 2011, opgemaakt door de hoofdscheikundige drs. M.M. Sarneel.

3 Het proces-verbaal van 31 januari 2011 (dossierparagraaf 1.3).

4 Het proces-verbaal van 8 februari 2011 (dossierparagraaf 1.1.9) en het proces-verbaal van 17 februari 2011 (dossierparagraaf 1.1.10).