Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3557

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-05-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
15/800218-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; vrijspraak; onttrekking aan het verkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank laten evengenoemde feiten en omstandigheden ruimte aan de mogelijkheid dat de koffer met Mexicaanse artefacten is verwisseld met de op naam van verdachte gestelde koffer met contrabande nádat zij haar koffer aan de incheckbalie had afgegeven en zonder dat verdachte daar kennis van droeg. Dat de verdachte bij het in de koffer stoppen van de cocaïne betrokken zou zijn geweest of daarvan anderszins wetenschap heeft gehad, kan uit de stukken in het dossier niet worden opgemaakt; er is daarnaar -voor zover de stukken in het dossier uitwijzen- ook in het geheel geen onderzoek gedaan. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het reisverhaal van de verdachte -de (voorgenomen) route, haar reisdoelen, mede bezien tegen de achtergrond van hetgeen omtrent de financiële positie van de verdachte is gebleken- weliswaar als zonder meer buitenissig moet worden aangemerkt en veel vragen oproept die niet, althans niet bevredigend door de verdachte zijn beantwoord, maar -anders dan de officier van justitie- is de rechtbank , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het buitenissige karakter van dat reisverhaal en het rechterlijk oordeel daarover voor het bewijs van verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van de cocaïne in het hier ter berechting voorliggende geval ontoereikend is. Dit alles brengt mee dat het ten laste gelegde bestanddeel 'opzettelijk' niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt en dat verdachte ook anderszins geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800218-11

Uitspraakdatum: 23 mei 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 09 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Mexico),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de PI Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 februari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19.923,6 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 59 maanden met aftrek die verdachte in voorarrest en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd van een geldbedrag van 2450,00 euro en onttrekking aan het verkeer van de koffer.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

De verdachte heeft gesteld geen wetenschap van de aanwezigheid van de cocaïne in haar tas te hebben gehad. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij een koffer voor een derde heeft vervoerd met daarin Mexicaanse artefacten, dat zij de inhoud van de koffer heeft gezien, dat de koffer niet zwaar was en zij de koffer zelf met gemak op de band bij de incheckbalie heeft kunnen plaatsen. Voorts heeft zij verklaard dat de koffer die in Nederland aan haar is getoond, en die voorzien was van een bagagelabel met haar naam erop, een andere is dan de koffer die zij in Mexico heeft ingecheckt.

De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat verdachte in Mexico kennelijk één koffer van 12 kilogram heeft ingecheckt, en dat er twee op haar naam gestelde bagagelabels zijn aangemaakt waarvan er één is doorgehaald, en dat de koffer met haar label erop die in Nederland is aangekomen 25,9 kilogram woog.

Naar het oordeel van de rechtbank laten evengenoemde feiten en omstandigheden ruimte aan de mogelijkheid dat de koffer met Mexicaanse artefacten is verwisseld met de op naam van verdachte gestelde koffer met contrabande nádat zij haar koffer aan de incheckbalie had afgegeven en zonder dat verdachte daar kennis van droeg. Dat de verdachte bij het in de koffer stoppen van de cocaïne betrokken zou zijn geweest of daarvan anderszins wetenschap heeft gehad, kan uit de stukken in het dossier niet worden opgemaakt; er is daarnaar -voor zover de stukken in het dossier uitwijzen- ook in het geheel geen onderzoek gedaan. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het reisverhaal van de verdachte -de (voorgenomen) route, haar reisdoelen, mede bezien tegen de achtergrond van hetgeen omtrent de financiële positie van de verdachte is gebleken- weliswaar als zonder meer buitenissig moet worden aangemerkt en veel vragen oproept die niet, althans niet bevredigend door de verdachte zijn beantwoord, maar -anders dan de officier van justitie- is de rechtbank , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het buitenissige karakter van dat reisverhaal en het rechterlijk oordeel daarover voor het bewijs van verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van de cocaïne in het hier ter berechting voorliggende geval ontoereikend is. Dit alles brengt mee dat het ten laste gelegde bestanddeel 'opzettelijk' niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt en dat verdachte ook anderszins geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer (36c)

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen koffer dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het de invoer van cocaïne met behulp van de koffer is begaan of voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van cocaïne is in strijd met de wet. Het ongecontroleerde bezit van de koffer is - nu de geur van cocaïne er mogelijk nog aan zit - in strijd met het algemeen belang.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36c van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het haar ten laste gelegde feit.

Onttrekt aan het verkeer:

- een koffer van het merk American Touris met label.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van 2450,00 euro.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. J. Snitker en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.V. Ramdharie,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 mei 2011.

Mr. Snitker is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.