Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3382

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
08/2788, 08/2789, 08/2790, 09/1953, 09/1954, 09/1955, 08/5247, 09/5504, 09/5505, 09/5688
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB. Navordering ter zake van verzwegen buitenlandse banktegoeden. Verweerder is niet voortvarend genoeg te werk gegaan bij de navordering. De navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar worden vernietigd. De overige (navorderings) aanslagen blijven in stand. Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel faalt. De boetes worden gematigd in verband met de omstandigheden dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast en dat op het moment van het doen van uitspraak de redelijke termijn was overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1980
V-N 2011/49.2.2
FutD 2011-1812
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 08/2788, 08/2789, 08/2790, 09/1953, 09/1954, 09/1955, 08/5247, 09/5504, 09/5505 en 09/5688

Uitspraakdatum: 3 mei 2011

Uitspraak in de gedingen tussen

[X1] (hierna: eiser) en [X2] (hierna: eiseres), wonende te [Z], hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,

gemachtigde: mr. I.R.J. Thijssen

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1. Aan eiser is met dagtekening 29 december 2006 voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER A], zaaknummer 08/2788) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 155.758. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 15.459 en een boete van ? 41.329 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.2. Aan eiser is met dagtekening 29 december 2006 voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER B], zaaknummer 08/2790) vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 1.536.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 3.202 en een boete van ? 8.561 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.3. Aan eiser is met dagtekening 29 december 2006 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER C], zaaknummer 08/2789) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 181.767 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.960. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 10.710 en een boete van € 32.288 (50% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op de winstcorrecties en 100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.4. Aan eiseres is met dagtekening 29 december 2006 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER D], zaaknummer 08/5247) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 187.207 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.960. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 10.710 en een boete van € 32.288 (50% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op de winstcorrecties en 100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.5. Eisers hebben tegen de onder 1.1 tot en met 1.4 genoemde navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschift is op 4 januari 2007 bij verweerder ingekomen.

1.6. Eiser heeft op 6 maart 2008 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op de door hem gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen genoemd onder 1.1 tot en met 1.3.

1.7. Op 3 juli 2008 heeft verweerder alsnog uitspraak gedaan op de door eiser gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen genoemd onder 1.1 tot en met 1.3. Voorts heeft verweerder op 3 juli 2008 uitspraak gedaan op het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag genoemd onder 1.4. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd. Eiseres heeft daarop op 29 juli 2008 beroep ingesteld tegen de uitspraak op het door haar ingediende bezwaar tegen de navorderingsaanslag genoemd onder 1.4.

1.8. De rechtbank heeft het onder 1.6 bedoelde beroep op de voet van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar. Eiser heeft zijn beroepsgronden bij brief van 6 januari 2009 aangevuld.

1.9. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER E], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 165.248. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 17.697 en een boete van ? 40.857 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.10. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER F], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 165.985. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 17.336 en een boete van ? 41.459 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.11. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER G], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 208.183. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 12.724 en een boete van ? 32.996 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.12. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER H], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 220.231. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 13.203 en een boete van ? 37.124 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.13. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER I], zaaknummer 09/1955) VB opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 1.756.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 4.061 en een boete van ? 9.712 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.14. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER J], zaaknummer 09/1955) VB opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 1.527.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 3.471 en een boete van ? 9.002 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.15. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER K], zaaknummer 09/1955) VB opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 1.877.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 3.124 en een boete van ? 8.785 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.16. Aan eiser is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER L], zaaknummer 09/1955) VB opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 2.205.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 3.051 en een boete van ? 9.553 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.17. Aan eiseres is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER M], zaaknummer 09/5504) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 162.008. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 19.571 en een boete van ? 44.548 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.18. Aan eiseres is met dagtekening 21 oktober 2008 voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER N], zaaknummer 09/5505) VB opgelegd, berekend naar een vermogen van ? 1.614.000. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 4.024 en een boete van ? 9.160 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.19. Eisers hebben tegen de onder 1.9 tot en met 1.18 genoemde navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 13 oktober 2008 bij verweerder ingekomen.

1.20. Aan eiser is met dagtekening 24 oktober 2008 voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER O], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 207.410. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van ? 9.998 en een boete van ? 31.245 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.21. Aan eiser is met dagtekening 24 oktober 2008 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER P], zaaknummer 09/1953) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.570 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.742. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 8.162 en een boete van € 21.836 (50% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op de winstcorrecties en 100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.22. Aan eiseres is met dagtekening 24 oktober 2008 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER Q], zaaknummer 09/5688) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.265. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 5.695 en een boete van € 11.700 (50% van het verschuldigde bedrag aan belasting) opgelegd.

1.23. Eisers hebben tegen de onder 1.20 tot en met 1.22 genoemde navorderingsaanslagen op 25 oktober 2008 bezwaar gemaakt.

1.24. Aan eiser is met dagtekening 28 november 2008 voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [NUMMER R], zaaknummer 09/1954) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.788 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.285. Bij deze aanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 1.923 en een boete van € 12.281 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.25. Aan eiser is met dagtekening 28 november 2008 voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [NUMMER S], zaaknummer 09/1954) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.797 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 86.279. Bij deze aanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 1.839 en een boete van € 13.436 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.26. Eiser heeft tegen de onder 1.24 en 1.25 genoemde aanslagen op 21 november 2008 bezwaar gemaakt.

1.27. Aan eiser is met dagtekening 4 december 2008 voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [NUMMER T], zaaknummer 09/1954) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.059 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 65.575. Bij deze navorderingsaanslag is gelijktijdig middels afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 2.195 en een boete van € 11.182 (100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden) opgelegd.

1.28. Eiser heeft tegen de onder 1.27 genoemde navorderingsaanslag op 4 december 2008 bezwaar gemaakt.

1.29. Eiser heeft op 7 januari 2009 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op de door hem gemaakte bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen genoemd onder 1.9. tot en met 1.16, 1.20, 1.21, 1.24, 1.25. en 1.27.

1.30. Op 9 april 2009 heeft verweerder (alsnog) uitspraak gedaan op de door eiser gemaakte bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen genoemd onder 1.9 tot en met 1.16, 1.20, 1.21, 1.24, 1.25 en 1.27. Hij heeft de bezwaren ongegrond verklaard en de (navorderings)aanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.31. De rechtbank heeft de onder 1.29 bedoelde beroepen van eiser op de voet van artikel 6:20, vierde lid, Awb geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar. Eiser heeft zijn beroepsgronden onder meer bij brief van 15 april 2009 aangevuld.

1.32. Op 17 april 2009 heeft verweerder uitspraak gedaan op de door eiseres gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen genoemd onder 1.17, 1.18 en 1.22. Hij heeft de bezwaren ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.33. Eiseres heeft op 3 november 2009 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op de door haar gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen genoemd onder 1.17 en 1.18. Op 18 november 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op het door haar gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag genoemd onder 1.22.

1.34. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.35. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.36. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2010. Eisers zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [A], [B] en [C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om alsnog bepaalde informatie en stukken aan de rechtbank te verstrekken.

1.37. Verweerder heeft op 2 november 2010 de informatie en de stukken verstrekt. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eisers.

1.38. Eisers hebben hierop gereageerd bij brief van 11 november 2010 en hebben op 12 januari 2011 een nader stuk ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.39. Een tweede zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Eisers zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde, bijgestaan door [D] (kantoorgenoot). Namens verweerder zijn verschenen [E] en [C].

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser en eiseres zijn met elkaar gehuwd en beiden vennoot in de vennootschap onder firma V.O.F. [BEDRIJF A] (hierna: de vof) welke zich bezighoudt met de ambulante handel in vis en met visverwerking.

2.2. Aanvankelijk (in de jaren 80) was de vishandel een eenmanszaak met alleen eiser als ondernemer. In 1990 is eiser samen met eiseres een man-vrouwfirma aangegaan. In 1996 is [F], een zoon van eisers, tot de firma toegetreden, gevolgd door zijn broer [G] die in 2000 tot de firma is toegetreden.

2.3. Op 17 mei 2005 heeft het Bundesamt für Finanzen te [PLAATSNAAM] renseignementen inzake drie buitenlandse vestigingen van Deutsche Bank naar de FIOD-ECD gezonden in het kader van de spontane gegevensuitwisseling op basis van de richtlijn 77/799 EEG en artikel 4 van de richtlijn 79/1070 EEG.

2.4. Op 20 mei 2005 zijn de renseignementen door de FIOD-ECD ontvangen. Op 7 juli 2005 is eiser geïdentificeerd als een persoon die in de renseignementen voorkwam. In de informatie uit het renseignement komt namelijk een persoon met de personalia van eiser voor die op 2 en 6 augustus 1996 DM 627.000 aan vastrentende obligaties en 166 aandelen Mandarin Fonds bij Deutsche Bank Suisse heeft aangekocht dan wel naar Deutsche Bank Suisse heeft overgebracht.

2.5. Op 16 mei 2006 heeft verweerder eiser een zogenoemd formulier “Opgave Buitenlands Vermogen” gezonden met het verzoek dit formulier binnen tien werkdagen ingevuld te retourneren. In het begeleidend schrijven heeft verweerder eiser gewezen op de inlichtingenverplichting op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

2.6. Eiser heeft het formulier op 24 mei 2006 ingevuld geretourneerd. Op het formulier heeft eiser vermeld dat hij een onroerende zaak en een bankrekening in Frankrijk bezit. Voorts heeft hij op dit formulier aangegeven dat hij niet gerechtigd is geweest tot andere buitenlandse vermogensbestanddelen.

2.7. Op 13 november 2006 heeft er tussen verweerder en eisers een hoorgesprek plaatsgevonden. Bij dit gesprek werden eisers bijgestaan door hun belastingconsulent mevrouw [H] van kantoor Kuima uit Dalfsen. Namens verweerder waren aanwezig [C] en [I]. Van dit hoorgesprek is een verslag opgemaakt door verweerder dat op 20 november 2006 is opgestuurd naar eisers.

2.8. De gemachtigde van eisers heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 23 november 2006, waarin hij de inhoud van het gespreksverslag bestrijdt en verweerder meedeelt eisers te hebben geadviseerd om het gespreksverslag niet te ondertekenen.

2.9. Verweerder heeft bij brieven gedagtekend 5 december 2006 aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om in verband met het verstrijken van de termijn waarbinnen navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en 2001 en VB 1995 en een naheffingsaanslag omzetbelasting 2001 opgelegd moeten worden, genoemde navorderingsaanslagen en naheffingsaanslag op te leggen. Tevens is in deze brieven door verweerder aangekondigd dat hij voornemens is gelijktijdig met deze navorderingsaanslagen en naheffingsaanslag boetes op te leggen.

2.10. Op 11 december 2006 heeft de gemachtigde van eisers gereageerd op de aankondiging van de navorderingsaanslagen, de naheffingsaanslag en de boetes.

2.11. In een ambtsedige verklaring, opgemaakt door de heer [C] en de heer [I], beiden werkzaam bij de Belastingdienst [P], is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Bij het telefoongesprek op 11 december 2006 is (in de loop van de ochtend), althans in woorden van gelijke strekking, het volgende gezegd:

- De heer [X1] zegt schriftelijk informatie te hebben opgevraagd bij de Deutsche Bank [PLAATSNAAM].”

2.12. Verweerder heeft met dagtekening 29 december 2006 de onder 1.1 tot en met 1.4 bedoelde navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en 2001 en VB 1995 en de boetebeschikkingen aan eisers opgelegd. Met dezelfde dagtekening zijn aan de zonen van eisers navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 en boetebeschikkingen opgelegd en is aan de vof een naheffingsaanslag omzetbelasting 2001 en een boetebeschikking opgelegd.

2.13. Verweerder heeft de gemachtigde van eisers in de bezwaarfase met betrekking tot de onder 2.12 genoemde navorderingsaanslagen op 26 februari 2007 een vragenbrief gezonden, waarin hij verzoekt om voor 26 maart 2007 nader aangegeven bescheiden te overleggen. In deze vragenbrief wijst verweerder de gemachtigde van eisers op artikel 47 AWR. De gemachtigde van eisers heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.

2.14. Op 5 april 2007 heeft verweerder een verzoek om internationale gegevensuitwisseling aan de Duitse autoriteiten gericht.

2.15. Bij brieven van 25 april 2007 en 16 mei 2007 heeft verweerder eisers, onder verwijzing naar zijn vragenbrief van 26 februari 2007, wederom om bescheiden verzocht.

2.16. Bij brief van 1 oktober 2007 heeft verweerder aangekondigd dat er een boekenonderzoek zal worden verricht. In deze brief is door verweerder aangegeven dat het doel van het onderzoek tweeledig is, namelijk:

1. het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van eiser voor de jaren 2003 tot en met 2005; en

2. het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2003 tot en met 2006 van de vof.

2.17. Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 8 oktober 2008, en is op 10 oktober 2008 naar eiser gestuurd. In dit rapport wordt aangegeven dat de uitkomst van de theoretische omzetberekening geen aanleiding geeft tot correcties van de omzet van de vof. Voorts heeft verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 aangekondigd alsmede dat de in het rapport berekende correcties over de jaren 2004 en 2005 in de primitieve aanslag zullen worden verwerkt. Tevens wordt in het controlerapport medegedeeld dat verweerder voornemens is gelijktijdig met de genoemde (navorderings)aanslagen boetes aan eiser op te leggen.

2.18. De FIOD-ECD heeft op respectievelijk 29 oktober 2007 en 30 november 2007 stukken uit Duitsland ontvangen onder verwijzing naar de verzoeken van 5 april 2007 en 14 juni 2007, die op respectievelijk 6 november 2007 en 11 december 2007 aan verweerder zijn doorgestuurd.

2.19. Op 9 januari 2008 heeft de controleambtenaar van de Belastingdienst aan de belastingconsulent van eisers meegedeeld dat het boekenonderzoek geen aanleiding geeft tot omzetcorrecties.

2.20. Op 22 januari 2008 heeft de gemachtigde van eisers namens de zonen van eisers bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2001.

2.21. Verweerder heeft in reactie daarop op 8 februari 2008 een gedeelte van de resultaten van de internationale gegevensuitwisseling aan de gemachtigde van eisers overgelegd. Bijgevoegd waren stukken die eisers identificeerden als rekeninghouders bij Deutsche Bank te [PLAATSNAAM]. Verweerder heeft de gemachtigde van eisers in deze brief nogmaals verzocht om gegevensverstrekking, welk verzoek hij herhaalt bij brief van 14 februari 2008.

2.22. De gemachtigde van eisers heeft op 22 februari 2008 een groot aantal bescheiden overgelegd. Deze bescheiden betroffen afschriften van spaar- en effectenrekeningen van eisers bij de volgende banken:

- Deutsche Bank te [PLAATSNAMEN];

- Deutsche Bank te [PLAATSNAAM];

- Société Générale Bank te [PLAATSNAAM].

2.23. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2008 de naheffingsaanslag omzetbelasting die aan de vof was opgelegd, en de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking en beschikking heffingsrente vernietigd.

2.24. Verweerder heeft op 8 april 2008 nadere vragen aan (de gemachtigde van) eisers gesteld. De gemachtigde van eisers heeft hierop bij brief van 17 april 2008 gereageerd.

2.25. Verweerder heeft de gemachtigde van eisers op 28 april 2008, na een reactie van de gemachtigde van eisers nogmaals verzocht de vragen die hij heeft gesteld in zijn brief van 8 april 2008 te beantwoorden. De gemachtigde van eisers heeft hierop gereageerd op 19 mei 2008.

2.26. Op 3 juli 2008 heeft verweerder (alsnog) uitspraak gedaan op de door eisers gemaakte bezwaren genoemd onder 1.5.

2.27. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 6 en 13 augustus 2008 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 die door verweerder waren opgelegd aan de zonen van eisers, alsmede de gelijktijdig aan hen opgelegde boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente vernietigd.

2.28. Verweerder heeft bij brieven van 19 augustus 2008 aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1995 tot en met 2000 en VB voor de jaren 1996 tot en met 2000 op te leggen. Tevens is in deze brieven door verweerder aangegeven dat hij voornemens is gelijktijdig met deze navorderingsaanslagen boetes op te leggen.

2.29. De gemachtigde van eisers heeft bij brief van 19 augustus 2008 verweerder verzocht om de geschatte waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen voor de jaren 2002 tot en met 2004 geheel aan eiser toe te rekenen. In de brief is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“Ik zou willen verzoeken om - voor zover mogelijk - niet alleen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004 aan de heer [X1] op te leggen, maar om dat eveneens te doen voor in het jaar vóór 2001 waarin mevrouw [X2] het hoogste persoonlijke inkomen genoot. Ook die navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting kunnen wat mij betreft en voor zover mogelijk aan de heer [X1] worden opgelegd. (…) Alsdan hoeft er slechts namens één belastingplichtige een bezwaar- en/of beroepsprocedure worden gevoerd.”

2.30. De gemachtigde van eisers heeft op de brieven van verweerder van 19 augustus 2008 (genoemd onder 2.28) gereageerd bij brief van 26 augustus 2008. In deze brief heeft de gemachtigde van eisers onder meer gronden aangevoerd tegen de hoogte van de boetes. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief gedagtekend 3 september 2008, en gemachtigde van eisers daarin verzocht om indien deze nog vragen of opmerkingen had dit schriftelijk aan hem te laten weten vóór 17 september 2008.

2.31. Verweerder heeft bij brieven van 2 september 2008 aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 2002 en boetebeschikkingen op te leggen.

2.32. Verweerder heeft bij brief van 2 oktober 2008 aan eisers aangegeven dat met betrekking tot een deel van de aangekondigde navorderingsaanslagen de hoogte van de aanslagen zullen worden aangepast omdat alsnog (deels) rekening wordt gehouden met de door eisers verstrekte informatie over kosten en verrekenbare bronbelasting en met rentevrijstellingen.

2.33. Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2008 de onder 1.9 tot en met 1.18 bedoelde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 1999 en VB 1996 tot en met 2000 en boetebeschikkingen aan eisers opgelegd.

2.34. Verweerder heeft met dagtekening 24 oktober 2008 de onder 1.20 tot en met 1.22 bedoelde navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 en 2002 en boetebeschikkingen aan eiser en de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en boetebeschikking aan eiseres opgelegd.

2.35. Verweerder heeft bij brief van 13 november 2008 aan eiser medegedeeld dat hij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2005 boetes zal opleggen.

2.36. Verweerder heeft met dagtekening 28 november 2008 de onder 1.24 en 1.25 bedoelde aanslagen IB/PVV 2004 en 2005 en boetebeschikkingen aan eiser opgelegd. Met dagtekening 4 december 2008 heeft verweerder de onder 1.27 bedoelde navorderingsaanslag IB/PVV 2003 en boetebeschikking aan eiser opgelegd.

3. Geschil

3.1. De rechtbank dient eerst te onderzoeken of de beroepen tegen het niet tijdig uitspraak doen op ingestelde bezwaren doel treffen en of tegen alle bestreden uitspraken op bezwaar op regelmatige wijze beroep is ingesteld. Tussen partijen is vervolgens met betrekking tot de navorderingsaanslagen die met hantering van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR zijn opgelegd (derhalve de aanslagen van 1994 tot en met 2000) in geschil of deze voldoende voortvarend zijn opgelegd. Voorts is in geschil of de (navorderings)aanslagen en de boetes tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Niet is meer in geschil dat eisers hebben beschikt over buitenlandse bankrekeningen met een positief saldo waarvan inkomsten en saldi – voor zover thans navordering aan de orde is – niet in de vaststelling van (eerdere) aanslagen over de betreffende jaren zijn betrokken.

3.2. Eisers concluderen tot gegrondverklaring van de beroepen.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van de gedingen en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

4.1.1. Verweerder dient op grond van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) met ingang van 2008 (geldende tekst tot 1 oktober 2009) - in beginsel - binnen zes weken na ontvangst op het bezwaarschrift uitspraak te doen. Op bezwaren die zijn ingediend tot en met 2007 diende verweerder op grond van artikel 25, eerste lid, AWR (tekst tot 2008), in afwijking van artikel 7:10 Awb binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak te doen. Op grond van de overgangsbepaling artikel XIII bij de wet van 27 september 2007 (Versterking fiscale rechtshandhaving), Stb. 2007, 376 bleef voor een vóór 1 januari 2008 ingediend bezwaarschrift de oude wettelijke beslistermijn gelden.

4.1.2. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en 2001 en VB 1995 op 4 januari 2007 ontvangen, zodat verweerder uiterlijk op 4 januari 2008 uitspraak op de bezwaren had behoren te doen.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1999 en VB 1997 tot en met 2000 op 13 oktober 2008 ontvangen, zodat verweerder uiterlijk op 24 november 2008 uitspraak op de bezwaren had behoren te doen.

Verweerder heeft op 25 oktober 2008 het bezwaarschrift van eiser ontvangen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 en 2002 zodat verweerder uiterlijk op 8 december 2008 uitspraak op de bezwaren had behoren te doen.

Verweerder heeft op 21 november 2008 het bezwaarschrift van eiser ontvangen tegen de aanslagen IB/PVV 2004 en 2005 zodat verweerder uiterlijk op 5 januari 2009 uitspraak op de bezwaren had behoren te doen.

4.1.3. Het feit dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn uitspraak op de bezwaren heeft gedaan en eiser daarom vervolgens beroep heeft ingesteld ontheft verweerder niet van zijn verplichting om uitspraak te doen op de bezwaarschriften op grond van artikel 6:20, eerste lid, Awb en artikel 25, derde lid, AWR (tekst tot en met 2007). Aan die verplichting heeft verweerder gevolg gegeven door op 3 juli 2008 en 9 april 2009 alsnog ter zake van alle onder 4.1.2 genoemde (navorderings)aanslagen uitspraak op bezwaar te doen. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep tegen de fictieve weigering vervolgens geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij daarbij geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen.

4.1.4. Nu verweerder alsnog uitspraak heeft gedaan en eiser geen belang heeft gesteld als bedoeld in artikel 6:20, zesde lid, Awb (tekst tot 1 september 2009), heeft eiser geen belang meer bij de beroepen tegen het niet tijdig doen van de uitspraken op bezwaar. Dit deel van de beroepen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.1.5. Eiser heeft beroep ingesteld op 7 januari 2009 in verband met de fictieve weigering uitspraak op bezwaar te doen met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2003. Het bezwaarschrift met betrekking tot die navorderingsaanslag heeft eiser ingediend op 4 december 2008. Op 7 januari 2009 was de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:10 Awb daarom nog niet verstreken, zodat eiser prematuur beroep heeft ingesteld tegen de fictieve weigering.

Dat neemt echter niet weg dat ook dat fictieve beroep op de voet van 6:20, vierde lid, Awb geacht wordt te zijn gericht tegen het later genomen reële besluit op het bezwaar van 9 april 2009. Overigens heeft eiser op 15 april 2009 er ook op gewezen dat zijn beroep moet worden geacht daartegen te zijn gericht. De rechtbank constateert dat die brief ook nog kan worden aangemerkt als (tijdig) ingesteld beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 9 april 2009.

4.1.6. Eiseres heeft beroep ingesteld op 3 november 2009 en 18 november 2009 in verband met de fictieve weigering uitspraak op bezwaar te doen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 enerzijds en IB/PVV 2002 anderzijds. De bezwaarschriften met betrekking tot die navorderingsaanslagen had eiseres ingediend op 13 oktober 2008 (IB/PVV 1995 en VB 1996) en 25 oktober 2008 (IB/PVV 2002). Verweerder had vervolgens op 17 april 2009 reeds uitspraak op bezwaar gedaan ter zake van genoemde navorderingsaanslagen, derhalve (ruim) voordat eiseres beroep heeft ingesteld tegen de fictieve weigering, zodat de beroepen van 3 en 18 november 2009 moeten worden aangemerkt als (gewone) beroepen tegen deze uitspraken op bezwaar. Ter zitting hebben partijen zich nader op het standpunt gesteld dat onder de gegeven omstandigheden ervan moet worden uitgegaan dat de termijnoverschrijding die alsdan is ontstaan verschoonbaar is. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

Verlengde navorderingstermijn en evenredigheidsbeginsel

4.2.1. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en VB 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 ten name van eiser en IB/PVV 1995 en VB 1996 ten name van eiseres zijn opgelegd ter zake van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen heeft verweerder gebruik moeten maken van zijn in artikel 16, vierde lid, AWR gegeven bevoegdheid om die navorderingsaanslagen buiten de normale termijn van 5 jaar binnen een termijn van 12 jaar op te leggen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 februari 2010, nr. 43 050bis, LJN: BJ9120, geoordeeld dat deze bevoegdheid alleen mag worden gebruikt indien en voor zover daarbij de in artikel 16, derde lid, AWR gestelde termijn van 5 jaar, na het bij verweerder bekend worden van aanwijzingen over in het buitenland aangehouden en eerder verzwegen bankrekeningen, niet verder wordt overschreden dan met het tijdsverloop dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en tevens met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Eisers hebben gemotiveerd gesteld dat verweerder voornoemd tijdsverloop heeft overschreden en mitsdien zijn in artikel 16, vierde lid, AWR gegeven bevoegdheid niet meer mocht gebruiken. Verweerder heeft dit betwist.

4.2.2. Uit de van verweerder ontvangen informatie over de gang van zaken blijkt het volgende. Bij de onder 2.3 bedoelde brief met bijlagen van 17 mei 2005 heeft het Duitse Bundesambt für Finanzen aan de FIOD-ECD inlichtingen verstrekt op grond van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen (EEG 1977/99). Het betrof een renseignement - kennelijk als onderdeel van een meer omvattend renseignement - waarin gegevens zijn opgenomen die betrekking hadden op eisers. Die renseignementen heeft de FIOD-ECD ontvangen op 20 mei 2005. Verweerder heeft gesteld dat de identificatie door de FIOD-ECD enige tijd heeft gekost en uiteindelijk heeft plaatsgevonden op 7 juli 2005. Na identificatie is het renseignement dat betrekking had op eisers, via de zogenaamde “regiotrekker” van het project Buitenlands vermogen, aan Belastingsdienst /Utrecht-Gooi ter beschikking gesteld op 29 september 2005. Op 16 mei 2006 heeft verweerder aan eisers de onder 2.5 bedoelde brief verzonden met als bijlage het formulier ‘Opgave Buitenlands vermogen‘.

4.2.3. De rechtbank stelt vast dat het renseignement na identificatie van eisers terstond bruikbaar was om verder onderzoek richting eisers in te stellen omdat de personalia en adresgegevens van eisers door de FIOD-ECD voldoende hanteerbaar waren vastgesteld. Vast staat dat verweerder (Belastingdienst/Utrecht-Gooi) het renseignement niet direct na ontvangst op 29 september 2005 in behandeling heeft genomen als gevolg van drukke (andere) werkzaamheden van de daarvoor aangewezen medewerker van de Belastingdienst, die door verweerder ter zitting zijn toegelicht.

Eveneens staat vast dat verweerder zich voor het eerst bij de brief van 16 mei 2006 tot eisers heeft gewend en zij deze brief ook hebben ontvangen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat reeds in de periode voorafgaand aan de verzending van de brief, mogelijk al enige weken daarvoor, werkzaamheden met betrekking tot het renseignement zijn verricht. Indien ervan wordt uitgegaan dat verweerder het renseignement op 29 september 2005 heeft ontvangen en tevens rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat verweerder enkele weken voorafgaand aan de verzending van de vragenbrief op 16 mei 2006 voorbereidende werkzaamheden heeft verricht zijn tussen 29 september 2005 en 1 mei 2006 zeven maanden verstreken. Gelet op vorenbedoeld arrest van de Hoge Raad was het in ieder geval vanaf 29 september 2005 aan verweerder om met redelijke voortvarendheid inlichtingen in te winnen dan wel navorderingsaanslagen voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking stonden. Met een verloop van zeven maanden waarin verweerder de facto heeft stilgezeten en waarvan niet is onderbouwd dat dat tijdsverloop noodzakelijk was om inlichtingen in te winnen, is een langere tijd verstreken dan op grond van het (communautair) evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard. Het feit dat de voor het onderzoek aangewezen medewerker ook andere onderzoeken en/of taken moest verrichten, maakt niet dat het zodanig lang stilliggen noodzakelijk tijdsverloop vormt. Verweerder heeft aldus in het onderhavige geval onvoldoende voortvarendheid betracht. Of verweerder reeds vóór 29 september 2005 heeft beschikt over het renseignement en of verweerder in de periode na 16 mei 2006 voldoende voortvarend heeft gehandeld, kan gelet op het vorenoverwogene onbesproken blijven.

Alle navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen evenals de beschikkingen heffingsrente die zijn op gelegd met toepassing van de twaalfjaarstermijn dienen derhalve te worden vernietigd. Het betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, 1996 tot en met 2000 en de VB 1995, 1997 tot en met 2000 ten name van eiser en de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 ten name van eiseres. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.3. Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel a, AWR is iedereen gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Deze bepaling brengt voor eisers de verplichting mee de daarover gestelde vragen te beantwoorden en desgevraagd bescheiden, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, over te leggen. Indien niet aan deze verplichting is voldaan, verklaart de rechtbank ingevolge artikel 27e AWR het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (zogenaamde omkering van de bewijslast).

Verweerder heeft diverse keren om inlichtingen verzocht (zie onder 2.13 en 2.15). Op die verzoeken hebben eisers niet of eerst veel later of slechts gedeeltelijk gereageerd. Over de periode waarop de thans nog in geschil zijnde (navorderings)aanslagen zien, namelijk de IB/PVV 2001 tot en met 2005, hebben eisers - behoudens over de periode 1 januari 2001 tot en met 16 juli 2001 - in het geheel geen inlichtingen meer verstrekt of bescheiden overgelegd met betrekking tot (stortingen op, opnamen van of tegoeden op) buitenlandse bankrekeningen. Eisers hebben in dat verband gesteld dat het verstrekken van inlichtingen alleen maar leidde tot het aankondigen van hogere aanslagen. Wat daar ook van zij, een en ander ontslaat eisers niet van de verplichting om op verzoek van verweerder inlichtingen te verstrekken en bescheiden te overleggen. Het vorenstaande rechtvaardigt dat de bewijslast in deze procedure wordt omgekeerd en verzwaard, zodat op eisers de last rust om te doen blijken dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 ten onrechte dan wel tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Eisers hebben nog betoogd dat de invoering van het boxenstelsel in 2001 als gevolg heeft dat de omkering van de bewijslast getoetst dient te worden per box. Naar de rechtbank begrijpt hebben eisers aldus bedoeld aan te voeren dat er, indien ervan wordt uitgegaan dat tot de rendementsgrondslag behorend vermogen in box III is verzwegen, geen argumenten zijn voor omkering en verzwaring van de bewijslast ter zake van de winstcorrectie als inkomen uit werk en woning in box I. De stelling van eisers berust op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft op 14 november 1990, nr. 26 727 (BNB 1992/127) beslist dat geen sprake kan zijn van partiële omkering van de bewijslast voor zover het gaat om het doen van de vereiste aangifte. De omkering van de bewijslast betreft immers de gehele aanslag. Eenzelfde gevolg heeft in casu te gelden voor het niet verstrekken van inlichtingen en bescheiden. Dat met ingang van 1 januari 2001 het boxenstelsel is ingevoerd maakt dat niet anders. Daaruit vloeit immers nog steeds één belastingaanslag voort.

Eisers hebben geen overtuigend bewijs aangedragen waaruit blijkt dat de (navorderings)aanslagen onjuist of tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

(On)redelijke schatting

4.4.1. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van het verzwegen vermogen en de inkomsten daaruit. Bij de beoordeling of verweerder aan die verplichting heeft voldaan, heeft als uitgangspunt te gelden dat aan de schatting geen hoge eisen mogen worden gesteld, aangezien verweerder slechts beschikt over beperkte gegevens. De toetsing door de rechtbank is ook beperkt tot een beoordeling of verweerder in redelijkheid tot de onderhavige vaststelling voor wat betreft de omvang van inkomsten en tegoeden heeft kunnen komen.

4.4.2. Verweerder heeft in de processtukken uiteengezet hoe hij het vermogen en het inkomen van eisers heeft onderbouwd en over de jaren 1994 tot en met 2005 heeft berekend. Hij heeft het vermogen op 1 januari 1994 geschat op fl 1.000.000, welk bedrag volgens hem vanaf die datum rente heeft gegenereerd. Verweerder heeft voorts in 2001 een storting van

€ 45.378, daarmee verband houdende een winstcorrectie in 2001 en 2002 en een jaarlijkse vermogenstoename in 2002 tot en met 2005 van € 45.000 in aanmerking genomen.

Bij deze correcties heeft verweerder het volgende in aanmerking genomen:

- een bedrag van DM 627.000 dat op 2 augustus 1996 is gestort op een rekening bij Deutsche Bank te [PLAATSNAAM];

- de 166 Mandarin aandelen die ook in 1996 bij Deutsche Bank te [PLAATSNAAM] zijn ondergebracht en die op 31 december 1994 een waarde vertegenwoordigden van DM 51.152;

- het vermoeden dat eisers in 1996 niet hun gehele vermogen naar [LAND] hebben overgebracht, welk vermoeden werd bevestigd door de inlichtingen van de Duitse overheid. Eisers waren gerechtigd tot een spaarrekening bij Deutsche Bank te [PLAATSNAAM]. Deze spaarrekening vertoonde op 31 december 1996 een saldo van DM 81.025;

- bij de gegevens die de Duitse overheid op de inlichtingenverzoeken van verweerder heeft verstrekt, komt een door eiseres op 14 september 1994 getekende machtiging in de Franse taal voor, waaruit verweerder heeft afgeleid dat eiseres mogelijk nog een bankrekening bij Deutsche Bank in een Franstalig land wilde openen of heeft geopend;

- in de rekeningafschriften van Société Génerale van 2000 is een kostenvergoeding aan Société Génerale Private Banking te [PLAATSNAAM] aangetroffen, waaruit verweerder heeft afgeleid dat er mogelijk nog een buitenlandse bankrekening in [LAND] wordt aangehouden;

- de jaarlijkse, soms omvangrijke, stortingen die een aanwijzing kunnen vormen voor de ruimte die ook in het verleden heeft bestaan om stortingen te doen;

- de storting op 17 januari 2001 van € 45.378 op rekeningnummer 038715/001.000.978 van Société Génerale waar eisers geen verklaring voor hebben willen geven;

- de omstandigheid dat eisers over de periode 16 juli 2001 tot en met 2005 geen informatie meer hebben verstrekt over (het verloop van) de buitenlandse bankrekeningen;

- de bevestiging van eiser dat hij in het verleden zwarte omzet heeft gegenereerd en die heeft gestort op zijn buitenlandse bankrekening(en);

- het vermoeden van verweerder dat ook de storting van 17 januari 2001 voortkomt uit zwarte omzet. Verweerder heeft om die reden niet verantwoorde omzet als winstcorrectie in de jaren 2001 en 2002 in aanmerking genomen. Daarbij heeft verweerder bij ieder van eisers in 2001 € 100.000 gecorrigeerd en in het jaar 2002 € 45.000;

- het vermoeden van verweerder dat eisers niet aangegeven omzet, rekening houdend met de stortingen op buitenlandse rekeningen in het verleden, ook in de periode 2001 tot en met 2005 zullen hebben gestort op rekeningen in het buitenland. Daarbij is verweerder uitgegaan van een jaarlijkse vermogenstoename van € 45.000.

4.4.3. De feiten die ten grondslag liggen aan de onder 4.4.2 bedoelde onderbouwing zijn door eisers niet of – gelet op de omkering en verzwaring van de bewijslast – onvoldoende overtuigend weerlegd en blijken overigens uit de wederzijds overlegde stukken. Verweerder heeft de in geschil zijnde belastbare inkomens en vermogens met bovenstaande onderbouwing op redelijke wijze vastgesteld. Gezien de door verweerder aangedragen argumenten kan niet worden uitgesloten dat eisers destijds over meer vermogen hebben beschikt dan waarover verweerder inlichtingen uit het buitenland heeft ontvangen. Daarbij dient mede in ogenschouw te worden genomen dat eisers pas inlichtingen en bescheiden zijn gaan verstrekken (en zich daartoe ook grotendeels hebben beperkt) nadat zij door verweerder op de hoogte werden gesteld van de bankrekeningnummers waarover verweerder beschikte. Het door verweerder geschatte aanvangsvermogen van ? 1.000.000 acht de rechtbank daarom redelijk. Dat verweerder voor de jaren 2001 en 2002 ook de winst nog heeft gecorrigeerd en voor de jaren 2001 tot en met 2005 ten aanzien van het vermogen is uitgegaan van een jaarlijkse storting van € 45.000 naast de oprenting van het dan volgens de spreadsheet van verweerder aanwezige vermogen, acht de rechtbank ook redelijk. Eiser heeft immers toegegeven dat de aanwas van de saldi op de buitenlandse bankrekeningen mede haar oorsprong vond in niet aangegeven omzet. Dat omzet uitsluitend in de jaren tachtig niet is aangegeven is niet aannemelijk, aangezien het vermogen vanaf 1993 tot en met 2000 jaarlijks aanzienlijk toeneemt. Deze toename kan gezien de tussentijdse stortingen niet alleen verklaard worden uit een waardestijging van de effectenportefeuille. Eisers hebben bovendien op 17 januari 2001 nog een bedrag van € 45.378 op een rekening gestort en daar tot op heden geen verklaring voor willen geven. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat ook in de thans nog in geschil zijnde jaren meer omzet is gegenereerd dan is aangegeven. Verweerder heeft aldus de winst in de jaren 2001 en 2002 kunnen corrigeren en bij de vaststelling van de aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 rekening kunnen houden met een jaarlijkse vermogenstoename bovenop de oprenting van het al aanwezige vermogen. Dat het boekenonderzoek bij de vof over 2003 tot en met 2005 geen aanleiding was voor omzetcorrecties acht de rechtbank niet doorslaggevend voor een ander oordeel. Met de enkele stelling dat voor deze jaren sprake zou zijn van buitensporig hoge correcties hebben eisers niet aangetoond dat de (navorderings)aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd.

Gelijkheidsbeginsel

4.5. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur aangezien hij de winstcorrecties met betrekking tot vermeende zwarte winst over 2001 bij eisers in stand heeft gelaten, terwijl hij de winstcorrecties bij de beide zonen heeft teruggedraaid. De winstcorrecties zouden alsdan ook bij eisers dienen te worden vernietigd. Van strijd met het gelijkheidbeginsel is in onderhavig geval echter geen sprake. In tegenstelling tot de beide zonen beschikten eisers immers over buitenlandse bankrekeningen waarop het vermogen deels uit niet aangegeven omzet was ontstaan. Dat is door eisers ook toegegeven. Bovendien hebben eisers over de periode na 16 juli 2001 geen informatie meer verstrekt, ook niet over de storting van

€ 45.378 van 17 januari 2001. Het bedrag van € 45.378 is in twee gedeelten op 9 en 10 juli 2001 weer opgenomen. Over deze opnamen en over de besteding daarvan hebben eisers evenmin informatie willen verstrekken. Onder deze omstandigheden is er twijfel blijven bestaan of eisers al dan niet zwarte omzet genereerden. Dit zijn de feiten en omstandigheden die voor verweerder aanleiding zijn geweest de navorderingsaanslagen bij eisers op te leggen en te handhaven. De navorderingsaanslagen bij de zonen zijn uiteindelijk vernietigd, omdat verweerder ten aanzien van hen enig vermoeden van verzwijgen van omzet niet aannemelijk heeft kunnen maken. Er is aldus geen sprake van gelijke gevallen. In het geval dat wel zou moeten worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, zou het beroep op het gelijkheidsbeginsel afstuiten op enerzijds het feit dat niet is gesteld of gebleken dat verweerder de zonen heeft willen begunstigen dan wel ten aanzien van hen een begunstigend beleid heeft toegepast, en anderzijds ook de meerderheidsregel niet is geschonden, omdat dan slechts in twee van de vier gevallen de correctie achterwege is gebleven.

Toerekening vermogensbestanddelen

4.6. Eiser heeft zich nog op het standpunt gesteld dat de totale correctie van het buitenlandse vermogen voor de jaren 2001 tot en met 2004 in strijd met artikel 2.17, vierde lid, onderdeel 2, Wet IB 2001 (tekst 2001 tot en met 2004) aan hem is toegerekend. Ingevolge het vierde lid dient de correctie op het vermogen immers voor de helft aan eiser en voor de helft aan eiseres te worden toegerekend. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat een correctie ten aanzien van buitenlandse vermogensbestanddelen aan de orde is, dient deze slechts voor de helft bij eiser in aanmerking te worden genomen. Dat standpunt kan de rechtbank niet volgen. Met betrekking tot het jaar 2001 stelt de rechtbank vast dat de toerekening is geschied in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.17, vierde lid, onderdeel 2, Wet IB 2001. Met betrekking tot de jaren 2002 tot en met 2004 is het buitenlands vermogen geheel aan eiser toegerekend. Dat is echter op initiatief geschied van de kant van eisers. De gemachtigde van eisers heeft bij brief van 19 augustus 2008 (opgenomen onder 2.29) verweerder verzocht om de geschatte waarde van de buitenlandse vermogensbestanddelen voor de jaren 2002 tot en met 2004 geheel aan eiser toe te rekenen om bezwaar- en beroepsprocedures te vereenvoudigen en in aantal te beperken. Verweerder heeft aan dat verzoek gevolg gegeven. Partijen hebben aldus over dit geschilpunt een vaststellingsovereenkomst gesloten op de voet van artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaraan zij in beginsel zijn gebonden. De omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen maakt dat gezien het bepaalde in artikel 7:902 van het Burgerlijk Wetboek niet anders. In dat artikel is namelijk bepaald dat een vaststellingsovereenkomst ook geldig is als zij strijdig is met dwingendrechtelijke bepalingen. Dit is slechts anders indien de vaststellingsovereenkomst tevens in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Daarvan is hier geen sprake.

Boetes

4.7.1. Uit het vorenoverwogene volgt dat eiser in zijn aangiften over de jaren 2001 tot en met 2005 en eiseres in haar aangiften over de jaren 2001 en 2002 ten onrechte winst (uitsluitend 2001 en 2002) en tegoeden op buitenlandse bankrekeningen niet hebben aangegeven. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze zijn komen vast te staan, acht de rechtbank aannemelijk dat eisers willens en wetens en met het vooropgezette doel van belastingontduiking rekeningen in het buitenland hebben geopend en deze gedurende een reeks van jaren voor verweerder hebben verzwegen. Verweerder heeft daarom op toereikende gronden vergrijpboetes opgelegd op basis van artikel 67e AWR met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2003 en artikel 67d AWR met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2004 en 2005.

4.7.2. De rechtbank acht het boetepercentage van 50% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op de winstcorrecties en 100% van het verschuldigde bedrag aan belasting voor zover dit ziet op niet aangegeven buitenlandse tegoeden in beginsel passend en geboden omdat het eisers kan worden aangerekend dat zij de winst niet hebben aangegeven en dat zij de tegoeden in het buitenland, buiten het zicht van de Belastingdienst hebben gehouden. Daarbij komt dat het gaat om aanzienlijke bedragen die niet zijn opgegeven en dat eisers over een zeer lange reeks van jaren vanaf 1994 en, zo volgt uit verklaringen van eisers over de opening van de rekening in [PLAATSNAAM], ook reeds voor 1994 onjuiste aangiften over tegoeden in het buitenland hebben gedaan. Dat rechtvaardigt met betrekking tot de buitenlandse tegoeden een hogere boete dan de standaardboete van 50%, die verweerder bij opzettelijk gepleegde vergrijpen tot uitgangspunt neemt.

Verweerder heeft geconstateerd dat de boetes over de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 ten name van eisers € 1.763 te hoog zijn opgelegd, omdat hij kennelijk is uitgegaan van een onjuiste grondslag. De rechtbank kan dat standpunt volgen en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.

Bij de vraag of de opgelegde boetes passend en geboden zijn moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden hoort, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 (nr. 41832, BNB 2008/165), de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook de omstandigheid dat de zogenaamde omkering van de bewijslast daarbij is toegepast. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetegrondslag te matigen met 15 %.

4.7.3. In het arrest van 22 april 2005, nr. 37.984, BNB 2005/337 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete.

Sinds het moment dat verweerder de boetes heeft aangekondigd (IB/PVV 2001: 5 december 2006; IB/PVV 2002: 2 september 2008; IB/PVV 2003 tot en met 2005: 10 oktober 2008) is geruime tijd, meer dan twee jaar, zijnde in de regel een maximaal redelijke termijn voor berechting in de zin van artikel 6 EVRM, verstreken. De overschrijdingen van de redelijke termijn worden niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden. Evenmin bestaat aanleiding om het extra tijdsverloop aan eisers toe te rekenen in die zin dat de periodes waarin eisers zoals verweerder heeft gesteld ‘hebben stilgezeten’ van een zodanige omvang is geweest dat die er toe zou leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twee jaar zou bedragen. Om die reden dient op de boetes een vermindering te worden toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij gaat de rechtbank uit van de uitgangspunten zoals geformuleerd in de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009 (04/03329, LJN: BJ1298). Op grond daarvan worden de boetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar, verminderd met 20%. Nu de redelijke termijn met meer dan twee jaar is overschreden, kan onbesproken blijven het standpunt van eisers dat de redelijke termijn voor alle (navorderings)aanslagen een aanvang neemt reeds bij de aankondiging op 5 december 2006 van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2001 en VB 1995 ten name van eiser en IB/PVV 2001 ten name van eiseres.

4.7.4. Het voorgaande leidt ertoe dat de boetes moeten worden verminderd tot op de volgende bedragen:

[X1]:

IB/PVV 2001 € 20.757

IB/PVV 2002 € 14.848

IB/PVV 2003 € 7.603

IB/PVV 2004 € 8.351

IB/PVV 2005 € 9.136

[X2]

IB/PVV 2001 € 20.757

IB/PVV 2002 € 7.956

Beschikkingen heffingsrente

4.8. De beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente zijn door eisers niet afzonderlijk onderbouwd. Aangezien uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat een deel van de belastingaanslagen moeten worden verminderd, slaagt ook in zoverre de beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen die betrekking hebben op de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1994, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en VB 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 ten name van eiser, IB/PVV 1995 en VB 1996 ten name van eiseres, IB/PVV 2001 tot en met 2005 ten name van eiser voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen en IB/PVV 2001 en 2002 ten name van eiseres voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen, gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu de beroepen gegrond zijn vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.260,25 ( in bezwaar op € 724,50: 2 punten voor het indienen van twee bezwaarschriften over samenhangende besluiten uit de periode 1994 tot en met 2000 met een waarde per punt van

€ 161 en een wegingsfactor 1,5, en een factor 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken; in beroep op € 2.535,75: 2 punten voor het indienen van twee niet gelijktijdig ingediende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte van de zaken en een factor 1,5 voor 4 of meer samenhangende zaken).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eiser niet-ontvankelijk voor zover zij zijn gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 en IB/PVV 1996 tot en met 2001, 2002, 2004 en 2005, VB 1995 en VB 1997 tot en met 2000;

- verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en VB 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 van eiser en IB/PVV 1995 en VB 1996 van eiseres gegrond;

- verklaart de beroepen met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 van eiser en IB/PVV 2001 en 2002 van eiseres gegrond voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen en voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en VB 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 ten name van eiser en IB/PVV 1995 en VB 1996 ten name van eiseres;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 ten name van eiser en IB/PVV 2001 en 2002 ten name van eiseres voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen;

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en VB 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 ten name van eiser en IB/PVV 1995 en VB 1996 ten name van eiseres en de bijbehorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- vermindert de boetebeschikkingen die behoren bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 tot de bedragen zoals deze hiervoor onder 4.7.4 zijn weergegeven en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 3.260,25;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 80 vergoedt;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 80 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. H.A.M. Röell-Mulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.