Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR2457

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
15/700470-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkort strafvonnis, meervoudige kamer, doodslag.

Vrijspraak van het bestanddeel voorbedachte raad en daarmee van het impliciet primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Verdachte wordt vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde feit nu niet is gebleken dat verdachte op enig moment voorafgaande aan het moment dat hij van zijn stoel opstond om zijn daad te voltrekken, het besluit reeds had postgevat om het slachtoffer van het leven te beroven. Volgens het PBCrapport was bij verdachte op het moment van het ten laste gelegde sprake van een ernstig verwarde toestand in de zin van een psychotisch toestandbeeld, warin met name de desintegratie op de voorgrond stond. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat verdachte in de korte tijdspanne tussen het moment van opstaan van de eettafel en het insteken op het slachtoffer zich heeft kunnen beraden op het kennelijk toen genomen besluit.

In het door het Pieter Baan Centrum opgemaakt rapport wordt door beide deskundigen geconcludeerd dat bij verdachte zowel sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een autistische stoornis en een schizofrenie als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. De deskundigen achten verdachte ontoerekeningsvatbaar en de kans dat verdachte vanuit zijn pathologie opnieuw psychotisch wordt en vervolgens opnieuw een ernstig agressief delict pleegt, wordt groot geacht. Gelet op de ernst en de complexiteit van de problematiek wordt een lange behandelduur noodzakelijk geacht en een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is de enige toereikende maatregel om het geschetste recidiverisico te beperken.

De rechtbank verenigt zich met het beoordeling van de deskundigen en is van oordeel dat, nu aan de voorwaarden van artikel 37a lid 1 en artikel 37b Sr is voldaan, de veiligheid van personen vereist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700470-10

Uitspraakdatum: 30 maart 2011

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 maart 2011 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [detentieplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 juli 2010 te [plaatsnaam] opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen (met kracht) met een mes, althans met een op een steekwapen gelijkend voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van [naam slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, en gevorderd dat aan verdachte, nu hij ter zake van dit feit als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraak

De rechtbank overweegt allereerst in algemene zin het volgende.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. (zie ook: HR 27 juni 2000, LJN: AA6308 en HR 30 juni 2009, LJN: BI4070).

Een stoornis die de gedragskeuze of de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zodanig heeft beïnvloed dat het bewezenverklaarde niet aan hem kan worden toegerekend, sluit niet uit dat sprake is van voorbedachte raad. (zie ook: HR 5 februari 2008, LJN: BB4959 en HR 16 maart 2010, BK8507)

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier leidt de rechtbank het volgende af.

Niet blijkt dat bij verdachte op enig moment voorafgaande aan het moment dat hij van zijn stoel opstond om zijn daad te voltrekken, het besluit reeds had postgevat om het slachtoffer van het leven te beroven. Volgens het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 9 maart 2011 (hierna te noemen: het PBC rapport) was bij verdachte op het moment van het ten laste gelegde sprake van een ernstig verwarde toestand in de zin van een psychotisch toestandbeeld, waarin met name de desintegratie op de voorgrond stond. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat verdachte in de korte tijdspanne tussen het moment van opstaan van de eettafel en het insteken op het slachtoffer zich heeft kunnen beraden op het - kennelijk - toen genomen besluit.

Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het bestanddeel voorbedachte raad en daarmee van het hem impliciet primair ten laste gelegde.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 6 juli 2010 te [plaatsnaam] opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met kracht met een mes in het lichaam en hoofd van [naam slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Uit het PBC rapport komt naar voren dat verdachte lijdt aan zowel een ziekelijke stoornis in de vorm van een autistische stoornis en schizofrenie als aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Ten tijde van het ten laste gelegde werd het functioneren/handelen van verdachte bepaald door desintegratie en psychotische belevingen. De deskundigen concluderen dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit ontoerekeningsvatbaar kan worden geacht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte ontoerekeningsvatbaar zal verklaren en hem zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman van verdachte is eveneens van mening dat verdachte ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

De rechtbank kan zich met de hierboven weergegeven conclusie van de deskundigen verenigen, neemt deze over en maakt deze tot de hare. Op het moment van het ten laste gelegde feit was bij verdachte sprake van een ernstig verwarde toestand in de zin van een psychotisch toestandsbeeld waarin met name de desintegratie op de voorgrond stond.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte niet strafbaar is omdat het feit hem niet kan worden toegerekend en dient hij derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Motivering van de maatregel

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het PBC rapport is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn broer, op brute wijze van het leven beroofd door diverse messteken. Verdachte bevond zich in de woning van het slachtoffer en is, nadat een huisgenoot de kamer voor korte tijd had verlaten, opgestaan en heeft het slachtoffer, dat achter de computer zat, aangevallen met een mes. In totaal heeft verdachte het slachtoffer ongeveer 158 messteken toegebracht met verschillende messen. Het levenloze lichaam van het slachtoffer is aangetroffen in een grote hoeveelheid bloed. Een groot keukenmes stak nog in de hals van het slachtoffer. Verdachte heeft hiermee het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht om te leven, ontnomen. Hij heeft zijn vader, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring, onuitsprekelijk en onherstelbaar leed berokkend. De nabestaanden van het slachtoffer zullen de onomkeerbare gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies van hun familielid voor altijd met zich dragen. Tevens heeft verdachte met zijn daad gevoelens van geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt.

Uit het PBC rapport d.d. 9 maart 2011 van de deskundigen P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog en F. Nhass, psychiater, blijkt het navolgende.

Psychologisch onderzoek door P.A.E.M.T. Cremers

Betrokkene komt uit het onderzoek naar voren als een op zwakbegaafd niveau functionerende jongeman met een ernstige stoornis op het gebied van het sociale gedrag en de communicatie. Hij toont geen emoties, is oninvoelbaar en wordt als een zonderlinge eenling ervaren. Uit het milieuonderzoek komt naar voren dat sporen van dit gedrag al in de peuterpubertijd zichtbaar waren. Dit wijst erop dat er al vroeg in de ontwikkeling stagnaties zijn. Vandaar dat er primair kan worden gesproken van een pervasieve ontwikkelingsstoornis in de vorm van een autistische stoornis. Het ernstige bizarre en psychotische gedrag zoals bij betrokkene in het verleden is gezien, is niet gebruikelijk bij een autistische stoornis. Dit gedrag wijst qua aard en omvang naar schizofrenie. De sociale beperkingen en het vreemde, soms oninvoelbare gedrag zijn voor beide stoornissen kenmerkend. Betrokkenes psychotische toestanden lijken niet altijd het gevolg te zijn van stressverhogende en stressveroorzakende stimuli. Kennelijk zijn deze psychotische toestanden dan ook soms onderhevig aan een intern proces, wat typerend is voor schizofrenie. In de relatief betere periodes die betrokkene heeft gehad, lijkt hij zich bewust te zijn van zijn beperkingen, hetgeen leidt tot somberheid, mogelijk depressiviteit en de in 2007 ondernomen suïcidepoging. Tijdens de observatie in het Pieter Baan Centrum is betrokkene oninvoelbaar en in die zin onvoorspelbaar, maar impulsief gedrag is niet gesignaleerd. Hij lijkt eerder volgzaam. Desalniettemin kan het recidiverisico als hoog worden gekwalificeerd.

Psychiatrisch onderzoek door F. Nhass

Betrokkene is een 28-jarige man van Chinese afkomst met een lange psychiatrische voorgeschiedenis. Op jonge leeftijd waren al aanwijzingen voor het bestaan van een pervasieve ontwikkelingsstoornis in de vorm van verstoorde taalontwikkeling en contactname met zijn opvoeders en andere kinderen in zijn omgeving. In de puberteit vervalt betrokkene in antisociaal gedrag en drugsgebruik en komt al snel in aanraking met justitie, waarna de opnames in de jeugdinrichtingen en orthopedagogische centra plaatsvinden. Bij betrokkene is sprake van een autistische stoornis die gekenmerkt wordt door ernstige beperkingen in de sociaal-emotionele ontwikkeling beginnend voor het derde levensjaar. Hieronder vallen de beperkingen in de sociale interactie, beperkingen in de communicatie en ten slotte nog de beperkte stereotiepe patronen van gedrag. Hierbij is in overweging genomen dat een aantal gedragingen van betrokkene voor een deel samenhangt met culturele factoren, maar vooral de beperkingen in de sociale interactie verder gaan dan passend binnen een culturele context. Tevens functioneert betrokkene op zwakbegaafd niveau. Gedurende zijn leven traden op verschillende momenten psychotische decompensaties op. De aard van deze psychotische decompensaties, maar ook de duur ervan en het feit dat de decompensaties niet altijd voorafgegaan worden door een luxerende stressfactor, maken dat de psychotische decompensaties gezien moeten worden als voortkomend uit een autonome stoornis, te weten schizofrenie, meer dan optredend in het kader van de autistische stoornis. In de psychiatrische voorgeschiedenis van betrokkene zijn immers verschillende ernstige en langdurige psychotische decompensaties te herkennen, die soms vijf maanden tot een jaar aanhielden.

Beide deskundigen komen tot de volgende conclusie.

Bij betrokkene is sprake van zowel een ziekelijke stoornis in de vorm van een autistische stoornis en een schizofrenie als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Zowel de autistische stoornis en schizofrenie als de zwakbegaafdheid zijn chronisch van aard en waren aanwezig op het moment waarop het ten laste gelegde is gepleegd. Gezien de ernstige desintegratie waarin betrokkene op dat moment verkeerde, kan geconcludeerd worden dat zijn functioneren en handelen bepaald werden door de desintegratie en psychotische belevingen. Betrokkene kan ontoerekeningsvatbaar worden geacht. De kans dat betrokkene vanuit zijn pathologie opnieuw psychotisch wordt en vervolgens opnieuw een ernstig agressief delict pleegt, wordt groot geacht. Betrokkene is in zijn gedrag onvoorspelbaar en oninvoelbaar, waardoor in principe iedereen een slachtoffer kan zijn. Intensieve en langdurige klinische behandeling is noodzakelijk om dit recidiverisico te verlagen. Naast het instellen op een adequate onderhoudsdosering antipsychotische medicatie is veel aandacht nodig voor het bevorderen van het ziekte-inzicht en het opstellen van een signaleringsplan. Gelet op de ernst en de complexiteit van de problematiek is een lange behandelduur noodzakelijk, en zal een plaatsing in een psychiatrische ziekenhuis krachtens artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende kader bieden. De behandeling dient plaats te vinden in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Bij betrokkene is te weinig ziekte-inzicht, en als gevolg van de ernstige stoornis en gebrekkige ontwikkeling heeft hij te weinig mogelijkheden om oorzaak - gevolg verbanden te leren leggen, om toe te kunnen met terbeschikkingstelling met voorwaarden. Een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is de enige toereikende maatregel om het geschetste recidiverisico te beperken.

De rechtbank kan zich met de beoordeling van de deskundigen verenigen. Zij is van oordeel dat een behandeling van kortere duur en met een minder ingrijpend karakter onvoldoende bescherming zou bieden voor de veiligheid van personen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit, het gevaar voor herhaling van een dergelijk feit en gelet op de persoonlijkheid van verdachte, is de rechtbank, nu aan de voorwaarden van artikel 37a lid 1 en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, in aanmerking genomen de hierboven vermelde deskundigenadviezen, van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereisen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd. De rechtbank zal derhalve een dienovereenkomstige last geven.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

37a, 37b, 39 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. drs. J.W.H.G. Loyson en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Hermans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 maart 2011.

Parketnummer: 15/700470-10

Inzake: CHEN blad 2

vonnis