Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR2446

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
15/741444-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om uitlevering van de opgeeiste persoon aan de Verenigde Staten. De rechtbank acht de uitlevering toelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/741444-10

Registratienummer: 10/1600

Zittingsdatum: 21 januari 2011

Uitspraakdatum: 4 februari 2011

Uitspraak van de rechtbank Haarlem op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van

[opgeeiste persoon],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [adres],

thans verblijvende te [adres],

aan de Verenigde Staten van Amerika.

1. De relevante schriftelijke stukken

1.1. Het verzoek tot uitlevering

In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS), met als kenmerk 183/10 en gericht aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag.

Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging ter zake van de strafbare feiten opgenomen in de tenlastelegging (‘Indictment’) d.d. 20 oktober 2010.

Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd:

- een in de Engelse taal gestelde gewaarmerkte kopie van een arrestatiebevel, afgegeven door [naam], griffier van de Federale Amerikaanse Arrondissementsrechtbank voor het Zuidelijk Arrondissement van Illinois te East St. Louis, Illinois (VS), d.d. 21 oktober 2010;

- een in de Engelse taal gestelde tenlastelegging (‘Indictment’) d.d. 20 oktober 2010, waarin een uiteenzetting is opgenomen van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon beschuldigd wordt;

- een in de Engelse taal gestelde beëdigde verklaring (‘Affidavit’) d.d. 1 november 2010 ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek, afgelegd door Assistent Officier van Justitie en Assistent Procureur voor de Verenigde Staten [naam], inhoudende een uiteenzetting van de feiten die aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, een toelichting op de procedure die tot de aanklachten en het aanhoudingsbevel jegens de opgeëiste persoon heeft geleid en een toelichting op de relevante wetsartikelen;

- een in de Engelse taal gestelde beëdigde verklaring (‘Affidavit’) d.d. 1 november 2010, ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek, afgelegd door inspecteur [naam] van de Dienst Amerikaanse Post Inspectie (‘United States Postal Inspection Service’), inhoudende aanvullende informatie met betrekking tot het bewijsmateriaal en de identiteit van de opgeëiste persoon;

- een in de Engelse taal gesteld overzicht van de toepasselijke Amerikaanse rechtsvoorschriften;

- een kopie van het paspoort van Nederland van de opgeëiste persoon;

- een vertaling van de bovengenoemde stukken in de Nederlandse taal, met uitzondering van de tenlastelegging (‘Indictment’) en het paspoort.

1.2. De overige stukken van het dossier

Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier:

- de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet d.d. 13 december 2010;

- de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Uitleveringswet d.d. 21 januari 2010.

2. De overwegingen

2.1. De identiteit van de opgeëiste persoon

Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat [opgeeiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], de Nederlandse nationaliteit bezit en dat zij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht.

2.2. De genoegzaamheid van de stukken

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat de overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 9 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) (Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS), omdat in de stukken onvoldoende zou zijn aangeduid op welke tijd en plaats de verweten feiten zouden zijn gepleegd en voorts omdat niet alle door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte stukken in de Nederlandse taal zijn vertaald. Tot slot zouden de door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde stukken op onderdelen tegenstrijdigheden bevatten, hetgeen de reeds ontstane onduidelijkheid versterkt voor wat betreft de exacte tijd en plaats waarop de verweten strafbare feiten zouden zijn gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de voorliggende stukken in onderling verband en samenhang te worden bezien. Daarbij is van belang dat de voornaamste stukken, inhoudende de verwijten die de opgeëiste persoon worden gemaakt, alsmede het verloop van de procedure en de bewijsmiddelen die tot die verdenkingen hebben geleid, in het Nederlands zijn vertaald. Met de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat noch het Uitleveringsverdrag tussen Nedeland en de VS noch de Uitleveringswet vereist dat ook de ‘Indictment’ wordt vertaald. Dit geldt te meer nu de relevante feiten en data als genoemd in de ‘Indictment’ zijn terug te vinden in de wel in de Nederlandse taal vertaalde ‘Affidavit’ van inspecteur [naam]. Mede gelet op de aard van de verweten strafbare gedragingen, die over een periode van een aantal jaren in, onder meer, de Verenigde Staten zouden zijn gepleegd en in verband waarmee ook namen van een aantal concreet gedupeerden worden genoemd, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende stukken voldoende inzichtelijk maken welke verwijten de opgeëiste persoon worden gemaakt. Dat het hier om een veelheid van data en periodes gaat is inherent aan de aard van de verweten strafbare gedragingen en maakt de omschrijvingen, anders dan de raadsvrouw betoogt, niet onvoldoende concreet. Voor wat betreft de stelling dat de overgelegde stukken tegenstrijdigheden inhouden, en dat de uiteenzetting van de feiten niet zou passen op de kwalificaties die de VS daaraan geven, merkt de rechtbank op dat haar een inhoudelijke beoordeling van het voorliggende materiaal, flagrante onjuistheden en tegenstrijdigheden daargelaten, niet toekomt, gezien de aard van de onderhavige procedure. Van dergelijke flagrante onjuistheden en tegenstrijdigheden is geen sprake. Weliswaar vermeldt de ‘Indictment’ onder 11 dat er aan H.D. vier “Ponzi payments” zijn gedaan, terwijl [naam] onder 8 van haar ‘Affadavit’ vemeldt dat [naam] nooit een betaling heeft ontvangen, doch eerdergenoemde mededeling in de ‘Indictment’ moet worden gelezen in het licht van de gehele tekst van de ‘Indictment’, waar immers vervolgens staat dat aan H.D. verder geen betalingen zijn gedaan terwijl hij ook zijn investering niet heeft teruggekregen. Bij deze stand van zaken kan er niet van een flagrante onjuistheid of tegenstrijdigheid worden gesproken noch van een onbegrijpelijk verwijt aan de opgeëiste persoon. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te (doen) verrichten.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen ook overigens aan de daaraan ingevolge het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS en de Uitleveringswet te stellen eisen. Met name is in het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel en de bijbehorende ‘Affadavits’ voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd.

Derhalve is voldaan aan de in artikel 9 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS en artikel 18 van de Uitleveringswet gestelde eisen.

2.3. De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering

2.3.1. Dubbele strafbaarheid

Van toepassing is het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Feit 1: medeplegen van poging tot oplichting dan wel medeplegen van valsheid in geschrift;

Feit 2: medeplegen van oplichting dan wel medeplegen van valsheid in geschrift;

Feit 3: medeplegen van oplichting dan wel medeplegen van valsheid in geschrift.

Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, staan vermeld in de Bijlage bij het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS onder nummer 10 dan wel 14 en/of 15.

2.3.2. Vermoeden van schuld

De opgeëiste persoon heeft ter zitting gesteld niet onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

2.4. Overige overwegingen

Dubbele vervolging

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat deze niet zou mogen worden uitgeleverd, vanwege de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 9 lid 1 sub a van de Uitleveringswet en artikel 5 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS. Dit in verband met de tegen haar in Nederland lopende strafzaak met parketnummer 14/900004-10, die, gelet op de mogelijke aard van de verdenking die in dat kader jegens de opgeëiste persoon bestaat, het risico met zich brengt dat de opgeëiste persoon zowel in Nederland als in de VS zal worden vervolgd ter zake van hetzelfde feit.

Ter zitting heeft de officier van justitie evenwel medegedeeld dat zijn collega van het Functioneel Parket, officier in de Nederlandse strafzaak met parketnummer 14/900004-10, hem heeft verzekerd dat hij zich van deze omstandigheid bewust is en niet voornemens is de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen voor feiten waarvoor zij zal worden uitgeleverd aan de VS. Gelet op deze mededeling van de officier van justitie staat de omstandigheid dat de opgeëiste persoon thans ook in Nederland wordt vervolgd, niet aan de toelaatbaarheid van haar uitlevering in de weg.

Persoonlijke omstandigheden opgeëiste persoon

Door de verdediging is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, in welk verband een beroep is gedaan op de ‘bijzondere hardheid’ als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS. Dit, gelet op de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon, die ook daarom uit de uitleveringsdetentie is geschorst. De verdediging heeft een aantal stukken overgelegd waaruit een en ander zou moeten blijken.

De rechtbank stelt voorop dat haar in deze slechts een oppervlakkige toets toekomt. De persoonlijke omstandigheden en/of de gezondheid van de opgeëiste persoon kunnen, behoudens situaties waarin een ernstige en flagrante mensenrechtenschending dreigt, voor de rechtbank op zichzelf geen reden zijn de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Dergelijke omstandigheden dienen door de Minister te worden meegenomen bij zijn beoordeling en het nemen van de beslissing aangaande de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich, gelet op hetgeen ter zitting is aangevoerd, geen situatie voor waarin op voorhand vast staat dat uitlevering van de opgeëiste persoon een ernstige en flagrante schending van de fundamentele rechten van de mens zou opleveren. Overigens blijkt uit hetgeen hieromtrent ter zitting is aangevoerd ook niet dat de opgeëiste persoon niet detentiegeschikt zou zijn, zodat de rechtbank eveneens geen aanleiding ziet de Minister dienaangaande nader te adviseren.

Verzoek om uitstel uitlevering / tijdelijke overlevering

Ten slotte heeft de verdediging de rechtbank verzocht te bepalen dat de uitlevering van de opgeëiste persoon zal worden uitgesteld totdat de Nederlandse strafrechtelijke procedure tegen haar is beëindigd of de eventueel op te leggen straf volledig is ten uitvoer gelegd, dan wel te bepalen dat zij slechts tijdelijk zal worden overgeleverd, uitsluitend ten behoeve van het instellen van een vervolging jegens haar. Dit omdat de opgeëiste persoon ernstig in haar verdedigingsrechten in de Nederlandse strafzaak zou worden geschaad indien aan deze mogelijkheid geen toepassing wordt gegeven.

Nu het bovengenoemde een bevoegdheid van de Minister betreft, is de rechtbank van oordeel dat een beslissing op deze verzoeken haar bevoegdheid te buiten gaat.

2.5. Slotsom

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering, zal, gelet op de volgende artikelen:

artikelen 2 en 9 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS;

artikelen 4, 5 en 18 van de Uitleveringswet;

artikelen 45, 47, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht,

worden beslist als volgt.

3. De beslissing

De rechtbank:

Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [opgeeiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ter strafvervolging ter zake van de feiten, omschreven in de uiteenzettingen van de feiten in de – ‘Affidavit’ d.d. 1 november 2010, afgelegd door inspecteur [naam] en de ‘Indictment’ d.d. 20 oktober 2010,

welke stukken als bijlagen aan deze uitspraak zijn gehecht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. P.M. Wamsteker en S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Brugman, griffier

en uitgesproken op de openbare zitting van 4 februari 2011.