Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR2427

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
15/700677-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voorts wordt verdachte veroordeeld tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door vier maanden hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700677-10

Uitspraakdatum: 14 juni 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 (primair):

hij op 02 oktober 2010 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slach[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- met de vuist in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (meermalen) (met kracht) in/tegen het gezicht heeft geschopt en/of getrapt en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (meermalen) met de gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 (subsidiair):

hij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Zaandam, gemeente Zaanstad, aan een persoon genaamd [slach[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een neus fractuur, een jukbeen fractuur en/of een bovenkaak fractuur), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk:

- met de vuist in het gezicht te slaan en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (meermalen) met kracht in/tegen het gezicht te schoppen en/of te trappen en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (meermalen) met de gebalde vuist in het gezicht te slaan en/of te stompen;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], van € 4.280,87 heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering in zijn geheel zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Op 2 oktober 2010 omstreeks 03.40 uur werd door een medewerker van de regionale meldkamer aan twee in Zaandam surveillerende verbalisanten de melding doorgegeven dat een vechtpartij plaats zou vinden op de Prinsenstraat te Zaandam. De ter plaatse aangekomen verbalisanten zagen een jongen aan komen rennen, zijnde getuige[getuige] (hierna te noemen [getuige]), die verklaarde dat hij gezien had dat een jongen in elkaar werd geslagen door een andere jongen. Daarna kwam een tweede jongen aanlopen, zijnde [slachtoffer] (hierna te noemen: het slachtoffer). Verbalisant zag dat het gezicht van het slachtoffer volledig onder het bloed zat en dat zijn oog opgezwollen was. Het slachtoffer verklaarde dat hij in zijn gezicht was geslagen en geschopt door [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) wonende aan de [adres] en gekleed in een zwarte jas met capuchon. Op de plaats waar het incident vermoedelijk had plaatsgevonden, werd door verbalisant een plas bloed gezien met een doorsnede van ongeveer 50 centimeter. Kort daarna is verdachte op zijn huisadres aangehouden. Op de vraag wat er zojuist gebeurd was, verklaarde verdachte dat hij betrokken was bij een vechtpartij.

Het slachtoffer en verdachte hebben beiden aangegeven dat zij elkaar al 15 jaar kennen. Ze waren goede vrienden, maar door een conflict, een aantal jaren voor het incident op 2 oktober 2010, hebben zij geen contact meer met elkaar. Op 2 oktober 2010 kwamen het slachtoffer en verdachte elkaar toevallig tegen bij de eetgelegenheid Yaman op de Dam in Zaandam en hebben zij daar staan praten. Vervolgens is het slachtoffer door de Damstraat gelopen en liep verdachte liep achter hem aan. Het slachtoffer liep via de Beatrixbrug naar de Zuiddijk. Verdachte bleef achter hem aanlopen. Bovenaan de trap bij de steeg tussen de Zuiddijk en de Prinsenstraat kreeg het slachtoffer opeens een vuistslag van verdachte in zijn gezicht. Hij viel daardoor op de grond en kreeg meteen daarna van verdachte trappen in zijn gezicht. Ook kreeg hij van verdachte slagen in het gezicht. Een voorbijganger, getuige [getuige], die langs de steeg/trap fietste, zag het met de vuist slaan en met de voet schoppen van het slachtoffer. Verdachte bleef hard en snel doortrappen. Het slachtoffer voelde enorm veel pijn. Het slachtoffer schreeuwde: “Stop” en “Stop alsjeblieft” een paar keer achter elkaar. [getuige] riep iets waarop de dader ophield en vervolgens wegrende. Het slachtoffer bleek de volgende verwondingen te hebben opgelopen: diverse schaafwonden aan het gezicht, een neusfractuur met verplaatsing, een jukbeenfractuur zonder verplaatsing en een bovenkaakfractuur zonder verplaatsing.

De sportschoenen die verdachte droeg, zijn onderzocht waarbij op de rechterschoen op twee verschillende plaatsen bloed werd aangetroffen. Deze zijn bemonsterd en veiliggesteld. Uit een vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het bloed in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer, waarbij de berekende frequentie kleiner is dan 1 op 1 miljard.

Verdachte heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat het slachtoffer hem volgde en dat hij door het slachtoffer en twee Marokkaanse jongens bij de trap werd aangevallen. Verdachte zou door zijn drie belagers zijn getrapt en geslagen. Het zou een gevecht op leven en dood zijn geweest. Hij heeft alle drie zijn belagers geraakt met gebalde vuisten en kon daardoor op een gegeven moment vluchten. De Marokkaanse jongens renden achter hem aan en verdachte heeft zich daarom in een steeg verstopt en zijn vader [vader] gebeld, aldus verdachte.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte volstrekt onaannemelijk en overweegt hiertoe het volgende.

Allereerst blijkt uit de camerabeelden van de camera op het Sluiswachtershuisje te Zaandam dat het slachtoffer wegloopt en dat verdachte hem volgde. Voorts wordt de verklaring van het slachtoffer dat er geen andere personen waren betrokken bij het gevecht in de steeg, bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige]. De stelling van de raadsman van verdachte dat de getuige wellicht niet alles scherp heeft gezien omdat het donker was, volgt de rechtbank niet. [getuige] heeft immers verklaard dat hij eerst een paar minuten heeft staan kijken voordat hij tegen verdachte schreeuwde. Hij had dus voldoende tijd om het incident in zich op te nemen. Ook was de steeg weliswaar donker, maar er stond wel een lantaarnpaal. [getuige] verklaart daarbij dat hij het niet allemaal scherp kon zien, maar dat hij het slaan en schoppen wel zag en de geluiden hoorde. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verklaringen van het slachtoffer en [getuige] dat het slachtoffer door verdachte werd geschopt en geslagen en dat er geen andere personen in de steeg waren die verdachte samen met het slachtoffer zouden hebben aangevallen, steun vinden in het feit dat het slachtoffer zware verwondingen aan zijn gezicht had, terwijl verdachte daarentegen zelf geen zichtbaar letsel had, behalve een schaafwond aan zijn hand. Ten slotte valt de lezing van verdachte dat hij zijn belagers waaronder ook het slachtoffer alleen heeft geraakt met zijn vuisten, niet te rijmen met het feit dat op twee verschillende plaatsen op de rechterschoen van verdachte bloed van het slachtoffer is aangetroffen.

De verklaring van de getuige [getuige 2] dat verdachte eerder die avond door het slachtoffer met de dood zou zijn bedreigd, doet aan het voorgaande niet af. Deze getuige was immers niet op de plaats delict aanwezig. Ook hecht de rechtbank geen waarde aan de verklaring van [vader], de vader van verdachte, bij de rechter-commissaris, over de aanwezigheid van twee Marokkaanse jongens tijdens het incident. Hij zou deze informatie immers later van verdachte zelf hebben gehoord en was evenmin tijdens het incident in de steeg aanwezig.

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank de verklaring van verdachte dan ook als onaannemelijk en ongeloofwaardig terzijde.

4.2 Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte geen opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft volgens de verklaring van het slachtoffer en de verklaring van getuige [getuige], met kracht met een geschoeide voet meerdere malen tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt en met zijn vuist, eveneens met kracht, tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen. Het gezicht van het slachtoffer zat volledig onder het bloed, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten (dossierpagina 87) en uit de in het strafdossier opgenomen foto van het slachtoffer (dossierpagina 51). Verdachte moet het besef hebben gehad dat deze verwondingen het slachtoffer door zijn toedoen werden aangedaan waarbij hij toch door bleef gaan met slaan en schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer. Het is een algemene ervaringsregel dat het hoofd van een mens dusdanig kwetsbaar is dat, indien daartegen wordt geschopt en geslagen de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben, temeer wanneer dit herhaaldelijk en met kracht gebeurt. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, mag ook van verdachte worden verwacht dat hij daarvan op de hoogte is. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 02 oktober 2010 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- met de vuist in het gezicht heeft geslagen en

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen met kracht tegen het gezicht heeft geschopt en

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen met de gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

5.1 Beroep op noodweer

Verdachte heeft aangevoerd dat hij het slachtoffer slechts heeft geslagen ter verdediging van zijn eigen lijf omdat hij door het slachtoffer en twee Marokkaanse jongens zou zijn aangevallen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging van eigen lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank is, zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, van oordeel dat de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van de twee Marokkaanse jongens en het gevecht met hen en het slachtoffer onaannemelijk en ongeloofwaardig is. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat van een dergelijke aanranding dan ook geen sprake is geweest.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.2 Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 2 oktober 2010, midden in de nacht terwijl het donker en stil was, het slachtoffer met de vuist in het gezicht geslagen en vervolgens terwijl het slachtoffer op de grond lag en zich niet kon verweren, meerdere malen het slachtoffer met kracht tegen het hoofd geslagen en geschopt. De mishandeling heeft minutenlang geduurd en is pas gestopt nadat een toevallige voorbijganger het gebeuren opmerkte en is gaan roepen. Verdachte heeft excessief geweld toegepast als gevolg waarvan het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft hierdoor op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. In het onderhavige geval blijkt dit ook uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer, welke ter terechtzitting is voorgelezen.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Tijdens zijn verhoren en ook ter terechtzitting heeft verdachte niet willen aangeven wat precies de achtergrond is geweest van het conflict tussen hem en het slachtoffer en het door hem gepleegde geweld tegen het slachtoffer. Ook is verdachte blijven volhouden dat hij slechts gehandeld heeft uit zelfverdediging terwijl die verklaring op geen enkele wijze wordt ondersteund door de verklaringen van het slachtoffer en de getuige, en het - zeker in vergelijking met het slachtoffer - lichte letsel van verdachte. Ten slotte heeft verdachte ter terechtzitting, geconfronteerd met een foto van het bebloede gezicht van het slachtoffer op de vraag wat hij daarvan en van het letsel van het slachtoffer vindt, gereageerd met “Ik heb daar niets over te zeggen” en “Ik vind het jammer dat het zo is gegaan.” Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte er geen blijk van geeft het laakbare van zijn handelingen in te zien. Ook heeft verdachte geen blijk gegeven van enig mededogen richting het slachtoffer. De rechtbank acht dit zorgelijk.

Het handelen van verdachte rechtvaardigt dan ook de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van een langere duur dan dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft echter in het voordeel van verdachte meegewogen dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen en zijn nog jonge leeftijd. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, wederom een baan heeft.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat naast deze vrijheidsbenemende straf verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

8. Vordering benadeelde partij en eventueel schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.280,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010, ingediend tegen verdachte wegens materië¬le en immateriële schade die hij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

- vermissing autosleutels: € 132,27

- vermissing twee gouden oorbellen: € 99,-

- daggeldvergoeding opname AMC: € 78,-

- eigen risico ziektekostenverzekering: € 154,92

- gemiste inkomsten: € 737,20

- reiskosten: € 79,48

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft voorts een vordering van € 3.000,- ingediend tegen verdachte wegens immaterië¬le schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is - gelet op de onderbouwing en het verhandelde te terechtzitting, van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade billijk voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010.

Ten aanzien van de verloren autosleutels en de oorbellen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt dat op de plaats delict geen uitgebreid onderzoek is gedaan door de politie zodat het mogelijk is dat de sleutels en oorbellen ter plaatse zijn verloren maar niet aldaar zijn aangetroffen door de politie. Voorts heeft het slachtoffer al direct in het ziekenhuis aangegeven dat hij zijn oorbellen, de sleutels en een gouden ring ter plaatste verloren is. De gouden ring is ook daadwerkelijk door [getuige] op de plaats delict gevonden. Hoewel de autosleutels en oorbellen niet op de plaats delict zijn gevonden, acht de rechtbank deze schade voldoende aannemelijk, dus ook rechtstreeks en voor toewijzing vatbaar.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoe¬dingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 4.280,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010,

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5.2. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door vier maanden hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 4.280,87 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010, aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer 108468402, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroor¬deelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit¬voerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.280,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2010, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 52 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het bevel geschorste voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.M. Wamsteker, voorzitter,

mrs. J.M. Sassenburgen S. Euwema, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M.W. Martens,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2011.

Mr. Euwema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.