Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1684

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
15/800374-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen; invoer cocaïne; opzet; bekennende verklaring; reclassering; reclasseringsrapport; reclasseringstoezicht; voorwaardelijke gevangenisstraf; deels voorwaardelijke gevangenisstraf; LOVS; GGZ.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.262,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting zoals deze in het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren ("LOVS") zijn overeengekomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte als standaardkoerier dient te worden aangemerkt, aangezien niet is gebleken van dermate schrijnende persoonlijke omstandigheden dat verdachte in een lagere categorie drugskoeriers zou moeten vallen. Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt (kort gezegd) dat het verdachte ontbreekt aan enig zelfinzicht. Het beeld dat verdachte van zichzelf schetst is het beeld van een slachtoffer. Alle ellende lijkt haar te overkomen en zij heeft er geen grip op. Ook waar het haar contacten met politie en justitie betreft geeft zij aan dat zij er part noch deel aan heeft gehad, het wordt haar allemaal door anderen aangedaan. Verdachte is uiterst terughoudend als haar om feitelijke, concrete informatie wordt gevraagd. Daarnaast heeft een eerder aangeboden Nederlandse taalcursus onvoldoende opgeleverd. De reclassering is op grond van het voornoemde van mening dat zij te weinig aanknopingspunten zien voor begeleiding vanuit de reclassering en achten de kans van slagen van een reclasseringstoezicht niet aanwezig. Gelet op de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan onder andere gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, op te leggen. De rechtbank merkt daarbij op dat indien verdachte hulp en begeleiding wenst na haar detentie, er voldoende andere kanalen voor haar beschikbaar zijn, zoals maatschappelijk werk en de GGZ, om haar begeleiding te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800374-11

Uitspraakdatum: 13 juli 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juni 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 maart 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijsbeslissingen

4.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 29 juni 2011.

* Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 19 maart 2011 (dossierparagraaf 1.1).

* Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 31 maart 2011 (dossierparagraaf 1.1.4).

* Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 5 april 2011, kenmerk 2830 X 11 (los opgenomen).

De hiervoor door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 19 maart 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Reclassering Nederland uitgebrachte reclasseringsrapport van 22 juni 2011 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.262,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting zoals deze in het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren ("LOVS") zijn overeengekomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte als standaardkoerier dient te worden aangemerkt, aangezien niet is gebleken van dermate schrijnende persoonlijke omstandigheden dat verdachte in een lagere categorie drugskoeriers zou moeten vallen.

Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt (kort gezegd) dat het verdachte ontbreekt aan enig zelfinzicht. Het beeld dat verdachte van zichzelf schetst is het beeld van een slachtoffer. Alle ellende lijkt haar te overkomen en zij heeft er geen grip op. Ook waar het haar contacten met politie en justitie betreft geeft zij aan dat zij er part noch deel aan heeft gehad, het wordt haar allemaal door anderen aangedaan. Verdachte is uiterst terughoudend als haar om feitelijke, concrete informatie wordt gevraagd. Daarnaast heeft een eerder aangeboden Nederlandse taalcursus onvoldoende opgeleverd. De reclassering is op grond van het voornoemde van mening dat zij te weinig aanknopingspunten zien voor begeleiding vanuit de reclassering en achten de kans van slagen van een reclasseringstoezicht niet aanwezig.

Gelet op de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan onder andere gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, op te leggen. De rechtbank merkt daarbij op dat indien verdachte hulp en begeleiding wenst na haar detentie, er voldoende andere kanalen voor haar beschikbaar zijn, zoals maatschappelijk werk en de GGZ, om haar begeleiding te bieden.

De officier van justitie heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden gevorderd. Deze eis is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.C.M. Swinkels, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 13 juli 2011.

Mr. G. Demmink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.