Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2011:BR1515

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
15-810366-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens het witwassen van ruim 10.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810366-10

Uitspraakdatum: 7 april 2011

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 maart 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Roemenië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 november 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 10.700 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd het in beslag genomen geld verbeurd te verklaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 16 november 2010 werd verdachte bij de paspoortcontrole in de vertrekhal op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangesproken door een douane-ambtenaar. Verdachte was op uitreis naar Boekarest. Verdachte verklaarde desgevraagd dat hij niets had aan te geven. Op de vraag van de douane-ambtenaar hoeveel geld hij bij zich had, antwoordde verdachte dat hij € 10.000,- bij zich had. Verdachte haalde het geld uit zijn zak tevoorschijn. Het betrof allemaal biljetten van 50 euro, op 1 biljet van 100 euro na. In de portemonnee van verdachte werd 700 euro aangetroffen, ook in 50 euro-biljetten. Verdachte verklaarde dat hij met 10.000 euro van zijn ouders was gaan reizen en dat hij samen met een vriend vanuit Boekarest naar Duitsland was gereisd om een auto te kopen. Verdachte vond de auto’s in Duitsland te duur en was vervolgens voor een vakantie van drie dagen naar Nederland gekomen. Verdachte had in een hotel verbleven waarvan hij de naam niet meer wist, en was met vrienden omgegaan van wie hij alleen de naam Mario kon noemen. Voorts verklaarde verdachte dat hij het geld drie jaar lang had gespaard. Uit het Bedrijfs Processen Systeem bleek dat verdachte in september 2010 met drie andere Roemenen in een auto op Schiphol was gecontroleerd, waarbij bij verdachte 3.500 euro was aangetroffen. Over dit bedrag had verdachte destijds verklaard dat dit bestemd was om een auto in Spanje te kopen. Hierop is verdachte aangehouden op verdenking van witwassen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, en dat de luchthaven Schiphol een doorvoerhaven is voor dat criminele geld, waarbij veelal coupures van 50 euro-biljetten in omloop zijn, het gangbare (bancaire) betalingsverkeer wordt vermeden en het geld fysiek wordt vervoerd.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat van verdachte, gelet op de aard, de hoogte en wijze van vervoer van het bij hem aangetroffen bedrag, een verklaring mag worden verlangd omtrent de herkomst van het geld. Wil een dergelijke verklaring als betrouwbaar en geloofwaardig worden aangemerkt, moet het gaan om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst.

Bij zijn inverzekeringstelling op 16 november 2010 heeft verdachte – anders dan bij de gehouden douanecontrole – verklaard dat hij een deel van het geld, 6.000 euro, uit Roemenië had meegenomen, dat hij hiervan wat had uitgegeven en dat hij het andere deel, 4.000 tot 5.000 euro, van zijn vriendin had gekregen. Met zijn geld wilde hij een auto kopen in Roemenië, het geld van zijn vriendin zou bestemd zijn om in Roemenië een appartement te kopen. Bij zijn verhoor eerder op die dag heeft verdachte verklaard dat het geld dat hij uit Roemenië had meegenomen, te weten 6.500 euro, bestond uit een deel van hemzelf (1.500 euro), zijn ouders (ongeveer 3.500 euro) en zijn zus (ongeveer 2.000 euro). Zijn ouders zouden hiervoor geld bij een bank hebben geleend. Verdachte heeft deze herkomst op geen enkele wijze onderbouwd en ook desgevraagd verklaard de legale herkomst ook niet te kunnen bewijzen.

Ten aanzien van het deel dat van zijn vriendin zou zijn, te weten 4.000,- tot € 5.000,- euro, heeft verdachte verklaard dat zijn vriendin als prostituee in Nederland werkt en dat hij het geld dat zij hiermee verdient voor haar naar Roemenië meenam om te bewaren tot zij over 2 à 3 weken naar Roemenië zou komen. De vriendin van verdachte, [naam vriendin], heeft echter verklaard dat zij een bedrag van 10.000 euro aan verdachte had meegegeven. De rechtbank constateert dat de hoogte van het bedrag dat verdachte voor zijn vriendin zou meenemen, aanmerkelijk afwijkt van hetgeen zij hierover heeft verklaard.

Een financieel deskundige van het Bureau Financiële Recherche van de Koninklijke Marechaussee heeft aan de hand van een tweetal vergelijkingsmodellen onderzocht of de inkomensgegevens van [naam vriendin] de verklaring van verdachte of haar eigen verklaring kunnen ondersteunen. Het eerste model gaat uit van de door [naam vriendin] over het derde en vierde kwartaal van 2009 opgegeven gegevens aan de Belastingdienst. Het andere model gaat uit van de verklaring van [naam vriendin] met betrekking tot haar inkomsten over de periode van september 2009 tot en met oktober 2010. Bij het tweede model is uitgegaan van de voor [naam vriendin] meest gunstigste situatie. Aan de hand van beide modellen kan worden geconcludeerd dat [naam vriendin] in de periode tot aan november 2010 nimmer een bedrag van 10.000 euro heeft kunnen sparen, zodat [naam vriendin] een dergelijk bedrag ook niet aan verdachte kan hebben meegegeven. Ook een lager bedrag van 4.000 tot 5.000 euro waarover verdachte heeft verklaard, is volgens deze berekening niet mogelijk: uit het rekenmodel blijkt dat hooguit 1.560 euro voor [naam vriendin] beschikbaar heeft kunnen zijn.

De verklaringen die verdachte over de herkomst van het geld bij de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd, zijn strijdig met hetgeen hij bij de controle bij de douane heeft verklaard. Ten aanzien van het gedeelte van het bedrag dat van zijn vriendin afkomstig zou zijn, komt verdachtes verklaring niet overeen met hetgeen zijn vriendin hierover heeft verklaard. Ook heeft verdachte wisselend verklaard over zijn reis en over de bestemming van het geld, en kon hij desgevraagd niets vertellen over wat nodig is voor de import/export van een eventueel gekocht voertuig vanuit Nederland naar Roemenië.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de door verdachte gestelde herkomst van het onder hem contant aangetroffen bedrag van € 10.700,- onvoldoende concreet en betrouwbaar is. Voor zover de gestelde herkomst van een gedeelte van het geld, namelijk het deel dat afkomstig zou zijn van zijn vriendin, verifieerbaar was, is deze geverifieerd, waarbij bleek dat de verklaring van verdachte op dit punt niet kon kloppen. Gelet op deze omstandigheden en gelet op de wijze waarop het geld bij verdachte is aangetroffen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit uit enig misdrijf is verkregen, en dat verdachte dit wist. Het ten laste gelegde feit kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 16 november 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 10.700 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een bedrag van ruim 10.000,- euro, waarvan hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was, contant voorhanden gehad. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder de mogelijkheid van het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden moet worden geacht.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 212 bankbiljetten van € 50,- en 1 bankbiljet van € 100,-, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN (1) MAAND.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

1 198 bankbiljetten van € 50,-;

2 1 bankbiljet van € 100,-;

3 14 bankbiljetten van € 50,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mrs. M.E. Fortuin en K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M.A. Richelle,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 april 2011.